Rechtbank Oost-Brabant, 27-08-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:4818, rekestnummer 21.384
Rechtbank Oost-Brabant, 27-08-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:4818, rekestnummer 21.384
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Oost-Brabant
- Datum uitspraak
- 27 augustus 2021
- Datum publicatie
- 9 september 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBOBR:2021:4818
- Zaaknummer
- rekestnummer 21.384
Inhoudsindicatie
Verzoek in het kader van de WHOA tot homologatie ex artikel 383 Faillissementswet afgewezen.
Uitspraak
vonnis
Team Toezicht – Insolventies – meervoudige kamer
rekestnummer: [rekestnummer]
uitspraakdatum: 27 augustus 2021
Vonnis op het verzoek tot homologatie ex artikel 383 Faillissementswet (Fw) van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats] ,
verzoekster,
advocaat: mr. M.C.M. van Ruitenbeek-Kossen te Haarlem,
hierna te noemen: [verzoekster] .
1 De procedure
Het verloop van de procedure volgt uit:
- de startverklaring van 5 juli 2021,
- het stemverslag van 9 augustus 2021,
- het verzoekschrift tot homologatie van 9 augustus 2021,
- de brief van schuldeiser [A BV] van 13 augustus 2021,
- het bericht van [verzoekster] van 16 augustus 2021, met één aanvullende productie,
- de brief van schuldeiser [A BV] van 19 augustus 2021.
Het verzoek is op 20 augustus 2021 middels een videoverbinding behandeld. Ter zitting zijn gehoord:
Mr. M.C.M. van Ruitenbeek-Kossen namens [verzoekster] ;
De heer [persoon X] ;
[persoon Y] .
2 De feiten
[verzoekster] heeft zich onder andere bezig gehouden met de productie van [naam product] . [verzoekster] heeft zich daarbij gericht op de Nederlandse markt binnen de [naam sector] en andere [naam services] .
De bestuurder en enig aandeelhouder van [verzoekster] is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B BV] (“ [B BV] ”). [B BV] wordt bestuurd door de heer [persoon X] . De aandelen in het kapitaal van [B BV] worden gehouden door de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [C BV] (“ [C BV] ”) en [D BV] De heer [persoon X] is bestuurder van [C BV] .
Op 15 februari 2021 zijn alle activiteiten en een groot deel van de werknemers van [verzoekster] overgenomen door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [E BV] (hierna te noemen: “ [E BV] ”).
Op 25 februari 2021 heeft [verzoekster] haar schuldeisers aangeschreven om de exacte omvang van hun vorderingen te inventariseren. Op 29 maart 2021 heeft [verzoekster] aan haar schuldeisers een minnelijke regeling aangeboden. Niet alle schuldeisers hebben met dit aanbod ingestemd.
Na het deponeren van de startverklaring heeft [verzoekster] op 22 juli 2021 een aanbod aan haar schuldeisers gedaan in het kader van de WHOA. Door een fout bij het frankeren van de brieven aan de schuldeisers, heeft het aanbod een deel van hen niet bereikt. [verzoekster] heeft vervolgens de eerder aangeschreven schuldeisers, met uitzondering van de schuldeisers die al een stem hadden uitgebracht, opnieuw een aanbod gedaan op 27 juli 2021. De inhoud van het akkoord wordt hierna -verkort- weergegeven.
Het akkoord luidt:
“Na inventarisatie van de schuldenlast is op 29 maart 2021 aan de aangeschreven crediteuren, waaronder u, een crediteurenakkoord aangeboden. In voornoemde akkoord is aan u als concurrente crediteur een aanbod gedaan van 17,59%, tegen finale kwijting van de restantvordering. De preferente schuldeiser - in kwestie; de Belastingdienst - heeft een aanbod ontvangen van 35,18%, tegen finale kwijting van de restantvordering.
[...]
Achtergrond
Zoals wellicht bij u bekend is cliënte door de gevolgen van Covid-19 zwaar getroffen. De [specifieke coronamaatregelen] hebben er bij cliënte zwaar ingehakt. Hierdoor liepen de omzetten dermate terug waardoor de financier (en pandhouder) van de onderneming heeft moeten constateren dat aan de verplichtingen uit hoofde van die financiering niet meer kon worden voldaan.
