Rechtbank Overijssel, 28-03-2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:824, 08-997023-17 (P)
Rechtbank Overijssel, 28-03-2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:824, 08-997023-17 (P)
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 28 maart 2022
- Datum publicatie
- 28 maart 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2022:824
- Zaaknummer
- 08-997023-17 (P)
Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een zoutwinningsbedrijf tot een geldboete van 75.000 euro. Bij grondwatermonitoring is gebleken dat bij een aantal boorputten sprake was van bodemverontreiniging door lekkage. Bij een aantal putten was sprake van forse overschrijding van de toegestane waardes in de bodem. Het bedrijf is verder onderzoek gaan verrichten naar deze verontreiniging, maar had deze verontreiniging direct na ontdekking moeten melden aan de toezichthouder. Dat heeft zij niet gedaan.
De straf is aanzienlijk lager dan de eis van de officier van justitie. De rechtbank heeft de officier van justitie gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard voor het onder 2 ten laste gelegde en voor het overige het bedrijf van dat ten laste gelegde vrijgesproken.
Uitspraak
Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08-997023-17 (P)
Datum vonnis: 28 maart 2022
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdacht bedrijf] ,
gevestigd te [adres 1] .
1 Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 31 januari 2022 en 14 maart 2022.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Buist en van wat namens verdachte en haar raadsvrouw mr. J.F. Rense, advocaat te Rotterdam, naar voren is gebracht.
2 De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging van 31 januari 2022, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte bij het winnen van zout onvoldoende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van verontreiniging van de bodem, bij verontreiniging niet onverwijld melding heeft gemaakt bij de Inspecteur-generaal der Mijnen, alsmede dat geen chemisch veiligheidsrapport is opgesteld voor de gebruikte diesel in de ondergrondse zoutcavernes en evenmin voor de opslag van gasolie in de ondergrond in de [bedrijventerrein] .
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
[verdacht bedrijf] , voorheen van 30 november 1998 tot en met 1 juli 2019 statutair genaamd [bedrijf 1] B.V. en van 1 juli 2019 tot en met 1 oktober 2021 statutair genaamd [bedrijf 2] B.V., in ieder geval de rechtspersoon ingeschreven in het handelsregister onder het KvK-nummer [nummer] ,
op of omstreeks 6 mei 2015, in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, opzettelijk, in strijd heeft gehandeld met een (of meer) voorschrift(en) van een omgevingsvergunning dat (die) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten de krachtens de Wet Milieubeheer, bij beschikking van 21 november 2005 met kenmerk [kenmerk] door het Ministerie van Economische zaken verleende vergunning (aan [bedrijf 1] B.V.), immers heeft zij, verdachte, toen aldaar in strijd met
- voorschrift B11 van die vergunning niet voldaan aan de verplichting om indien door wat voor oorzaak dan ook verontreinigende stoffen, te weten: dieselolie en/of pekelwater, op en/of in de bodem dreigen te geraken en/of zijn geraakt, er niet voor gezorgd onverwijld daarvan melding te doen aan de inspecteur – generaal der mijnen en/of maatregelen om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen, en /of
- voorschrift B8 van die vergunning er niet voor gezorgd dat schadelijke en of verontreinigde stoffen niet in het oppervlakte water terecht kwamen dan wel in de bodem drongen;
2.
[verdacht bedrijf] , voorheen van 30 november 1998 tot en met 1 juli 2019 statutair genaamd [bedrijf 1] B.V. en van 1 juli 2019 tot en met 1 oktober 2021 statutair genaamd [bedrijf 2] B.V., in ieder geval de rechtspersoon ingeschreven in het handelsregister onder het KvK-nummer [nummer] , in of omstreeks de periode van 01 juli 2008 tot en met 14 juni 2016, in de gemeente Hengelo en/of Enschede, althans in Nederland,
opzettelijk,
bij het gebruiken en/of onderhouden en/of buiten gebruik stellen van een boorgat, waaronder, te weten:
-boorgat 335 en/of
-boorgat 330 en/of
-boorgat 336 en/of
-boorgat 340 en/of
-boorgat 342,
onvoldoende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van schade,
terwijl zij, verdachte, van het plegen van vernoemd(e) misdrij(f)(ven) een gewoonte heeft gemaakt;
3.
