Rechtbank Rotterdam, 17-06-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:5464, 20/599 20/4332 20/6216 21/62
Rechtbank Rotterdam, 17-06-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:5464, 20/599 20/4332 20/6216 21/62
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 17 juni 2021
- Datum publicatie
- 21 juni 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2021:5464
- Formele relaties
- Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2024:70, Overig
- Zaaknummer
- 20/599 20/4332 20/6216 21/62
Inhoudsindicatie
BC FT. Aanwijzing terecht opgelegd, maar verstrekken auditrapport ten onrechte onderdeel van de aanwijzing. Benoeming curator kon, maar gegeven opdracht in strijd met art 54 Wtt. Daarom konden kosten niet in rekening worden gebracht.
Uitspraak
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 20/599, ROT 20/4332, ROT 20/6216 en ROT 21/62
[trustkantoor 2] en
[trustkantoor 3] ,
alle gevestigd te [plaats 1] en kantoorhoudend te [plaats 2] , eiseressen ( [eiseressen] ),
gemachtigden: mr. F.M.A. ’t Hart, mr. L. Stortelder en mr. D.A. Cervera Garcia,
en
gemachtigden: mr. A.J. Boorsma, mr. C. de Rond en mr. S.O. Visch.
Procesverloop
ROT 20/599
Bij besluit van 9 juli 2019 (primair besluit 1) heeft DNB [eiseressen] een aanwijzing gegeven tot het volgen van een bepaalde gedragslijn (aanwijzingsbesluit), ten aanzien van het bestuur van [eiseressen] een curator benoemd tot 10 januari 2020 (benoemingsbesluit) en [eiseressen] meegedeeld dat zij de kosten in verband met deze benoeming bij [eiseressen] in rekening zal brengen.
Bij besluit van 17 juli 2019 (aanvullend besluit) heeft DNB [eiseressen] meegedeeld dat haar bestuur wordt toegestaan bepaalde rechtshandelingen zonder goedkeuring van de curator te verrichten. Daarbij heeft DNB opgemerkt dat het bezwaar van [eiseressen] tegen primair besluit 1 wordt geacht mede te zijn gericht tegen het aanvullend besluit.
Bij besluit van 25 juli 2019 (wijzigingsbesluit) heeft DNB het aanvullend besluit gewijzigd in die zin dat het bestuur van [eiseressen] alle rechtshandelingen zonder goedkeuring van de curator mag verrichten, met uitzondering van rechtshandelingen die verband houden met de opvolging van de aanwijzing. Daarbij heeft DNB opgemerkt dat het bezwaar van [eiseressen] tegen primair besluit 1 wordt geacht mede te zijn gericht tegen het wijzigingsbesluit.
Bij besluit van 20 december 2019 (bestreden besluit 1) heeft DNB het bezwaar van [eiseressen] tegen primair besluit 1, het aanvullende besluit en het wijzigingsbesluit ongegrond verklaard.
[eiseressen] heeft tegen bestreden besluit 1 beroep (ROT 20/599) ingesteld.
ROT 20/4332
Bij besluit van 9 januari 2020 (primair besluit 2) heeft DNB de aan het aanwijzings- en benoemingsbesluit verbonden termijnen verlengd tot 20 maart 2020.
Bij besluit van 7 juli 2020 (bestreden besluit 2) heeft DNB het bezwaar van [eiseressen] tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard.
[eiseressen] heeft tegen bestreden besluit 2 beroep (ROT 20/4332) ingesteld.
ROT 20/6216
Bij besluit van 4 mei 2020 (primair besluit 3) heeft DNB aan [eiseressen] de kosten van de door haar benoemde curator over de periode juli tot en met december 2019 bij haar in rekening gebracht tot een bedrag van € 59.858,70.
Bij besluit van 15 oktober 2020 (bestreden besluit 3) heeft DNB het bezwaar van [eiseressen] tegen primair besluit 3 ongegrond verklaard.
[eiseressen] heeft tegen bestreden besluit 3 beroep (ROT 20/6216) ingesteld.
ROT 21/62
Bij besluit van 12 augustus 2020 (primair besluit 4) heeft DNB aan [eiseressen] de kosten van de door haar benoemde curator over de periode 1 januari tot en met 20 maart 2020 bij haar in rekening gebracht tot een bedrag van € 15.681,60.
[eiseressen] heeft tegen primair besluit 4 bezwaar gemaakt en DNB verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep (ROT 21/62) als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). DNB heeft hiermee ingestemd.
