Rechtbank Overijssel, 28-02-2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1048, C/08/279983 / HA ZA 22-129
Rechtbank Overijssel, 28-02-2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1048, C/08/279983 / HA ZA 22-129
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Overijssel
- Datum uitspraak
- 28 februari 2024
- Datum publicatie
- 1 maart 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBOVE:2024:1048
- Zaaknummer
- C/08/279983 / HA ZA 22-129
Inhoudsindicatie
Eiser vordert schadevergoeding van één van de beide curatoren in de faillissementen van de bedrijf 3 en van diens advocaat, omdat zij in een tegen Rabobank aangespannen procedure zijn belangen geschaad hebben. Ook het advocatenkantoor waaraan de curator is verbonden is volgens eiser aansprakelijk. De rechtbank wijst de vorderingen af omdat niet vast komt te staan dat de curator en zijn advocaat onrechtmatig jegens eiser gehandeld hebben bij het voeren van de procedure tegen Rabobank, in het bijzonder niet bij het formuleren van de tegen Rabobank ingestelde vordering en bij het voeren van verweer tegen een door Rabobank na de (eerste) comparitie bij het hof genomen akte. Ook de vordering tegen het advocatenkantoor wordt afgewezen. De beslissing van de rechtbank wordt hierna toegelicht.
Uitspraak
vonnis
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rolnummer: C/08/279983 / HA ZA 22-129
Vonnis van 28 februari 2024
in de zaak van
[eiser] ,
wonende in [woonplaats 1],
eiser,
advocaat mr. F. Arts te Doetinchem,
tegen
1 [gedaagde 1],
wonende in [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. P.J. de Jong Schouwenburg te Amsterdam,
2. [gedaagde 2],
wonende in [woonplaats 3],
gedaagde,
advocaat mr. M.B. Esseling te Rotterdam,
3. de naamloze vennootschap [gedaagde 3] N.V.,
gevestigd in [woonplaats 4],
gedaagde,
advocaat mr. P.J. de Jong Schouwenburg te Amsterdam.
De rechtbank noemt partijen hierna [eiser], [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3].
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
Het vonnis in het vrijwaringsincident van 8 februari 2023,
- -
-
De conclusie van antwoord van [gedaagde 2] met 3 producties,
- -
-
De oproeping voor de mondelinge behandeling,
- -
-
de mondelinge behandeling van 16 november 2023, waar partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij gebruik is gemaakt van pleitaantekeningen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt tijdens de mondelinge behandeling.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Samenvatting
[eiser] vordert schadevergoeding van één van de beide curatoren in de faillissementen van de [bedrijf 3] en van diens advocaat, omdat zij in een tegen Rabobank aangespannen procedure zijn belangen geschaad hebben. Ook het advocatenkantoor waaraan de curator is verbonden is volgens [eiser] aansprakelijk. De rechtbank wijst de vorderingen af omdat niet vast komt te staan dat de curator en zijn advocaat onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld hebben bij het voeren van de procedure tegen Rabobank, in het bijzonder niet bij het formuleren van de tegen Rabobank ingestelde vordering en bij het voeren van verweer tegen een door Rabobank na de (eerste) comparitie bij het hof genomen akte. Ook de vordering tegen het advocatenkantoor wordt afgewezen. De beslissing van de rechtbank wordt hierna toegelicht.
3 De feiten
[eiser] exploiteerde een assurantiebedrijf met de naam [bedrijf 1] B.V., voorheen geheten [bedrijf 2] B.V. Deze vennootschap was gelieerd aan een groot aantal andere ondernemingen, merendeels eveneens door [eiser] gedreven (verder te noemen: de [bedrijf 3] of de [bedrijf 3]).
De [bedrijf 3] werd gefinancierd door Rabobank.
In 2002 kwam de [bedrijf 3] in financiële problemen. In verband daarmee is – na een PWC-rapportage van 27 mei 2002 – op 27 juni 2002 een convenant (hierna: het convenant) gesloten tussen Rabobank, de [bedrijf 3], [eiser] en de belangrijkste verzekeraars waarmee het assurantiebedrijf zaken deed. In het convenant wordt een additionele financieringsbehoefte van de [bedrijf 3] tot medio 2003 vastgesteld op fl. 6.813.000,-. Het convenant regelt de herfinanciering van deze financieringsbehoefte. Samengevat komt deze neer op tijdelijke verhogingen van de kredieten in rekening-courant door Rabobank, het toestaan van een grace period door de Belastingdienst en het GAK en een 60% bevriezing van de saldi van de rekeningen-courant met de verzekeraars. De overeengekomen additionele financiering door Rabobank is uitgewerkt in een als bijlage bij het convenant gevoegd financieringsvoorstel.
