Home

Rechtbank Oost-Brabant, 12-10-2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5618, C/01/293823 / HA ZA 15-362

Rechtbank Oost-Brabant, 12-10-2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:5618, C/01/293823 / HA ZA 15-362

Inhoudsindicatie

x

Uitspraak

vonnis

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/293823 / HA ZA 15-362

Vonnis van 12 oktober 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

R. BONTRUP HOLDING B.V.

gevestigd te Landhorst, gemeente Sint Anthonis,

eiseres,

advocaat mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer,

tegen

SEBASTIAAN MAARTEN MARIA VAN DOOREN

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bowie Recycling B.V.

wonende te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. D.C.M.H. Vielvoye te Eindhoven.

in tussenkomst:

SEBASTIAAN MAARTEN MARIA VAN DOOREN

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid R. Bontrup Beheer B.V.

wonende te ’s-Hertogenbosch

eiser in tussenkomst,

advocaat mr. D.C.M.H. Vielvoye te Eindhoven.

Partijen zullen hierna R. Bontrup Holding B.V. en Van Dooren genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 6 april 2016

-

het proces-verbaal van comparitie van 14 juli 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

R. Bontrup Holding B.V., R. Bontrup Beheer B.V. en Bowie Recycling B.V. behoren gezamenlijk tot een groep van ondernemingen. R. Bontrup Holding B.V. is moedermaatschappij van R. Bontrup Beheer B.V, die op haar beurt de moedermaatschappij is van Bowie Recycling B.V. Zowel R. Bontrup Beheer B.V. als Bowie Recycling B.V. verkeren sinds 28 februari 2014 in staat van faillissement.

2.2.

Bowie Recycling B.V. werd gefinancierd door onder anderen ABN Amro Commercial Finance N.V. (hierna: ACF), rechtsopvolgster van Fortis Commercial Finance N.V. In verband daarmee heeft Bowie Recycling B.V. ten behoeve van ACF een eerste (stil) pandrecht gevestigd op al haar vorderingen op derden.

2.3.

Op 31 december 2010 zijn er tussen R. Bontrup Holding B.V. en onder anderen Bowie Recycling B.V. twee aktes met opschrift “Leningovereenkomst” ondertekend.

2.4.

De aktes met opschrift “Leningovereenkomst” bevatten allebei onder meer de volgende bepaling:

Zekerheden:

Tot meerdere zekerheid van de kredietfaciliteit wordt door Geldnemer ten behoeve van Geldgever een pandrecht gegeven op de navolgende activa:

Bedrijfsuitrusting met inbegrip van rollend materiële activa

voorraad grond- en hulpstoffen, onderhanden werk en gereed product;

handelsvorderingen en overige vorderingen op derden;

Geldgever is ermee bekend dat het eerste pandrecht op de vorderingen bij Fortis Commercial Finance N.V. berust.”

2.5.

Eveneens op 31 december 2010 is tussen onder anderen Bowie Recycling B.V. en R. Bontrup Beheer B.V. een akte ondertekend met het opschrift “Kredietovereenkomst”, met betrekking tot een kredietfaciliteit van maximaal € 2.500.000,00 met R. Bontrup Beheer B.V. als kredietverstrekker en Bowie Recycling B.V. als kredietnemer. In die akte is onder meer vermeld:

Zekerheden:

Tot meerdere zekerheid van de geldneming wordt door Kredietnemer ten behoeve van Kredietverstrekker een pandrecht in tweede verband gegeven op de navolgende activa:

Bedrijfsuitrusting met inbegrip van rollend materiële activa (hierna: bedrijfsuitrusting);

Voorraad grond- en hulpstoffen, onderhanden werk en gereed product (hierna voorraden);

Handelsvorderingen en overige vorderingen op derden alsmede intercompanyvorderingen op gelieerde groepsmaatschappijen (hierna: vorderingen);

Kredietverstrekker is ermee bekend dat het eerste pandrecht op de vorderingen bij de huisbankier berust.

Kredietverstrekkers is ermee bekend dat het eerste pandrecht op de bedrijfsuitrusting en voorraden en het tweede pandrecht op de vorderingen bij R. Bontrup Holding B.V. berust.

(...)”

2.6.

