Rechtbank Overijssel, 17-05-2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1655, 08-994508-19 (P)
Rechtbank Overijssel, 17-05-2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1655, 08-994508-19 (P)
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 17 mei 2019
- Datum publicatie
- 17 mei 2019
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2019:1655
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:6842, Overig
- Zaaknummer
- 08-994508-19 (P)
Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 65-jarige veehouder uit Wanneperveen tot een taakstraf van 180 uur, waarvan 90 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor het verwaarlozen van zijn runderen. Daarnaast mag hij tijdens zijn proeftijd bedrijfsmatig geen dieren houden en hobbymatig niet meer dan 5 dieren houden. De rechtbank legt de man tevens een voorwaardelijke geldboete op van 350 euro, met een proeftijd van 2 jaar.
Uitspraak
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer 08-994508-19 (P)
Datum vonnis: 17 mei 2019
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1953 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 3 mei 2019.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.V. van Overbeeke en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. H.J. Voors, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: op 13 en 25 februari 2019 zijn runderen de nodige verzorging heeft onthouden door er onder meer niet voor te zorgen dat de runderen een toereikende behuizing hadden onder voldoende hygiënische omstandigheden;
feit 2: op 13 februari 2019 niet heeft gezorgd voor voldoende drinkwater van passende kwaliteit voor zijn runderen;
feit 3: op 13 februari 2019 zijn runderen heeft gehouden in een stal waar scherpe en puntige delen aanwezig zijn;
feit 4: op 13 en 25 februari 2019 zijn runderen buiten heeft gehouden, terwijl er scherpe en losliggende delen buiten lagen waar die dieren bij konden;
feit 5: niet binnen 48 uur heeft gemeld dat er een kadaver van een kalf op zijn erf was.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij op of omstreeks 13 februari 2019 en/of 25 februari 2019, te Wanneperveen,
gemeente Steenwijkerland,
als houder van respectievelijk 89 en 12, althans (telkens) een aantal
rund(eren), (telkens) al dan niet opzettelijk, er geen zorg voor heeft
gedragen dat (een deel van) deze runder(en),
-over een toereikende behuizing beschikte(n) onder voldoende hygiënische omstandigheden,
en/of
-niet een voor die runderen toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en
de leeftijd geschikt voer kregen toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van die runderen,
aangezien
(een deel van) die runderen niet de beschikking had(den) over een voldoende
schone, droge en/of hygiënische ligplaats en/of huisvesting,
immers
1
waren op of omstreeks 13 februari 2019:
A. in de oud Hollandse stal alle hokken met roostervloer en de strohokken
sterk bevuild met natte en opgedroogde mest, in en rondom de hokken was
veel opgedroogde mest aanwezig,
en/of
B. in de ligboxenstal alle hokken met ligboxen en roostervloer bevuild met
natte en/of opgedroogde mest en/of waren de ligplaatsen bevuild met natte
mest,
en/of
C. in de oud Hollandse stal en/of de ligboxenstal en/of voor de voerkuilen
de voerplaatsen sterk bevuild met oude voerresten en/of mest en/of
waren er oude beschimmelde voerresten aanwezig en/of liepen in de oud
Hollandse stal runderen los op de voergang;
en
2
waren/was op of omstreeks 25 februari 2019,
A. achterin de oud Hollandse stal de ligplaatsen van 12 runderen, bevuild met
veel mest
en/of
B. op de voergangen en op de voerplaatsen direct voor het voerhek van de lig- boxenstal en de oud Hollandse stal, mest aanwezig, er was verse mest op de voerplaatsen aanwezig, de 4 runderen die buiten op het erf liepen, hadden
direct toegang tot de voornoemde voergangen,
een koe met kalf dat vastgebonden voorin de ligboxenstal werd gehuisvest,
op de voergang deponeerde mest en urineerde op de voergang en op de
plaatsen waar deze koe zelf moest vreten;
zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van
een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet
dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;
2.
hij op of omstreeks 13 februari 2019 te Wanneperveen, gemeente
Steenwijkerland, als houder van -in totaal- 56-, althans een aantal runderen,
al dan niet opzettelijk, er geen zorg voor heeft gedragen dat deze 56 (althans
een deel van deze) rund(eren) toegang had(den) tot een toereikende hoeveelheid
water van passende kwaliteit of op een andere wijze aan hun behoefte aan water
konden voldoen, aangezien
A. de waterbakjes in de oud Hollandse stal niet werkten, bij het indrukken
van de klepels was er geen watertoevoer en/of hadden de runderen die buiten
liepen alleen toegang tot vuil water, aanwezig op het erf en in de sloten
rondom het bedrijf;
en/of
B. de bakken aanwezig in de ligboxenstal, voorzien van iets water maar de
watertoevoer was afgesloten, het aanwezige water was onvoldoende voor de aanwezige dieren;
zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van
een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet
deren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;
3.