In het kader van de financiering door Rabobank, zoals neergelegd in het convenant en het bijbehorende financieringsvoorstel, heeft Rabobank een bedrag van € 900.000,00 aan [eiser] privé geleend. [eiser] diende dat bedrag te gebruiken om overstanden op enkele rekening-courantverhoudingen van de [bedrijf 3] aan te zuiveren en heeft dat ook gedaan.
Eind december 2002 heeft Rabobank op een tweetal rekeningen van vennootschappen behorend tot de [bedrijf 3] het krediet verlaagd, met
respectievelijk € 453.780,00 en € 399.532,00 (hierna: de kredietinperking). Daarvan heeft zij bij brief van 31 december 2002 mededeling gedaan aan [eiser]. Rabobank heeft ook betalingsopdrachten van de [bedrijf 3] niet uitgevoerd.
In maart/april 2003 zijn de [bedrijf 3] in staat van faillissement verklaard. [gedaagde 1] en een kantoorgenoot van [gedaagde 1], mr. [naam 1], zijn als curatoren aangesteld. Mr. [naam 1] is in de onderhavige procedure niet gedagvaard.
Rabobank heeft een procedure tegen [eiser] gevoerd tot terugbetaling van geleend geld. Die vordering is toegewezen. De tegenvordering van [eiser] in die procedure is afgewezen. De rechtbank oordeelde het verwijt van [eiser] dat Rabobank het onder 3.3. genoemde convenant heeft geschonden, ongegrond. In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank grotendeels vernietigd. Voor de onderhavige zaak is van belang dat in hoger beroep het Gerechtshof Arnhem in een arrest van 23 november 2010 heeft geoordeeld dat Rabobank onder het convenant toerekenbaar tekort was geschoten. Het verweer van Rabobank dat het faillissement van de [bedrijf 3] ook zonder deze tekortkoming zou zijn gevolgd, kon volgens het hof in een schadestaatprocedure aan de orde komen. Rabobank is door het hof veroordeeld tot betaling aan [eiser] van schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het beroep in cassatie van Rabobank is op 20 april 2012 verworpen.
De door [eiser] naar aanleiding van het arrest van 23 november 2010 bij de rechtbank aangespannen schadestaatprocedure heeft in een afwijzing van zijn vordering geresulteerd. De rechtbank heeft op 7 januari 2015 namelijk geoordeeld dat het causaal verband tussen de door het hof aangenomen tekortkoming van Rabobank en de schade van [eiser] niet is komen vast te staan. [eiser] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft bij arrest van 10 januari 2017 overwogen dat een (nieuw) onderzoek door een deskundige naar het causaal verband noodzakelijk is, maar dat eerst een inlichtingencomparitie zal worden gehouden. Deze comparitie heeft op 20 september 2017 plaatsgevonden. Bij arrest van 9 juli 2019 is het eindvonnis van de rechtbank van 7 januari 2015 bekrachtigd. Het cassatieberoep van [eiser] is op 18 december 2020 verworpen.
In juli 2012 hebben de curatoren een procedure tegen Rabobank aangespannen. Als hun advocaat in die procedure heeft [gedaagde 2] opgetreden. In hun dagvaarding hebben zij erop gewezen dat het gerechtshof in de procedure tussen [eiser] en Rabobank op 23 november 2010 heeft geoordeeld dat Rabobank onder het convenant toerekenbaar tekort is geschoten en dat het daartegen gerichte cassatieberoep op 20 april 2012 is verworpen. De curatoren hebben - zakelijk samengevat - gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat
de toerekenbare tekortkoming door Rabobank (zoals vastgesteld in de procedure tussen [eiser] en Rabobank) de oorzaak is van de faillissementen van de [bedrijf 3] en dat Rabobank wordt veroordeeld tot betaling aan de curatoren van de tekorten in de faillissementen zoals die zullen blijken bij verificatie, vermeerderd met de faillissementskosten en andere boedelvorderingen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (hierna: het boedeltekort), te vermeerderen met rente en met veroordeling van Rabobank in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
Bij vonnis van 7 januari 2015 heeft de rechtbank de vorderingen van de curatoren afgewezen. In haar vonnis overweegt de rechtbank onder meer dat de curatoren hebben betoogd dat de toerekenbare tekortkoming van Rabobank de oorzaak is van het faillissement van de [bedrijf 3]. De rechtbank komt op grond van het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige echter tot het oordeel dat de, volgens de rechtbank op grond van het arrest van 23 november 2010 vaststaande, toerekenbare tekortkoming van Rabobank niet de oorzaak is geweest van het faillissement van de [bedrijf 3]. Deze beslissing stemt overeen met de beslissing van de rechtbank in de zaak van [eiser] tegen Rabobank (zie hiervoor onder 3.8).