[verdacht bedrijf] , voorheen van 30 november 1998 tot en met 1 juli 2019 statutair genaamd [bedrijf 1] B.V. en van 1 juli 2019 tot en met 1 oktober 2021 statutair genaamd [bedrijf 2] B.V., in ieder geval de rechtspersoon ingeschreven in het handelsregister onder het KvK-nummer [nummer] ,
in of omstreeks de periode 5 oktober 2018 tot en met 18 december 2018, althans op een of meer tijdstippen in of omstreeks 2018, te Hengelo (O) en/of Amersfoort, en/of Arnhem en/of Amsterdam, althans (bij zoutwinningsactiviteiten door mijnbouw) in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met één of meer bepalingen van de EG- verordening (1907/2006) registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH), immers:
heeft zij, verdachte, en/of haar mededader(s) als downstreamgebruiker(s), toen aldaar, geen chemisch veiligheidsrapport met bijbehorende blootstellingsscenario’s zoals bedoeld in artikel 31 lid 7 juncto 37 lid 4 van voornoemde EG-verordening, opgesteld voor het gebruik van diesel als blanket oil in ondergrondse zoutcavernes;
4.
[verdacht bedrijf] , voorheen van 1 juli 2019 tot en met 1 oktober 2021 statutair genaamd [bedrijf 2] B.V., in ieder geval de rechtspersoon ingeschreven in het handelsregister onder het KvK-nummer [nummer] ,
in of omstreeks de periode van 6 september 2019 tot en met 21 november 2019, althans op een of meer tijdstippen in of omstreeks 2019, te Enschede en/of Hengelo en/of Amersfoort, en/of Arnhem en/of Amsterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met één of meer bepalingen van de EG- verordening (1907/2006) registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH), immers:
heeft zij, verdachte, en/of haar mededader(s), als downstreamgebruiker(s), toen aldaar, geen chemisch veiligheidsrapport met bijbehorende blootstellingsscenario’s zoals bedoeld in artikel 31 lid 7 juncto 37 lid 4 van voornoemde EG-verordening, opgesteld voor de opslag van diesel en/of gasolie in de ondergrondse cavernes in Enschede, de [bedrijventerrein] .
3 De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde is verjaard, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.
Onder 2 is ten laste gelegd opzettelijke overtreding van artikel 67 Mijnbouwbesluit. Deze algemene maatregel van bestuur is gebaseerd op artikel 49 Mijnbouwwet. In deze artikelen zijn regels gesteld omtrent het winnen van delfstoffen door middel van mijnbouw.
Overtreding van artikel 49 Mijnbouwwet levert volgens het destijds geldende artikel 1 sub 2 Wet op de Economische Delicten (WED) een economisch delict op. Gelet op de artikelen 2 lid 1 en 6 lid 1 sub 2 van de WED, levert dit economisch delict, wanneer het opzettelijk is begaan, een misdrijf op, anders een overtreding. Hierop was destijds in geval van een misdrijf een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, taakstraf of geldboete van de vierde categorie gesteld.
Conform het destijds geldende artikel 70 Wetboek van Strafrecht (Sr) vervalt het recht tot strafvordering door verjaring na verloop van zes jaren voor de misdrijven waarop een geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld.
De rechtbank zal om die reden uitgaan van een verjaringstermijn van zes jaren.
De verjaringstermijn dient berekend te worden vanaf de eerste daad van vervolging. Uit de beschikking van de rechter-commissaris van 9 februari 2021 leidt de rechtbank af dat de raadsvrouw op 10 november 2020 de rechter-commissaris heeft verzocht onderzoekshandelingen te verrichten, te weten: het horen van de heer [naam 1] als vertegenwoordiger van verdachte. Uit dit verzoek aan de rechter-commissaris leidt de rechtbank af dat verdachte op dat moment bekend was met de vervolging. Gerekend vanaf dat moment vangt de verjaringstermijn op 10 november 2014 aan.