Er is hard gezocht naar mogelijke oplossingen voor de ontstane situatie, maar de passende oplossing kon in dat verband niet worden gevonden. Dit heeft de financier van de onderneming moeten doen besluiten zijn pandrechten uit te winnen. Aangezien ook de financier het betreurde dat de onderneming niet als zodanig kon voortbestaan is -in plaats van een veilingverkoop- gekozen voor een onderhandse (executie)verkoop van de activa aan een derde partij, te weten [E BV] B.V. in dat kader verwijs ik u tevens naar het door [E BV] B.V. uitgebrachte persbericht (Bijlage 1). Via deze wijze van verkoop hebben zoveel mogelijk van de personeelsleden een baan kunnen krijgen bij [E BV] BV. Daarnaast diende deze route ook een ander doel, te weten: het op een voor alle betrokken schuldeisers zo goed mogelijke wijze afwikkelen van de onderneming. Dit akkoord is dan ook een liquidatieakkoord, hetgeen betekent dat de onderneming na de uitvoering van dit akkoord niet meer zal worden voortgezet en het akkoord dient ter afwikkeling en verdeling van het aanwezige vermogen.
Als onderdeel van de onderhandse (executie)verkoop van de onderneming heeft de financier/pandhouder zich bereid verklaard om mee te werken aan de aanbieding c.q. financiering van een akkoord voor de crediteuren. De activa van cliënte zijn immers aan de financier verpand en derhalve kan de financier zich - zonder medewerking van cliënte - met uitsluiting van de overige crediteuren op de activa van cliënte verhalen. Zonder een aanvullende afspraak met de financier/pandhouder over de verdere afwikkeling van de onderneming, was uitsluitend de weg van een faillissement ter sprake gekomen, waarin de (concurrente) crediteuren geen enkele vergoeding zullen ontvangen van hun vordering, Iets wat cliënte graag wil voorkomen.
Derhalve heeft de financier zich bereid verklaard om een akkoord aan de crediteuren mogelijk te maken door 1) zijn pandrecht op de aanwezige debiteurenportefeuille vooralsnog niet uit te winnen zodat de aanwezige debiteuren kunnen worden aangewend voor de financiering van het akkoord en 2) een bedrag van € 100.000,-- ter beschikking te stellen om aan te wenden ter financiering van dit akkoord. Daarbij merk ik namens cliënte uitdrukkelijk op dat deze financiering niet wordt toegevoegd aan de schuldenlast van cliënte, althans dat deze financiering niet tot een verlaging van het actief ten gunste van de andere crediteuren zal leiden. De financier/pandhouder van de onderneming, die — mede uit hoofde van deze aanvullende financiering — een vordering heeft op cliënte van ruim € 26 miljoen, is tot slot bereid zijn vordering zonder betaling kwijt te schelden, althans geen betaling te ontvangen voor deze vordering. Deze voorwaarden gelden echter uitsluitend als er sprake is van een succesvol en gehomologeerd akkoord.
Financiële positie
Uit het voorgaande volgt dat de onderneming geen toekomst meer heeft. De activiteiten zijn immers door de financier/pandhouder verkocht op grond van het pandrecht. Zonder de medewerking van de financier/pandhouder is er voorts geen (andere) actief meer beschikbaar ter verdeling onder de (concurrente) crediteuren. Immers, dan wordt de debiteurenportefeuille geïnd op grond van het pandrecht en zal de aangeboden financiering van € 100.000,-- komen te vervallen. Op de verdere inhoud van het akkoord en de consequenties hiervan zal onder hoofdstuk 4 nader worden ingegaan. Ter onderbouwing van de financiële positie van de onderneming van cliënte overlegt cliënte in Bijlage 2 een overzicht van alle baten en lasten (ex artikel 375 lid 2 sub a en c Fw) door middel van overlegging van 1) de (concept) jaarrekening 2020, alsmede de voorlopige/tussentijdse cijfers per juni 2021. Uit deze cijfers volgt dat de onderneming — buiten de debiteurenportefeuille — geen vermogen bevat én dat dit het gevolg is van o.a. de grote verliezen in 2020. Gelet op de insteek van het akkoord, namelijk de verdeling van het aanwezige c.q. door de aandeelhouder ter beschikking gestelde vermogen kunnen geen prognoses worden overgelegd. Er is immers geen onderneming die zal worden voortgezet en om die reden resultaten zal genereren.
Derhalve geldt dat het nog in de onderneming aanwezige actief kan worden gefixeerd op 1) de aanwezige debiteurenportefeuille (thans vast te stellen op € 281.746,74 en 2) het uitsluitend in het kader van het akkoord door de financier/pandhouder aangeboden bedrag van € 100.000,--.