De curatoren zijn van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Op 10 januari 2017 heeft het hof een tussenarrest gewezen, waarin het hof overweegt een deskundige te benoemen om het causaal verband tussen het tekortschieten door Rabobank en de door de curatoren gestelde schade te onderzoeken. Partijen worden in de gelegenheid gesteld onder meer om informatie te geven over de liquiditeitsontwikkeling binnen de [bedrijf 3] indien Rabobank het convenant zou hebben nageleefd en zich uit te laten over het moment waarop zij het debat over de aard en omvang van de schade wensen te voeren: in de lopende procedure of in de schadestaatprocedure.
Ten aanzien van de vordering van de curatoren overweegt het hof in zijn arrest van 10 januari 2017 het volgende:
“4.16 De vordering zoals de curatoren die hebben geformuleerd is niet zonder meer navolgbaar. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de vorderingen die door de schuldeisers in de faillissementen zijn ingediend, moeten worden aangemerkt als schade voor de (boedel van de) [bedrijf 3]. Dat deze vorderingen, die grotendeels verband zullen houden met de bedrijfsvoering van de [bedrijf 3] en (dus) reeds vóór het faillissement zijn ontstaan, het gevolg zijn van het tekortschieten door Rabobank (bestaande in het niet-naleven van het convenant) en het daaropvolgende faillissement, is immers niet zonder meer vanzelfsprekend. Voor zover de vordering van de curatoren betrekking heeft op schade die door Rabobank aan de boedel zelf moet worden vergoed, geldt dan ook dat de curatoren de gestelde schade nader zullen moeten motiveren. Het onbetaald laten van de vorderingen kan mogelijk wel een gevolg zijn van het tekortschieten door Rabobank en het daaropvolgende faillissement, maar zo bezien betreft het geen schade van de boedel maar lijkt het veeleer een benadeling van de desbetreffende schuldeisers van de [bedrijf 3] te betreffen. Namens hen komt de curatoren geen rechtsvordering toe, tenzij sprake is van een zogenoemde [naam 2]/[naam 3]-vordering (zie o.a. HR 16 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7797, vergelijk voor het eerst HR 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4521). Daartoe dienen de curatoren dan wel voldoende te stellen om te kunnen concluderen dat sprake is van een onrechtmatige daad “jegens de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde” met als gevolg dat die gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld (HR 5 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:201). Aan die stelplicht hebben de curatoren vooralsnog evenmin voldaan.”
Het hof overweegt verder:
“4.17 Nu wel aannemelijk is dat mogelijk schade is geleden die door Rabobank aan curatoren moet worden betaald indien het causaal verband tussen het tekortschieten van Rabobank en het faillissement van de [bedrijf 2]-groep komt vast te staan, bestaat er in dat geval aanleiding om een veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat uit te spreken. Het debat over de aard en omvang van de schade dient dan in de schadestaatprocedure (verder) te worden gevoerd. Indien partijen dat debat reeds thans wensen te voeren kunnen zij dat eenstemmig bij te nemen akten aan het hof kenbaar maken. Daarover kunnen dan eventueel bij de te houden comparitie van partijen nadere (proces)afspraken worden gemaakt.”
Op 7 februari 2017 hebben de curatoren een akte ingediend waarin zij erop hebben gewezen dat volgens hen in het arrest van 23 november 2010 de toerekenbare tekortkoming van Rabobank jegens zowel de [bedrijf 3] als [eiser] is aangenomen en dat hun vordering daarop is gebaseerd. Zij hebben er in deze akte ook op gewezen dat tot de daardoor ontstane schade ook de (vermogens)waarde van de ondernemingen behoort welke waarde door de faillissementen verloren is gegaan.