Alle zaken
DNB heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2021. [eiseressen] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden mr. ’t Hart en mr. D. Cervera Garcia, vergezeld door [naam] ( [bestuurder 1] ), [naam 2] ( [bestuurder 2] ) en [bestuurder 3] , bestuurders van [eiseressen] . DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden mr. Boorsma en mr. Visch, vergezeld door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] , allen werkzaam bij DNB.
Overwegingen
De rechtbank stelt voorop dat [eiseressen] in alle zaken verzoekt de inhoud van eerdere stukken (onder meer zienswijzen en bezwaargronden) uit die procedure en de andere procedures als herhaald en ingelast te beschouwen zonder daarbij toe te lichten in welk opzicht, in haar visie, de reactie van DNB op die stukken ontoereikend is. Een zodanige algemene verwijzing zonder nadere motivering acht de rechtbank onvoldoende om aan de bestreden besluiten af te doen. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot het beoordelen van de toegelichte beroepsgronden. Gelet op de grote hoeveelheid gronden (en herhalingen) van [eiseressen] beperkt de rechtbank zich daarbij tot het beoordelen van de kern van de gronden en argumenten die zij naar voren heeft gebracht.
Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Het beroep met procedurenummer ROT 20/599
Inleiding
[eiseressen] bestaat uit vier vergunninghoudende trustkantoren, te weten [trustkantoor 1] en haar drie dochtermaatschappijen [trustkantoor 2] , [trustkantoor 4] en [trustkantoor 3] ., die trustdiensten a en b mogen verlenen in de zin van artikel 1 van de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). [trustkantoor 4] verleent vanaf 31 december 2018 geen trustdiensten meer en de bestreden besluiten zijn dan ook niet aan haar gericht. De trustkantoren van [eiseressen] hadden ten tijde hier van belang dezelfde bestuurders, namelijk [bestuurder 1] en [bestuurder 2] . [eiseressen] verleende ten tijde van primair besluit 1 trustdiensten aan 220 doelvennootschappen, waaronder 152 met een zogenaamde private afgescheiden structuur.
Nadat [eiseressen] in mei 2017 negatief in het nieuws kwam en in verband werd gebracht met het faciliteren van witwaspraktijken, heeft DNB onderzoek verricht bij [eiseressen] naar onder meer doelvennootschap [cliënt 1] ( [cliënt 1] ) en cliënt [cliënt 2] ( [cliënt 2] ) van de aan [eiseressen] gelieerde doorstroomvennootschap [cliënt 3] Bij brief van 5 december 2017 heeft DNB de definitieve bevindingen van het onderzoek vastgesteld. DNB heeft onder meer vastgesteld dat [eiseressen] in zowel het [cliënt 1] -dossier als het [cliënt 2] / [cliënt 3] -dossier artikel 10, eerste lid, Wtt (oud) in samenhang met diverse artikelen uit de Regeling integere bedrijfsvoering Wtt 2014 (Rib) en de meldplicht op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) heeft overtreden. Van beide cliënten heeft [eiseressen] inmiddels afscheid genomen.
In de periode 29 mei tot en met 1 juni 2018 en op 20 juni 2018 heeft DNB nader onderzoek verricht naar de naleving van de Wtt (oud), de Rib en de Wwft door [eiseressen] . De aanleiding hiervoor was het volgens DNB hoge risicoprofiel van de cliëntenportefeuille van [eiseressen] dat bleek uit de jaarlijkse analyse door DNB van de ISI data in combinatie met andere toezichtsinformatie, waaronder de incidentmeldingen van [eiseressen] in 2014 en 2017 in verband met negatieve berichtgeving in de media en de uitkomst van het hiervoor genoemde onderzoek uit 2017. DNB heeft zich bij dit onderzoek gericht op de vraag of [eiseressen] de risico’s op witwassen bij cliënten voldoende onderkent en beheerst door het doen van deugdelijk (verscherpt) cliëntenonderzoek en het nemen van adequate beheersmaatregelen. DNB heeft zeven cliëntendossiers ( [cliënt 4] , [cliënt 5] , [cliënt 6] , [cliënt 7] , [cliënt 8] , [cliënt 9] en [cliënt 10] ) en de transacties van deze zakelijke relaties beoordeeld aan de hand van diverse risico-indicatoren. Bij brief van 29 november 2018 heeft DNB haar definitieve bevindingen in een onderzoeksrapport kenbaar gemaakt. Geconcludeerd is dat [eiseressen] structureel tekort is geschoten in het verrichten van cliëntonderzoek en transactiemonitoring. Verder heeft [eiseressen] volgens DNB verzuimd incidenten en ongebruikelijke transacties te melden bij de autoriteiten.