Dat leidt ertoe dat de officier van justitie verdachte kan vervolgen voor feiten die zijn gepleegd vanaf 10 november 2014. De officier van justitie zal voor de onder 2 ten laste gelegde periode van 1 juli 2008 tot 10 november 2014 dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat de onder 1 ten laste gelegde feiten zijn verjaard overweegt de rechtbank het volgende.
Onder 1 is ten laste gelegd opzettelijke overtreding van artikel 2.3 aanhef en onder a en/of b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Overtreding van artikel 2.3 aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht levert volgens het destijds geldende artikel 1 sub 2 WED een economisch delict op als bedoeld in artikel 1a onder 1 van de WED. Gelet op de artikelen 2 lid 1 en 6 lid 1 sub 2 van de WED, levert dit economisch delict, wanneer het opzettelijk is begaan, een misdrijf op, anders een overtreding. Hierop was destijds in geval van een misdrijf een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vierde categorie gesteld.
Conform het destijds geldende artikel 70 Sr vervalt het recht tot strafvordering door verjaring na verloop van twaalf jaren voor de misdrijven waarop een geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld.
De rechtbank zal om die reden voor zover de tenlastelegging doelt op gedragingen vermeld onder a van voornoemde bepaling uitgaan van een verjaringstermijn van twaalf jaren.
Overtreding van artikel 2.3 aanhef en onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht levert volgens het destijds geldende artikel 1 sub 2 WED een economisch delict op als bedoeld in artikel 1a onder 2 van de WED. Gelet op de artikelen 2 lid 1 en 6 lid 1 sub 2 van de WED, levert dit economisch delict, wanneer het opzettelijk is begaan, een misdrijf op, anders een overtreding. Hierop was destijds in geval van een misdrijf een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, taakstraf of geldboete van de vierde categorie gesteld.
Conform het destijds geldende artikel 70 Sr vervalt het recht tot strafvordering door verjaring na verloop van zes jaren voor de misdrijven waarop een geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld.
De rechtbank zal om die reden voor zover de tenlastelegging doelt op gedragingen vermeld onder b van voornoemde bepaling uitgaan van een verjaringstermijn van zes jaren.
Nu het verwijt blijkens de tekst van het onder 1 ten laste gelegde (niettegenstaande de lange periode vermeld in de aanhef van de tenlastelegging) feitelijk ziet op (een) delict(en), volgens de steller, gepleegd op of omstreeks 6 mei 2015, dient te worden beoordeeld of de verweten gedraging op dat tijdstip was verjaard.
De verjaringstermijn dient, zoals hiervoor gesteld, berekend te worden vanaf de eerste daad van vervolging, zodat ook voor feit 1 zelfs in het voor verdachte meest gunstige geval (uitgaande van een verjaringstermijn van zes jaren) geldt, dat gerekend vanaf dat moment de verjaringstermijn op 10 november 2014 aanvangt.
Dat leidt ertoe dat de officier van justitie verdachte kan vervolgen voor feiten die zijn gepleegd vanaf 10 november 2014. Nu 6 mei 2015 na die datum is gelegen is de officier van justitie voor het onder 1 ten laste gelegde ontvankelijk.
Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve in zoverre verworpen.
Indien en voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat bij de beoordeling omtrent de door haar gestelde verjaring het bewijs voor het al dan niet opzettelijk handelen van verdachte een rol speelt, volstaat de rechtbank met de constatering van verdachte, zowel onder feit 1 als onder feit 2 een verwijt in opzettelijke vorm wordt gemaakt, hetgeen op dit moment bij de bespreking van verweren omtrent de voorvragen het doorslaggevend criterium vormt en waarbij vraagpunten omtrent bewijs (vooralsnog) geen betekenis hebben.
Voor het overige is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.