Rabobank heeft op 7 maart 2017 op deze akte gereageerd en onder meer aangevoerd dat een eventuele eiswijziging van curatoren waarbij de verloren gegane vermogenswaarde van de [bedrijf 3] wordt gevorderd rijkelijk laat en daarmee in strijd met de goede procesorde is. In deze akte heeft Rabobank ook gesteld dat het arrest van 20 november 2010 is gewezen tussen [eiser] en Rabobank en dat het daarom geen grondslag kan zijn voor de vordering van de curatoren.
Op 20 september 2017 heeft een comparitie van partijen voor het hof plaatsgevonden, tegelijk met de comparitie in de zaak tussen [eiser] en Rabobank.
Op 12 juni 2018 hebben de curatoren een akte na comparitie tevens inhoudende wijziging van eis genomen.
Op 7 augustus 2018 heeft Rabobank een akte ingediend. In deze akte wijst Rabobank erop dat het hof nog in dient te gaan op het door Rabobank gevoerde verweer dat het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 23 november 2010 in de procedure tussen [eiser] en Rabobank geen gezag van gewijsde heeft in de zaak tussen de curatoren en Rabobank. Daarnaast stelt zij dat zij niet tekortgeschoten is in de nakoming van het convenant. Ook vraagt zij het hof in te gaan op de verweren die zij voert tegen het door de curatoren gestelde causaal verband tussen de beweerdelijke tekortkoming en het faillissement van de [bedrijf 3].
Op 16 augustus 2018 heeft [gedaagde 2] een brief aan het hof gestuurd waarin staat dat de curatoren bezwaar maken tegen de omvang en inhoud van deze akte en waarin zij verzoeken de akte (deels) buiten behandeling te laten.
Op 26 augustus 2019 stuurt het hof een brief aan de curatoren en Rabobank met de mededeling dat in verband met een rechterswissel alsnog (bedoeld zal zijn: weer, gegeven de comparitie op 20 september 2017) een comparitie van partijen zal moeten plaatsvinden.
Op 5 februari 2020 stuurt het hof een brief aan de curatoren en Rabobank waarin onder meer staat: “Op 10 februari a.s. vindt de comparitie plaats. Houdt u er rekening mee dat dan, naast de kwesties van schade en causaal verband, ook de gestelde normschendingen onderwerp kunnen zijn?”
Op 10 februari 2020 heeft de tweede comparitie van partijen bij het hof plaatsgevonden.
Op 26 mei 2020 heeft het hof eindarrest gewezen, waarbij het hof het eindvonnis van de rechtbank van 7 januari 2015 bekrachtigd heeft. Beroep in cassatie van dit arrest is niet ingesteld.
In zijn arrest van 26 mei 2020 overweegt het hof over de wijziging van eis van curatoren:
“2.3 Bij de rechtbank hebben curatoren aanvankelijk gevorderd voor recht te verklaren dat de toerekenbare tekortkoming door Rabobank (de gestelde kredietinperking per 31 december 2002 in strijd met het Convenant) oorzaak is van de faillissementen van de [bedrijf 3] en verder Rabobank te veroordelen tot betaling van de tekorten in de faillissementen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen deel daarvan, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alles met renten en diverse kosten. In rov. 4.16 van het tussenarrest van 10 januari 2017 heeft het hof vraagtekens geplaatst bij de schade volgens de vordering. Bij hun volgende akte (van 7 februari 2017) hebben curatoren uiteengezet dat de schade bestaat uit kapitaalvernietiging van de door de vennootschappen gedreven onderneming en dat zij tevens een zogenaamde [naam 2]/[naam 3]-vordering hebben doordat de gezamenlijke crediteuren ten gevolge van de tekortkoming van Rabobank geen betaling ontvangen. Na ondervraging daarover ter comparitie van 20 september 2017 hebben curatoren bij akte (van 12 juni 2018) hun eis aldus gewijzigd dat deze, naast de verklaring voor recht, strekt tot veroordeling van Rabobank tot betaling aan curatoren van de schade die het gevolg is van de toerekenbare tekortkoming, bestaande uit (het verlies van) de ondernemingswaarde van de ondernemingen van de vennootschappen in de Hakenberggroep, vastgesteld vóór de tekortkoming door Rabobank op een bedrag van € 23.088.000 (volgens de bijgevoegde productie), althans het bedrag zoals in het kader van de onderhavige procedure zal worden bepaald door een daartoe door het hof ingeschakelde deskundige, alsmede – voorwaardelijk voor zover de becijferde schadevergoeding onvoldoende zou zijn om de nominale vorderingen van de crediteuren die hun vordering bij curatoren hebben ingediend te betalen – het dan resterende tekort, althans de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, dan wel een door het hof op basis van redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag als schadevergoeding wegens de door Rabobank veroorzaakte schade, alles met rente en kosten. Tegen deze wijziging van eis heeft Rabobank bezwaar gemaakt.