Eveneens op 31 december 2010 is er een akte ondertekend tussen onder anderen Bowie Recycling B.V. als pandgever en R. Bontrup Holding B.V. als pandnemer. Deze akte had als opschrift:

“Pandakte bedrijfsuitrusting, voorraden en (handels)vorderingen (in eerste respectievelijk tweede verband)”

en bevatte onder meer de volgende bepaling:

“4.12 De pandgever verklaart dat “de vorderingen” in eerste verband zijn verpand aan Fortis Commercial Finance N.V.”

2.7.

Voorts is er op 31 december 2010 een akte ondertekend tussen onder anderen Bowie Recycling B.V. als pandgever en R. Bontrup Beheer B.V. als pandnemer. Deze akte had als opschrift:

“Pandakte bedrijfsuitrusting, voorraden en (handels)vorderingen (in tweede respectievelijk derde verband)”

en bevatte onder meer de volgende bepalingen:

“4.12 De pandgever verklaart dat “de vorderingen” in eerste verband zijn verpand aan Fortis Commercial Finance N.V.

4.13

De pandgever verklaart dat “de vorderingen” in tweede verband zijn verpand aan R. Bontrup Holding B.V.”

2.8.

De beide aktes met opschrift “Leningovereenkomst”, de akte met opschrift “Kredietovereenkomst” en de beide aktes met opschrift “Pandakte (...)” zijn allen door de Belastingdienst geregistreerd op 28 januari 2011.

2.9.

Alle hiervoor genoemde aktes zijn namens alle betrokken vennootschappen ondertekend door de heren [A] en [B] .

2.10.

In of omstreeks januari 2014 heeft ACF haar pandrecht op de vorderingen van Bowie Recycling B.V. openbaar gemaakt. R. Bontrup Holding B.V. heeft, alvorens haar pandrecht in tweede rang openbaar te maken, overleg gevoerd met ACF. Zij hebben gesproken over het risico dat bij openbaarmaking van beide pandrechten voor de schuldenaren van Bowie Recycling B.V. onzekerheid zou kunnen ontstaan over de vraag aan wie zij bevrijdend konden betalen, waardoor de schuldenaren zich mogelijk op opschorting zouden kunnen beroepen. Om dat te voorkomen, hebben ACF en R. Bontrup Holding B.V. afspraken gemaakt, die in een brief van ACF aan R. Bontrup Holding B.V. van 24 januari 2014 als volgt zijn weergegeven:

“In verband hiermee kwamen wij het volgende overeen:

ACF N.V. neemt de inning van de aan haar in eerste rang verpande vorderingen van Bowie en Bontrup [Transport B.V.] ter hand.

Zodra ACF N.V. en ABN AMRO Bank N.V (uit hoofde van de Wederzijdse zekerhedenregeling) niets meer van Bowie en Bontrup te vorderen hebben houdt ACF N.V. een eventueel surplus saldo ter beschikking van tweede pandhouder R. Bontrup Holding B.V.

Uitbetaling van het surplus aan R. Bontrup Holding B.V. zal plaatsvinden nadat het tweede pandrecht door Bowie en Bontrup of hun eventuele curator is erkend.”

2.11.

ACF heeft de vorderingen van Bowie Recycling B.V. geïnd. De betalingen van de schuldenaren van Bowie Recycling B.V. zijn door ACF ontvangen op een door haar afzonderlijk voor dat doel gehanteerde bankrekening. Nadat ACF en ABN AMRO Bank N.V. zich uit de ontvangsten hadden voldaan, resteerde er een positief saldo van ongeveer € 1.818.000,00 (hierna: “het surplus”).

3 Het geschil

3.1.

R. Bontrup Holding B.V. maakt aanspraak op uitbetaling van het gehele surplus rechtstreeks aan haarzelf, omdat haar pandrecht op de vorderingen van Bowie Recycling B.V. het hoogst gerangschikte pandrecht is na dat van ACF. Als pandhouder kan zij zich op het surplus verhalen alsof er geen faillissement was, aldus R. Bontrup Holding B.V.

3.2.

R. Bontrup Holding B.V. vordert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in de hoofdzaak samengevat – een verklaring voor recht dat zij rechthebbende is ten aanzien van het gehele surplussaldo van ACF bij ABN AMRO Bank en veroordeling van Van Dooren tot medewerking aan betaling van het volledige surplus door ACF dan wel ABN AMRO Bank aan R. Bontrup Holding B.V., zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke dag dat Van Dooren na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis nalaat om daaraan mee te werken en met veroordeling van Van Dooren in de kosten van dit geding.

3.3.