hij op of omstreeks 13 februari 2019, te Wanneperveen, gemeente
Steenwijkerland, (telkens) al dan niet opzettelijk 42, althans een aantal
runderen heeft gehouden in een behuizing, met name de oud Hollandse stal
terwijl die behuizing, waaronder begrepen de vloer, scherpe randen en/of
uitsteeksels bevatte waaraan die runderen zich konden verwonden, immers
-waren roostervloeren zeer ongelijk (er was een hoogteverschil van enkele
centimeters tussen 2 naast elkaar gelegen roosterbalken)
en/of
-stonden een aantal tussenhekken schuin waardoor de runderen met de poten tussen de hekken konden komen (en zich daardoor konden bezeren en/of verwonden)
en/of
-zat bij het rund op de grup een groot gat in de roostervloer;
zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van
een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet
dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;
4.
hij op of omstreeks 13 februari 2019 en/of 25 februari 2019 te Wanneperveen,
gemeente Steenwijkerland, als houder van respectievelijk 12, althans een
aantal runderen en 4, althans een aantal runderen, (telkens) al dan niet
opzettelijk, die runderen, die niet in een gebouw werden gehouden en die los
liepen op het erf en/of rondom de kuilvoerbulten en/of de omliggende percelen
grasland, geen bescherming heeft geboden tegen gezondheidsrisico's,
aangezien (telkens) op het erf en de percelen grasland losliggende materialen,
zoals werktuigen, hekken, stenen, een stoel en/of losse draden, lagen/stonden
waaraan de dieren zich konden bezeren en/of verwonden;
zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van
een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet
dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden;
5.
hij te Wanneperveen, gemeente Steenwijkerland, als houder van een aangewezen
dierlijk bijproduct, te weten het kadaver van een kalf, niet zo spoedig
mogelijk, doch uiterlijk op de eerste werkdag, volgend op de dag waarop dat
bijproduct was ontstaan, aangifte heeft gedaan bij de ondernemer, als bedoeld
in artikel 3.1 van de Regeling dierlijke producten, immers was op 13 februari 2019 van voornoemd kadaver, afkomstig van een kalf
dat op die dag reeds meer dan 48 uur dood was, (nog) geen melding gedaan; zulks terwijl voornoemde overtreding(en) plaatsvond(en) in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden.
3 De voorvragen
Geldigheid van de dagvaarding
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding voor wat betreft de feiten 1 tot en met 4 nietig dient te worden verklaard, omdat de tenlastelegging onvoldoende concreet en duidelijk is. Telkens wordt gesproken over verschillende aantallen runderen, maar nergens worden de dieren nader gespecificeerd door middel van oornummers. Hierdoor wordt uit de tekst van de tenlastelegging onvoldoende duidelijk op welke runderen precies wordt gedoeld.
De raadsman heeft eveneens gesteld dat de dagvaarding voor wat betreft feit 5 nietig dient te worden verklaard, nu in dat feit geen pleegdatum staat genoemd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer dient te worden verworpen, omdat de raadsman met zijn uitgebreide pleidooi duidelijk heeft gemaakt dat hij wel degelijk weet waartegen hij zich dient te verdedigen. Daarbij heeft de officier van justitie gesteld dat de feiten ook niet gaan om specifieke runderen, maar over omstandigheden op een boerderij. Ten aanzien van feit 5 heeft de officier van justitie gesteld dat de datum ‘13 februari 2019’ duidelijk staat vermeld in de tenlastelegging.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding ziet op omstandigheden die de gehele bedrijfsvoering en alle runderen betreffen en dat ook op zitting duidelijk was waar de verdenkingen op zagen. De tenlastelegging voldoet naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan de eisen gesteld door artikel 261, eerste lid, Sv, nu het voor alle procespartijen duidelijk is wat de inzet van het geding is. Ten aanzien van feit 5 is de rechtbank van oordeel dat voldoende concreet is op welke tijd en datum het gemaakte verwijt betrekking heeft. In de tekst van de tenlastelegging staat duidelijk “immers was op 13 februari...”. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman omtrent de nietigheid van de dagvaarding en stelt vast dat deze geldig is.
De overige voorvragen
De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.