Naar het oordeel van het hof strekte de aanvankelijke vordering onmiskenbaar tot een veroordeling tot aanvulling, of in ieder geval betaling van (een deel van) de faillissementstekorten; daarop was zij geconcentreerd. Dergelijke vorderingen kunnen als regel slechts worden gebaseerd op onrechtmatig handelen hetzij door een bestuurder (bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:248 BW) hetzij door de later gefailleerde vennootschappen ten opzichte van de gezamenlijke, benadeelde schuldeisers ([naam 2]/[naam 3]-vordering). De gewijzigde veroordelingsvordering strekt tot vergoeding van de door de faillissementen verloren gegane waarde van de door de [bedrijf 3] geëxploiteerde onderneming. Curatoren hebben deze vordering onderbouwd met een nieuw rapport. Het gaat dus om een heel andere veroordelingsvordering die op grond van de twee-conclusieregel in beginsel had moeten worden ingesteld bij memorie van grieven. In de onderhavige procedure is er echter al gepleit en een tussenarrest gewezen, gericht op de vraag of de kredietinperking, indien ongeoorloofd, het faillissement van de [bedrijf 3] heeft veroorzaakt. Met deze eiswijziging zijn curatoren daarom te laat. Dit wordt niet anders door de omstandigheden dat zij uit (rov 4.19 van) het tussenarrest van 10 januari 2017 in de parallelzaak 200.167.819 van [eiser] tegen Rabobank (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2017:141) ontdekten dat de vordering van [eiser] als aandeelhouder problematisch was vanwege de ABP-Pootdoctrine. Het bezwaar van Rabobank tegen de eiswijziging is dus terecht, zodat deze niet zal worden toegelaten. Daarmee resteert nog wel de ongewijzigde vordering tot verklaring van recht dat de toerekenbare tekortkoming door Rabobank (de kredietinperking in strijd met het Convenant) oorzaak is van de faillissementen van de [bedrijf 3] en de vordering tot veroordeling tot betaling van (een deel van) de faillissementstekorten.”
Over de aanvankelijke vorderingen oordeelt het hof als volgt:
“2.5 De vordering tot veroordeling tot betaling van (een deel van) de faillissementstekorten is niet toewijsbaar omdat hier geen bestuurdersaansprakelijkheid aan de orde is en omdat curatoren ook voor een [naam 2]/[naam 3]-vordering (zie HR 8 september 2017, ECLI:HR:NL:2017:2269) niet hebben gesteld dat Rabobank als derde betrokken was bij een benadelingshandeling van een der gefailleerde vennootschappen of haar bestuurder [eiser]; een enkele tekortkoming tegenover een daardoor gefailleerde vennootschap brengt nog geen aansprakelijkheid mee jegens haar gezamenlijke schuldeisers. Bij de nog resterende verklaring voor recht, in wezen een opstapje naar de erbij gevorderde veroordeling, hebben curatoren dan geen belang meer. Maar ook als dit allemaal niet zou opgaan, geldt het volgende.”
In aansluiting op de laatste zin van deze rechtsoverweging wijdt het hof overwegingen aan (a) het gezag van gewijsde van de verklaring voor recht in het arrest van 23 november 2010, (b) de vraag of aan de zijde van Rabobank sprake is geweest van een tekortkoming in de nakoming van het convenant door de toegepaste kredietinperking en (c) de vraag of de kredietinperking, indien ongeoorloofd, de oorzaak van het faillissement van de [bedrijf 3] vormde.