Van Dooren heeft bezwaren geuit tegen uitbetaling van het surplus door ACF aan R. Bontrup Holding B.V.

3.4.

In zijn hoedanigheid van curator van Bowie Recycling B.V. stelt Van Dooren zich op het standpunt dat R. Bontrup Holding B.V. geacht moet worden haar “stil” gevestigde pandrecht op de vorderingen van Bowie Recycling B.V. op 1 maart 2014 openbaar gemaakt te hebben. Pas vanaf dat moment was R. Bontrup Holding B.V. volgens Van Dooren bevoegd om zich in haar hoedanigheid van pandhouder rechtstreeks op het surplus te verhalen. Voor het gedeelte van het surplus dat is ontstaan vóór 1 maart 2014 geldt dat R. Bontrup Holding B.V. aanspraak kan maken op betaling vanuit de boedel, waarbij aan haar weliswaar een voorrangspositie toekomt, maar zij ook dient bij te dragen in de kosten van het faillissement, conform de regel uit het arrest HR 17 februari 1995 (Mulder q.q./CLBN).

In de periode tussen het moment waarop zich voor het eerst een surplus begon op te bouwen en de datum van 1 maart 2014 was alleen Bowie Recycling B.V. zelf gerechtigd tot inning van de verpande vorderingen, stelt Van Dooren. In die periode was het pandrecht van ACF namelijk reeds teniet gegaan doordat de met het pandrecht verzekerde vordering van ACF en ABN AMRO Bank voldaan was, terwijl R. Bontrup Holding B.V. haar pandrecht nog niet openbaar gemaakt had. Als er geen enkele pandhouder is die zijn pandrecht openbaar gemaakt heeft, mag de pandgever zelf de verpande vorderingen innen, zo volgt uit het eerste lid van art. 3:246 BW. De betalingen die de schuldenaren van Bowie Recycling B.V. in de betreffende periode aan ACF hebben gedaan, hebben derhalve te gelden als betalingen aan Bowie Recycling B.V. zelf, althans: de curator van Bowie Recycling B.V. heeft een vordering op ACF tot afdracht van die betalingen verkregen. Doordat de schuldenaren van Bowie Recycling B.V. bevrijdend hebben betaald, is het pandrecht van R. Bontrup Holding B.V. tenietgegaan, zodat zij slechts een recht op voorrang heeft behouden, maar geen separatist meer is.

3.5.

R. Bontrup Holding B.V. stelt daar tegenover dat zij haar separatistenpositie ten aanzien van het gehele surplus behouden heeft. Doordat de vorderingen waarop haar pandrecht oorspronkelijk was gevestigd door de hoogst gerangschikte pandhouder (ACF) zijn geïnd, is op grond van artikel 3:246 lid 5 BW het pandrecht van R. Bontrup Holding B.V. op het surplus komen te rusten.

Van Dooren stelt dat van een vervangend pandrecht uit hoofde van artikel 3:246 lid 5 BW geen sprake kan zijn. Een dergelijk vervangend pandrecht ontstaat volgens Van Dooren alleen voor de pandhouder die zijn pandrecht openbaar heeft gemaakt. Artikel 3:246 lid 5 BW is bedoeld voor uitwinning van pandrechten op zaken en heeft geen, of slechts een zeer beperkte betekenis voor pandrechten op vorderingen op naam.

3.6.

Voor zover er geen vervangend pandrecht op grond van art. 3:246 lid 5 BW tot stand zou zijn gekomen, stelt R. Bontrup Holding B.V. zich op het subsidiaire standpunt dat het surplus op grond van art. 3:253 BW bij een bewaarder moet worden ondergebracht, totdat er voor alle belanghebbenden bij het surplus een gerechtelijke rangregeling is vastgesteld.

3.7.

Op de feitelijke stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, in het navolgende nader ingegaan.

Vordering in tussenkomst

3.8.

Van Dooren is ook curator van R. Bontrup Beheer B.V. en is in die hoedanigheid tussengekomen in deze procedure. In tussenkomst stelt Van Dooren zich op het standpunt dat R. Bontrup Beheer B.V. uit hoofde van de op 31 december 2010 ondertekende en op 28 januari 2011 geregistreerde akte met opschrift “Kredietovereenkomst” ook (net als R. Bontrup Holding B.V.) een pandrecht in tweede rang heeft verkregen op de vorderingen van Bowie Recycling B.V.

3.9.

