Rechtbank Noord-Nederland, 06-06-2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:2189, 23/2804, 23/2805, 23/2806 en 23/2105
Rechtbank Noord-Nederland, 06-06-2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:2189, 23/2804, 23/2805, 23/2806 en 23/2105
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 6 juni 2024
- Datum publicatie
- 14 juni 2024
- Zaaknummer
- 23/2804, 23/2805, 23/2806 en 23/2105
- Relevante informatie
- Art. 17 WOZ
Inhoudsindicatie
Eiseres is eigenaar en gebruiker van vier woonzorgcentra. Eiseres wil enkel op het punt van de restwaarden afwijken van de Taxatiewijzer. De rechtbank is van oordeel dat eiseres dan de bewijslast draagt op dit onderdeel. In beroep heeft eiseres een rapport overgelegd van Phydias waarin aan de hand van gerealiseerde verkoopcijfers van een aantal referentieobjecten in Nederland de conclusie wordt getrokken dat de restwaarde van woonzorgcentra zich bevindt in de range van 0% tot 5%. De heffingsambtenaar heeft de herleiding die is uitgevoerd in het onderzoeksrapport op meerdere onderdelen betwist. Ook wordt in het rapport uitgegaan van meerdere aannames, waardoor de rechtbank een volgbare en inzichtelijke herleiding op individuele kenmerken mist. Eiseres is niet geslaagd in haar bewijslast.
Ten aanzien van een pand speelt nog de vraag of de heffingsambtenaar is uitgegaan van een te lage functionele correctie. Eiseres heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de door haar voorgestane correcties aanvullend zijn ten opzichte van de reeds toegepaste functionele correctie.
Partijen zijn het erover eens dat de heffingsambtenaar bij de uitspraak op bezwaar te weinig deskundigenvergoeding heeft berekend. Op dat punt zijn de beroepen gegrond. Ook is er recht op ISV.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 23/2804, 23/2805, 23/2806 en 23/2105
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: G. Gieben),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Súdwest-Fryslân
(S. Tiesma-Weima).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 december 2022 en (in de zaak met nummer 23/2105) 20 maart 2023.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaken op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) voor het jaar 2022 als volgt vastgesteld (de beschikking):
|
[adres 1] , [plaats] |
€ 6.078.000 |
|
[adres 2] , [plaats] |
€ 2.664.000 |
|
[adres 3] , [plaats] |
€ 13.794.000 |
|
[adres 4] , [plaats] |
€ 3.699.000 |
Tegelijk met deze waardevaststelling zijn aan eiseres ook de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Súdwest-Fryslân voor het jaar 2022 opgelegd (de aanslagen OZB).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres met betrekking tot de [adres 3] te [plaats] gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak verlaagd naar € 11.771.000 en in verband hiermee de aanslag OZB verminderd. De bezwaren met betrekking tot de andere onroerende zaken heeft de heffingsambtenaar ongegrond verklaard en de bij de beschikking vastgestelde WOZ-waarden heeft zij gehandhaafd. Ook de aanslagen OZB zijn gehandhaafd, behalve die ter zake van de [adres 1] : deze aanslag is in de uitspraak op bezwaar verlaagd.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Ook heeft de heffingsambtenaar op verzoek van de rechtbank voor de zitting nog ontbrekende stukken toegezonden (in de zaak met nummer 23/2105).
De rechtbank heeft de beroepen geregistreerd onder de volgende zaaknummers:
|
[adres 1] , [plaats] |
LEE 23/2804 |
|
[adres 2] , [plaats] |
LEE 23/2805 |
|
[adres 3] , [plaats] |
LEE 23/2806 |
|
[adres 4] , [plaats] |
LEE 23/2105 |
De rechtbank heeft de beroepen op 12 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: als vervangster van de gemachtigde van eiseres L. Driessen, bijgestaan door E.M.J. Brandsen, en de heffingsambtenaar, bijgestaan door [medewerker] en [taxateur] .