Het hof overweegt voorafgaand aan de bespreking van deze drie vragen:
“2.6 Rabobank heeft er terecht op gewezen en curatoren zien ook wel in dat onder de devolutieve werking van het principaal hoger beroep ook de andere weren van Rabobank moeten worden behandeld; zie ook rov. 4.15 van het tussenarrest van 10 januari 2017. Tot nu toe was de focus in hoger beroep daar niet op gericht vanwege het volgende. [eiser] had eerder in zijn hoofdprocedure bij arrest van dit hof van 23 november 2010 (ECLI:NL:GHARN:2009:BI0214) een gewijsde gekregen over de voor recht verklaarde aansprakelijkheid van Rabobank wegens kredietinperking, waarbij Rabobank was veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (cassatieberoep verworpen in arrest HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:LJN BV1293). De daarop door [eiser] geïnitieerde schadestaatprocedure werd bij de rechtbank en het hof parallel gevoerd aan de onderhavige door curatoren opgestarte procedure tot verklaring voor recht en veroordeling tot schadevergoeding, waarin dus nog niet over de door curatoren aan de orde gestelde aansprakelijkheidsvraag was beslist. Die parallellie had tot gevolg dat eerst in beide processen de aandacht was gericht op de vraag of de kredietinperking wel de oorzaak was geweest van de faillissementen. Maar dit nam natuurlijk niet weg dat in de zaak van curatoren nog moest worden geoordeeld over de vraag of Rabobank met de kredietinperking het Convenant of enige andere kredietovereenkomst had geschonden, hoewel de rechtbank daar kennelijk in haar vonnis van 7 januari 2015 wel van uit is gegaan. In de brief van 5 februari 2020 heeft het hof partijen er tevoren op gewezen dat ter comparitie, naast de kwesties van schade en causaal verband, ook de gestelde normschendingen onderwerp konden zijn. Het verzoek van curatoren bij brief van 20 maart 2020 om nog een akte te nemen over de feitelijke kwesties die zich eind 2002/begin 2003 hebben afgespeeld, wordt daarom afgewezen.
Volgens Rabobank was de kredietinperking toegestaan, ten eerste omdat deze werd toegepast op een van een andere bank ontvangen betaling van € 883.042, afkomstig van de aandeelhouders van vastgoedvennootschap [bedrijf 4] B.V. en, ten tweede omdat de kredietovereenkomst en bijlage I bij het Convenant voorzagen in een aflossingsplicht van f 2.000.000 per 31 december 2002.”
Ten aanzien van vraag (a), het gezag van gewijsde van het arrest van 23 november 2010, overweegt het hof vervolgens:
“2.7 Daartegenover hebben curatoren zich beroepen op gezag van gewijsde van de verklaring voor recht in het zojuist vermelde arrest van dit hof van 23 november 2010 in de zaak [eiser] tegen Rabobank. Dit verweer, dat het hof eerder had laten rusten, gaat echter niet op omdat het een procedure met een andere eiser, namelijk [eiser] betrof. De door curatoren verdedigde analogische toepassing gaat hier evenmin op. Het staat Rabobank vrij om haar verweer tegen curatoren anders in te richten en geconstateerd kan worden dat Rabobank in de procedure tegenover curatoren eerder en uitvoeriger verweer heeft gevoerd dan tegen [eiser]. Daarom is een vraag naar een normschending hier onvermijdelijk.”
Het hof volgt het standpunt van Rabobank op het punt van de kredietinperking - vraag (b) - en overweegt uiteindelijk het volgende:
“2.10 De stelplicht en bewijslast van de normschending rusten op curatoren. Tegenover het voorgaande hebben zij onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat Rabobank niettemin de kredietinperking per 31 december 2002 met € 853.312 onterecht heeft uitgevoerd. Van een tekortkoming of onrechtmatige daad is aldus niet gebleken.”
Het hof buigt zich daarna over de vraag (c) of de kredietinperking, indien ongeoorloofd, de oorzaak van de faillissementen is geweest. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt onder meer het volgende:
“2.14 Uiteindelijk kan het faillissement niet anders worden verklaard dat uit de grote financiële problemen die de Hakenberggroep al (blijkens het PWC-rapport en het Convenant) medio 2002 had en uit haar fors negatieve eigen vermogen, mede in verband met de niet-nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de Wtv. 1993 tegenover de stille curator en de PVK, met alle gevolgen van dien. Op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, hebben curatoren onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd om aan te nemen dat de kredietinperking, indien ongeoorloofd, het faillissement van AD zou hebben veroorzaakt. Partijen hebben er geen debat over dat dit faillissement op zijn beurt die van de andere [bedrijf 3] heeft veroorzaakt.”
Het hof bekrachtigt tot slot het eindvonnis van deze rechtbank van 7 januari 2015.