Van Dooren legt daaraan ten grondslag dat de geregistreerde akte met opschrift “Kredietovereenkomst” te gelden heeft als een pandakte waarmee Bowie Recycling B.V. aan R. Bontrup Beheer B.V. een “pandrecht in tweede verband” heeft gegeven op haar bedrijfsuitrusting, voorraad en vorderingen, zulks tot meerdere zekerheid van de in die akte beschreven kredietfaciliteit van maximaal € 2.500.000,00. R. Bontrup Beheer B.V. heeft aldus twee verschillende pandrechten op de vorderingen van Bowie Recycling B.V. verkregen: ten eerste een pandrecht in derde rang dat is gevestigd voor alle vorderingen van R. Bontrup Beheer B.V. op Bowie Recycling B.V. en ten tweede een pandrecht in tweede rang dat specifiek is gevestigd ter verzekering van de kredietfaciliteit.

3.10.

Van Dooren vordert – samengevat - verklaring voor recht dat (1) het pandrecht van R. Bontrup Holding B.V. en het voor de kredietfaciliteit van maximaal € 2.500.000,00 gevestigde pandrecht van R. Bontrup Beheer B.V. gelijk zijn in rang en dat (2) uit dien hoofde R. Bontrup Beheer B.V. evenals R. Bontrup Holding B.V. recht heeft om met voorrang door de boedel van Bowie Recycling B.V. voldaan te worden uit het surplus dat tot 1 maart 2014 door ACF geïnd is en dat (3) R. Bontrup Beheer B.V. ook evenals R. Bontrup Holding B.V. rechtstreekse aanspraak heeft op het gedeelte van het surplus dat vanaf 1 maart 2014 door ACF is geïnd. Van Dooren vordert tevens veroordeling van R. Bontrup Holding B.V. in de proceskosten in tussenkomst en bevel tot vergoeding van de nakosten.

3.11.

R. Bontrup Holding B.V. betwist dat de akte met opschrift “Kredietovereenkomst” de strekking had om ten gunste van R. Bontrup Beheer B.V. ook een pandrecht in tweede rang te vestigen naast het pandrecht in derde rang dat strekt tot zekerheid van al haar vorderingen op Bowie Recycling B.V. Volgens R. Bontrup Holding B.V. is de betreffende akte slechts een overeenkomst waarin Bowie Recycling B.V. zich verplicht heeft tot het vestigen van een pandrecht, en vormt deze niet tevens een pandakte waarmee het daadwerkelijk gevestigd is. Voor zover de tekst vermeldt dat er door Bowie Recycling B.V. op haar vorderingen een pandrecht “in tweede verband” aan R. Bontrup Beheer B.V. wordt gegeven, is dat een kennelijke verschrijving. De bedoeling was om aan R. Bontrup Beheer B.V. tot zekerheid van al haar vorderingen (de vordering uit hoofde van de “Kredietovereenkomst” van maximaal € 2.500.000,00 daaronder begrepen) een pandrecht in tweede verband te geven op de bedrijfsuitrusting en de voorraad en een pandrecht in derde verband op de vorderingen. Dat is ook gebeurd, door middel van de akte met opschrift: “Pandakte bedrijfsuitrusting, voorraden en (handels)vorderingen (in tweede respectievelijk derde verband)”. De akte met opschrift “Kredietovereenkomst” is, net als de aktes met opschrift “Leningovereenkomst” van dezelfde datum, slechts ten overvloede geregistreerd.

3.12.

In de tussenkomst heeft R. Bontrup Holding B.V. een eis in reconventie ingesteld. Zij vordert verklaring voor recht dat de pandrechten van R. Bontrup Holding B.V. op de vorderingen van Bowie Recycling B.V. en Bowie Transport B.V. die geïnd zijn door ACF in rangorde vóór ieder pandrecht van R. Bontrup Beheer B.V. komen en dat het gehele surplus door ACF dient te worden uitbetaald aan R. Bontrup Holding B.V. Zij vordert tevens veroordeling van R. Bontrup Beheer B.V. in de proceskosten van de tussenkomst, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis en met bevel tot vergoeding van de nakosten. Zij legt hieraan dezelfde standpunten ten grondslag als in de hoofdzaak.

3.13.

bij wege van conclusie van antwoord in reconventie in de tussenkomst heeft Van Dooren geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde en om een eventuele toewijzing, kort gezegd, niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, dan wel R. Bontrup Holding B.V. zekerheid te laten stellen.

3.14.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing