Rechtbank Overijssel, 24-09-2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:2642, 599578 CV EXPL 12-734
Rechtbank Overijssel, 24-09-2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:2642, 599578 CV EXPL 12-734
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 24 september 2013
- Datum publicatie
- 1 november 2013
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2013:2642
- Zaaknummer
- 599578 CV EXPL 12-734
Inhoudsindicatie
Aandelenlease. Stuit de dagvaarding in een collectieve actiezaak ex art. 3:305a BW op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW de lopende verjaring van alle personen die belang kunnen hebben bij de uitkomst van die collectie actie? Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Locatie Deventer
Zaaknr. : 599578 CV EXPL 12-734
Datum : 24 september 2013
Vonnis in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
verder te noemen Dexia,
gemachtigde EDR Incasso,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
verder te noemen [gedaagde],
gemachtigde mr. J.M. Both.
Procedure
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken en uit die stukken blijkt het procesverloop:
- -
-
dagvaarding van 8 maart 2012
- -
-
conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie
- -
-
conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie
- -
-
conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie
- -
-
conclusie van dupliek in reconventie
- -
-
pleitnota’s van beide partijen.
Geschil
In conventie
Dexia vordert, kort gezegd, betaling van in totaal € 3.850,08 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2006, betaling van € 714,00 incassokosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2012, en de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[gedaagde] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Dexia, althans afwijzing van haar vordering met veroordeling van Dexia in de proceskosten.
In reconventie
[gedaagde] vordert, kort samengevat:
a.
de verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd en de veroordeling van Dexia tot terugbetaling van hetgeen [gedaagde] aan Dexia heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dagen waarop de betalingen hebben plaatsgevonden;
b.
Dexia te veroordelen aan [gedaagde] te betalen de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten, forfaitair vast te stellen op twee punten van het toepasselijke liquidatietarief in eerste aanleg met een maximum van 15% van de hoofdsom, te vermeerderen met BTW;
c.
Dexia te veroordelen aan de Stichting BKR mee te delen dat [gedaagde] aan de overeengekomen verplichtingen heeft voldaan en dat de A-codering kan worden geschrapt;
d.
Dexia te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten.
1 Vaststaande feiten
In de periode oktober 1994 tot en met december 2000 heeft [gedaagde] een vijftal effectenleaseovereenkomst gesloten. Deze overeenkomsten houden kort gezegd in, dat met geld geleend door de rechtsvoorganger van Dexia, Bank Labouchere N.V., effecten zijn gekocht.
Drie van de vijf overeenkomsten zijn met een batig saldo geëindigd:
op 14 december 2000 € 14.389,39
op 27 juni 2001 € 7.656,16
op 3 december 2004 € 8.609,74.
De in het geding zijnde (laatste) overeenkomst, genummerd 76087641 en genaamd WinstVer10Dubbelaar, is op of omstreeks 18 december 2000 gesloten. Omdat [gedaagde] de overeengekomen termijnen niet heeft voldaan zijn de effecten op 21 juni 2006 verkocht en is de verkoopopbrengst in mindering gebracht op de schuld uit hoofde van de geldlening. De restschuld bedraagt blijkens de aan [gedaagde] toegezonden eindafrekening € 3.850,08.
Bij brief van 6 december 2005 heeft de echtgenote van [gedaagde] aan Dexia het volgende bericht:
Betreft: Contracten 76087641, 38000606 ten name van J [gedaagde]
Geachte dames en heren,
Mij is onlangs gebleken dat door mijn echtgenoot bovengenoemde contracten bij u zijn afgesloten.
Ik heb daarvoor geen toestemming verleend en ik vernietig hierbij de contracten op grond van de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 BW.
De door het hof Amsterdam verbindend verklaarde Duisenbergregeling is niet van toepassing, omdat [gedaagde] tijdig een zogeheten opt-outverklaring heeft afgelegd.
Op 13 maart 2003 zijn op verzoek van de stichting Stichting Eegalease (hierna: Eegalease) en de vereniging Consumentenbond (hierna: Consumentenbond) dagvaardingen uitgebracht, hierna het Eegaleaseproces genoemd.
Uit het vonnis in dit proces van de kantonrechter Amsterdam d.d. 25 augustus 2004, LJN AQ7412, blijkt dat door deze eiseressen op de voet van artikel 3:305a BW - voor zover hier van belang - de volgende vorderingen tegen (de rechtsvoorgangster van) Dexia zijn ingesteld:
1. voor recht te verklaren dat:(a) de effectenlease-overeenkomsten, genoemd in dit onderdeel van de dagvaarding onder 89 verschillende benamingen, die met Dexia zijn gesloten, zijn te kwalificeren als overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van artikel 1:88 lid 1 sub d BW en(b) op deze effectenlease-overeenkomsten die met Dexia zijn gesloten, van toepassing is het bepaalde in de artikelen 1:88 en 1:89 BW;
2. voor recht te verklaren dat alle onder 1. genoemde effectenlease-overeenkomsten, die met Dexia en/of haar rechtsvoorgangers zijn gesloten in de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder dat beide echtgenoten en/of geregistreerde partners de effectenleaseovereenkomst hebben ondertekend, dan wel hebben toegestemd in de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, vernietigd zijn althans vernietigbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 1:89 BW.
Uit het dictum van dit vonnis blijkt dat van deze vorderingen het volgende is toegewezen:
I. verklaart voor recht dat:(a) de effectenleaseovereenkomsten, genoemd in dit onderdeel van de dagvaarding onder 89 verschillende benamingen die met Dexia zijn gesloten, worden gekwalificeerd als overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van artikel 1:88 lid 1 sub d BW en dat(b) op deze effectenlease-overeenkomsten die met Dexia zijn gesloten, van toepassing is het bepaalde in de artikelen 1:88 en 1:89 BW.
Het sub 2 gevorderde is dus afgewezen.
2 Standpunt Dexia
Dexia vordert betaling van de resterende schuld die uit de beëindigde overeenkomst voortvloeit.
De echtgenote van [gedaagde] was ten tijde van het afsluiten van de onderhavige overeenkomst, in december 2000, met die overeenkomst bekend, zodat op 6 december 2005 de verjaringstermijn van drie jaren was verlopen. De verjaring is niet tussentijds gestuit.
3 Standpunt [gedaagde]
De echtgenote was pas in augustus 2004 bekend met de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Zij dacht dat [gedaagde] spaarde voor de kleinkinderen en wist niet dat het om koop op afbetaling ging.
De verjaringstermijn is gestuit op de 13 maart 2003 toen de dagvaardingen in de Eegaleaseprocedure zijn betekend. Ook is die termijn gestuit door de indiening op 18 november 2005 van het verzoekschrift door Eegalease, Consumentenbond en de Stichting Leaseverlies strekkende tot verbindendverklaring van de Duisenbergregeling. Door deze proceshandelingen is voor alle partners van eega’s die effectenleaseovereenkomsten hebben afgesloten de verjaringstermijn van artikel 3:52 aanhef en onder d BW gestuit.
Dexia dient incassokosten van [gedaagde] te vergoeden.
Dexia dient aan de Stichting BKR mee te delen dat [gedaagde] aan de overeengekomen verplichtingen heeft voldaan.