Klasse 1 betreft aldus de klasse voor de preferente crediteuren, die op grond van de wet een hogere rang kennen. Omdat reeds in het eerste voorstel aan de Belastingdienst - conform de leidraad Invordering - een dubbel percentage is voorgesteld is deze crediteur in een separate klasse ingedeeld. Voor klasse II geldt dat deze klasse aldus voortvloeit uit de met de financier overeengekomen regeling dat — slechts onder de voorwaarde dat het WHOA akkoord slaagt — hij geen betaling voor deze openstaande vordering zal ontvangen. Het percentage dat aan deze crediteur wordt voorgelegd is derhalve 0% en om die reden als separate klasse opgenomen. Voorts geldt dat conform artikel 374 lid 2 Fw er bij de concurrente crediteuren een onderscheid is gemaakt tussen de MKB-crediteuren en de overige concurrente crediteuren. Zowel klasse III als IV krijgt wel hetzelfde voorstel aangeboden. Op de zwaarwegende grond om aan de MKB crediteuren minder dan 20% aan te bieden zal later in dit akkoord worden ingegaan.
Uit hoofdstuk 2 volgt dat er thans een bedrag aan actief beschikbaar is van € 381.746,74. [...] Er is geen sprake van te genereren waarde en/of opbrengst bij de totstandkoming van dit akkoord (in de zin van artikel 375 lid 1 sub e, f en g Fw). Er is louter sprake van de verdeling van het aanwezige actief ten gunste van de crediteuren. Bij het niet tot stand komen van dit akkoord zal een faillissement naar alle waarschijnlijkheid onvermijdelijk zijn, waarbij reeds vast staat dat er sowieso geen enkele uitkering aan de concurrente crediteuren zal plaatsvinden. Er is dan immers geen actief resterend en -voor zover er enig actief zal worden gegenereerd in faillissement- dan zal dat aan het salaris curator en vervolgens de Belastingdienst worden uitgekeerd. Conform artikel 374 lid 2 jo. artikel 375 lid 2 sub f Fw moet er voor de concurrente crediteuren die worden aangemerkt als MKB-crediteuren sprake zijn van een zwaarwegende grond om hen een lager percentage dan 20% van hun vordering aan te bieden. Van een dergelijke zwaarwegende grond is hier thans sprake. Gelet op het voorgaande staat immers vast dat er -bij het mislukken van het WHOA-akkoord- naar verwachting geen enkele uitkering aan de concurrente crediteuren zal volgen. Beter gezegd, als concurrente crediteur heeft u thans nog de mogelijkheid enige betaling te ontvangen, die bij een faillissement niet zal worden ontvangen. Hierin ligt naar de mening van cliënte de zwaarwegende grond voor afwijking van deze regel en deze toelichting geldt als een schriftelijke verklaring in de zin van artikel 375 lid 2 sub f Fw.
[...]
Ondanks dat u in onderhavige brief veel informatie heeft ontvangen is het mogelijk dat er nog aanvullende vragen spelen. Indien dat het geval is, dan kunt u zich met deze vragen richten tot ondergetekende. Ik zal deze vragen dan mede namens cliënte -voor zover mogelijk- beantwoorden.
[...]”
Bij het akkoord zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- bijlage 1: persbericht [E BV] BV.;
- bijlage 2: een overzicht van baten en lasten en financiële informatie van cliënte;
- bijlage 3: een overzicht alle stemgerechtigde schuldeisers inclusief de hoogte van hun vordering, alsmede de klassenindeling.
Bijlage 2 bestaat uit een conceptjaarrekening 2020 en een balans per juni 2021. Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat de jaarrekening werd vastgesteld door de aandeelhouders.
Uit de conceptjaarrekening 2020 blijkt dat [verzoekster] werd gefinancierd door middel van leningen van [B BV] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [F BV] (hierna: “ [F BV] ”). [B BV] heeft een lening verstrekt ten bedrage van ongeveer € 24,8 miljoen. [F BV] heeft een lening verstrekt ten bedrage van € 319.000. [verzoekster] heeft ter zitting verklaard dat de lening van [F BV] is gebruikt voor de financiering van een nieuwe productielijn. Deze productielijn is eigendom van [B BV] . In de jaarrekening wordt vermeld dat de vordering van [F BV] , met de daaraan verbonden zekerheidsrechten, op 8 september 2020 middels een cessie is overgedragen aan [C BV] .
Uit de jaarrekening 2020 volgt dat [verzoekster] een totaal actief heeft van € 1,3 miljoen, waaronder vorderingen op handelsdebiteuren ten bedrage van € 525.099. Uit de balans per juni 2021 volgt dat het actief van [verzoekster] in het eerst halfjaar van 2021 met ruim € 1 miljoen is afgenomen. De cijfers zijn hierna verkort weergegeven.
|
Activa (x € 1.000) |
juni 2021 |
2020 |
Passiva (x € 1.000) |
juni 2021 |
2020 |
|
Vaste Activa |
0 |
0 |
Eigen vermogen |
-26.100. |
-26.054 |
|
Voorraden |
0 |
641 |
Langlopende schulden |
24.656 |
323 |
|
Vorderingen |
299 |
668 |
Kortlopende schulden |
1.746 |
27.076 |
|
Liquide middelen |
4 |
36 |
|||
|
Totaal |
303 |
1.345 |
303 |
1.345 |
De stemming over het akkoord heeft plaatsgevonden tussen 22 juli 2021 en 30 juli 2021, en tussen 27 juli 2021 en 4 augustus 2021. De uitkomst van de stemming is vastgelegd in een stemverslag. Hieronder is per klasse weergegeven voor welk bedrag schuldeisers voor of tegen het akkoord hebben gestemd, hun aantallen en de stemmen voor het akkoord als percentage van het totale bedrag aan vorderingen van schuldeisers die hun stem hebben uitgebracht.
|
Totale schuldenlast (aantal schuldeisers) |
Stemmen voor (aantal schuldeisers) |
Stemmen tegen (aantal schuldeisers) |
||
|
Klasse I (preferent) |
€ 658.036,00 (1) |
€ 658.036,00 (1) |
€ 0 (0) |
100% |
|
Klasse II (financier) |
€ 25.156.110,00 (1) |
€ 25.156.110,00 (1) |
€ 0 (0) |
100% |
|
Klasse III (concurrent) |
€ 607.827,16 (32) |
€ 164.205,31 (7) |
€ 57.741,62 (2) |
74% |
|
Klasse IV (MKB schuldeisers) |
€ 263.148,79 (26) |
€ 144.175,73 (10) |
€ 33.499,80 (1) |
81% |
Één schuldeiser, [A BV] , heeft op 19 augustus 2021 aangegeven alsnog met het akkoord in te stemmen.
3 De beoordeling
Het onderhavige verzoek is gericht op homologatie van een onderhands akkoord. [verzoekster] heeft de keuze gemaakt voor een besloten akkoordprocedure.
[verzoekster] is gevestigd te [plaats] . Gezien het bepaalde in
artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om dit verzoek in behandeling te nemen.
Op grond van artikel 384 lid 1 Fw wordt een verzoek tot homologatie toegewezen, tenzij zich één of meer van de afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid 2 tot en met 5 Fw voordoen. De afwijzingsgronden kunnen worden onderverdeeld in de algemene (artikel 384 lid 2 Fw) en aanvullende afwijzingsgronden (artikel 384 lid 3 tot en met 5 Fw).
De algemene afwijzingsgronden voor de homologatie van een akkoord zien op de vraag of de schuldenaar verkeert in de toestand als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw en of het besluitvormingsproces zuiver is geweest. In dat kader is onder meer van belang of:
(i) alle schuldeisers en aandeelhouders op wie het akkoord betrekking heeft naar behoren in kennis zijn gesteld van het akkoord, de gelegenheid hebben gehad hierover hun stem uit te brengen en op de hoogte zijn gebracht van de datum waarop de behandeling van het homologatieverzoek zou plaatsvinden (artikel 384 lid 2 sub b Fw; zie hierna onder 4),
(ii) de informatie die in het akkoord en de bijlagen is opgenomen toereikend is (artikel 384 lid 2 sub c Fw; zie hierna onder 5), en
(iii) de nakoming van het akkoord voldoende is gewaarborgd (artikel 384 lid 2 sub e Fw; zie hierna onder 6).
Indien er door een (tegenstemmende) schuldeiser of aandeelhouder tegen de homologatie bezwaar is gemaakt, kan er vervolgens een verdere toets van het akkoord plaats op grond van de aanvullende afwijzingsgronden. Er is geen beroep op een aanvullende afwijzingsgrond gedaan, zodat de rechtbank zich zal beperken tot het toetsen van de algemene afwijzingsgronden.
De brief van [A BV] , waarin zij alsnog akkoord gaat, brengt geen wijziging in de stemuitslag, omdat na sluiting van de stemming uitgebrachte stemmen niet worden meegenomen bij beoordeling van het verzoek tot homologatie (vgl. Rb. Gelderland 10 maart 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:1128, r.ov. 3.7). [verzoekster] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [C BV] tijdig haar stem heeft uitgebracht. Dit geldt voor de in Klasse IV door [C BV] uitgebrachte stem. [C BV] had in deze klasse een vordering ingediend uit hoofde van onbetaald gelaten managementvergoeding. Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat [C BV] als direct betrokken partij op de hoogte is geweest van het aanbod van 22 juli 2021. [C BV] heeft op 2 augustus 2021 gestemd. dus ná sluiting van de eerste stemtermijn. Zonder de stem van [C BV] was het akkoord in deze klasse niet aangenomen. Voor de verdere beoordeling zal de rechtbank er vanuit gaan dat de stem van [C BV] tijdig werd ontvangen, zodat het akkoord in alle klassen werd aangenomen.