Na bij brief van 11 april 2019 het voornemen daartoe aan [eiseressen] kenbaar te hebben gemaakt en kennis te hebben genomen van de (mondelinge en schriftelijke) zienswijze van [eiseressen] daarop, het plan van aanpak van [eiseressen] van 14 mei 2019 en de voortgangsrapportage van 4 juli 2019, heeft DNB primair besluit 1 genomen.
Bij primair besluit 1 heeft DNB op grond van artikel 47 van de Wtt 2018 aan [eiseressen] een aanwijzing gegeven tot het volgen van een bepaalde gedragslijn, strekkende tot beëindiging van de overtreding van artikel 27, tweede en derde lid, onder d, van de Wtt 2018 (voorheen: artikel 13, tweede lid, onder b, van de Rib) en artikel 33 van de Wtt 2018 (voorheen: artikelen 14 en 19 van de Rib). Tevens heeft DNB ten aanzien van het bestuur van [eiseressen] voor dezelfde periode een curator benoemd op grond van artikel 54, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wtt 2018.
De aanwijzing
3. De gedragslijn behelst dat [eiseressen] uiterlijk (aanvankelijk 10 januari 2020, maar uiteindelijk, zoals gewijzigd bij primair besluit 2) op 20 maart 2020:
i. alle cliëntendossiers, waaronder de cliëntendossiers van de inactieve cliënten, heeft gereviseerd en de betreffende cliëntendossiers aantoonbaar in overeenstemming heeft gebracht met het wettelijk vereist cliëntenonderzoek conform artikelen 27 en 33 van de Wtt 2018 dan wel aantoonbaar en formeel de zakelijke relatie heeft beëindigd;
ii. alle transacties die via de doelvennootschappen met een hoog risicoprofiel vanaf 1 september 2017 zijn verricht aan een onderzoek heeft onderworpen op basis van factoren die kunnen wijzen op een ongebruikelijk karakter, met inachtneming van artikel 35 van de Wtt 2018. Indien [eiseressen] hierdoor ongebruikelijke transacties heeft gedetecteerd, dient [eiseressen] deze transacties in samenhang te bezien met alle transacties die vóór september 2017 zijn verricht en ook deze transacties aan een dergelijk onderzoek te hebben onderworpen.
iii. het auditrapport zoals bedoeld in het plan van aanpak van 14 mei 2019 en een managementverklaring over de volledige opvolging van de aanwijzing aan DNB heeft verstrekt.
Procesbelang bij het beroep tegen de aanwijzing
Het beroep met procedurenummer ROT 20/4332 richt zich niet tegen de verlenging van de aanwijzing, maar beperkt zich tot de verlenging van de benoeming van de curator. Ter zitting is de vraag aan de orde gekomen wat daarvan het gevolg is voor het beroep tegen het aanwijzingsbesluit zelf. DNB heeft zich op het standpunt gesteld dat de verlenging van de aanwijzing in rechte vast staat en dat daarmee ook vast staat dat DNB de aanwijzing mocht geven. Daarnaast is, aldus DNB, de werking van de aanwijzing geëxpireerd, zodat [eiseressen] ook om die reden procesbelang op dit punt heeft verloren. [eiseressen] betoogt dat zij beroep heeft ingesteld tegen de aanwijzing en heeft verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn, omdat deze in haar ogen te kort was om aan de aanwijzing te voldoen. Dit verzoek is ingewilligd en tegen verlenging van de termijn heeft zij dus geen bezwaar. Dit doet niet af aan de principiële bezwaren die [eiseressen] heeft tegen het opleggen van de aanwijzing zelf.
De rechtbank overweegt dat uit de gronden duidelijk naar voren komt dat [eiseressen] het (nog steeds) niet eens is met het aanwijzingsbesluit. Indien geoordeeld zou worden dat de aanwijzing niet opgelegd had mogen worden, dan kan dat gevolgen hebben voor de benoeming van de curator en de in verband hiermee in rekening gebrachte kosten. Daarnaast heeft [eiseressen] kosten gemaakt om aan de aanwijzing te voldoen. Gelet daarop acht de rechtbank procesbelang bij het beroep tegen de aanwijzing aanwezig.
Overtredingen
[eiseressen] betoogt dat geen sprake is van een normschending, zodat DNB de aanwijzing niet heeft kunnen opleggen.
DNB heeft uit het onderzoek in 2018 de volgende conclusies getrokken. In zes van de zeven onderzochte cliëntendossiers heeft [eiseressen] meerdere kernbepalingen van de (huidige) Wtt 2018 geschonden. [eiseressen] heeft in deze dossiers geen adequaat (integraal) cliëntonderzoek gedaan in de zin van artikel 27 van de Wtt 2018. In vier dossiers ( [cliënt 4] , [cliënt 7] , [cliënt 5] en [cliënt 8] ) heeft [eiseressen] geen dan wel onvoldoende onderzoek verricht naar de herkomst van het vermogen van de Ultimate Benificiary Owners (UBO). In één dossier ( [cliënt 8] ) heeft [eiseressen] verzuimd onderzoek te verrichten naar de ratio van de structuur die was bedoeld om de identiteit van de UBO te verhullen en in een ander dossier ( [cliënt 7] ) is - ondanks een plotselinge verandering in de wijze van financieren en de aanwezigheid van verhoogde witwasrisico’s - geen nader onderzoek verricht naar de structuur van de vennootschap en de wijze waarop deze is gefinancierd. [eiseressen] heeft geen periodieke review verricht bij inactieve cliënten. Ten tijde van primair besluit 1 had [eiseressen] nog 25 van dergelijke cliënten bij wie tenminste twee jaar geen cliëntenonderzoek was verricht.
Daarnaast heeft DNB geconcludeerd dat [eiseressen] geen adequate transactiemonitoring heeft verricht als bedoeld in artikel 27, tweede lid, onder k en derde lid, onder d, van de Wtt 2018. De monitoring is onder meer nodig om (voorgenomen) ongebruikelijke transacties te melden. DNB heeft in dit verband specifiek gewezen op twee van de onderzochte dossiers ( [cliënt 4] en [cliënt 5] ) waarin een opvallende waardestijging of waardedaling na een overdracht van activa heeft plaatsgevonden. In beide dossiers heeft [eiseressen] deze transacties niet als (mogelijk) ongebruikelijk aangemerkt, omdat geen sprake was van de aanwezigheid van een zogenaamde objectieve indicator van witwassen. DNB heeft [eiseressen] laten weten dat zij een te enge interpretatie hanteert van het begrip ongebruikelijke transactie en dat, ook als een transactie mogelijk verband houdt met witwassen, op [eiseressen] een meldplicht rust. Volgens DNB heeft [eiseressen] in drie van de zeven onderzochte dossiers in strijd met artikel 20 van de Wtt 2018 een incident niet onverwijld gemeld aan DNB.
De rechtbank overweegt dat wat [eiseressen] in beroep heeft aangevoerd onvoldoende is om de conclusies van DNB onderuit te halen. De juistheid van de stelling van [eiseressen] dat zij ook bij inactieve cliënten een periodieke review heeft uitgevoerd, heeft DNB niet kunnen vaststellen in de door haar onderzochte dossiers en wordt ook niet ondersteund door de - in aanwezigheid van drie toezichthouders afgelegde - verklaring van compliance officer [naam 6] . Dit terwijl het om dossiers met verhoogde risico’s ging en [eiseressen] dat zelf ook had geconstateerd.
In tegenstelling tot wat [eiseressen] stelt, heeft DNB de (omvangrijke) reactie van [eiseressen] van 1 oktober 2018 naar aanleiding van de voorlopige bevindingen en de definitieve bevindingen van 29 november 2018 in haar besluitvorming betrokken. DNB hoefde daarbij niet op ieder afzonderlijk punt in te gaan, maar kon volstaan met een reactie op de essentiële punten van [eiseressen] . Voor het oordeel dat DNB nader onderzoek had moeten doen of meer inlichtingen had moeten vragen, acht de rechtbank geen grond aanwezig.
De resultaten van eerdere onderzoeken waarnaar [eiseressen] verwijst, doen niet af aan de onderzoeksbevindingen van DNB in het rapport van 29 november 2018, die aan de besluitvorming ten grondslag liggen. Stichting AQTO heeft geen specifiek onderzoek verricht naar de daadwerkelijke toepassing van het beleid en de procedures in concrete cliëntendossiers zoals DNB dat wel heeft gedaan en het rapport van Deloitte bevat geen oordeel of conclusie over de naleving van de relevante wetgeving. Ook indien dit wel het geval was, had DNB op basis van haar onderzoek tot een ander oordeel kunnen komen. Dat DNB in 2015 zelf onderzoek heeft verricht bij [eiseressen] en toen heeft besloten geen herstelmaatregel op te leggen, maakt niet dat zij nu - na nieuw onderzoek - niet heeft kunnen besluiten tot het opleggen van een aanwijzing. Het voorgenomen boetebesluit uit 2015 had betrekking op een beperkter en ander feitencomplex en zag op een andere periode (2014). Evenmin kan wat [eiseressen] heeft aangevoerd over het onderzoek uit 2017 tot een ander oordeel leiden. Zoals hierboven onder 2.2 is overwogen, is in de (definitieve) bevindingenbrief van 5 december 2017 vastgesteld dat [eiseressen] in de dossiers van [cliënt 1] en [cliënt 2] overtredingen van de Wtt (oud), Rib Wtt (oud) en Wwft heeft begaan. DNB heeft [eiseressen] erop gewezen dat zij aan herstel moet werken, herhaling moet voorkomen en DNB daarover moet informeren. Daarna bleek dat [eiseressen] de zakelijke relatie met [cliënt 1] inmiddels had beëindigd en met [cliënt 2] kort nadien zou beëindigen, zodat voor het opleggen van herstelmaatregelen met betrekking tot deze dossiers geen grond meer aanwezig was. Wel waren de bevindingen uit 2017 mede aanleiding voor nader onderzoek en heeft DNB besloten aan [trustkantoor 2] een bestuurlijke boete op te leggen voor overtreding van artikel 16, eerste lid, van de Wwft met betrekking tot het dossier [cliënt 1] en aan [bestuurder 1] voor het feitelijk leidinggeven aan deze overtreding. De beroepen in deze procedures (ROT 19/6321 en ROT 19/6323) zijn separaat behandeld en daarop is heden ook uitspraak gedaan.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB terecht vastgesteld dat [eiseressen] de gestelde overtredingen heeft begaan en dus niet heeft voldaan aan de op grond van de toepasselijk wet- en regelgeving op haar rustende verplichtingen. In wat [eiseressen] heeft aangevoerd ziet zij geen aanleiding daar anders over te oordelen. Wat er ook zij van de ter zitting door [eiseressen] naar voren gebrachte stellingen met betrekking tot [cliënt 4] en [cliënt 9] , DNB heeft in meerdere andere dossiers punten benoemd op grond waarvan zij terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van de genoemde overtredingen. [eiseressen] heeft in beroep onvoldoende onderbouwd dat de constateringen van DNB in die andere dossiers niet kloppen. Het verwijzen naar haar uitvoerige reactie op de onderzoeksbevindingen van DNB en het zonder nadere specificatie stellen dat DNB daarop onvoldoende is ingegaan, is in het licht van overweging 2.1 onvoldoende om de betreffende reactie punt voor punt te beoordelen ter toetsing van de rechtmatigheid van bestreden besluit 1.
Het in 5.1 samengevatte betoog slaagt dus niet.
Opportuniteit van een aanwijzing in dit geval
[eiseressen] betoogt dat, als sprake is van overtredingen, deze niet zo ernstig zijn dat een aanwijzing mocht worden opgelegd. DNB is voorbij gegaan aan het plan van aanpak van [eiseressen] dat voorafgaand aan primair besluit 1 is opgesteld en waaruit de bereidheid blijkt om vrijwillig een gedragslijn te volgen die in overeenstemming is met de (voorgenomen) aanwijzing.
DNB heeft de overtredingen niet ten onrechte als ernstig aangemerkt, nu het om verschillende langdurige overtredingen gaat van de kernbepalingen van de Wtt 2018, althans de ten tijde hier van belang geldende regelgeving met dezelfde strekking. [eiseressen] heeft haar rol als poortwachter, een kerntaak van een trustkantoor, hierdoor niet adequaat vervuld.
Uit het dossier blijkt dat DNB in het verleden herhaaldelijk heeft gewezen op de noodzaak van (structurele) verbeteringen bij [eiseressen] . Het compliance remediation hersteltraject dat [eiseressen] in 2017 is gestart, heeft, zoals naar voren komt uit de resultaten van het onderzoek van DNB uit 2018, niet tot het beoogde resultaat geleid. Uit het onderzoek blijkt dat [eiseressen] structureel tekortschoot in de naleving van meerdere toepasselijke kernbepalingen. Gelet hierop hoefde DNB er niet van uit te gaan dat [eiseressen] uit eigen beweging structureel adequaat cliëntenonderzoek, waaronder voortdurende controle op de zakelijke relaties en hun transacties, zou gaan verrichten.
De omstandigheid dat [eiseressen] , voordat de aanwijzing is opgelegd, een plan van aanpak heeft opgesteld, betekent niet dat DNB van het opleggen van een aanwijzing had moeten afzien. DNB heeft voldoende gemotiveerd dat het plan van aanpak slechts globaal van opzet was en te weinig houvast bood. Het plan gaf geen concrete invulling van het cliënten- en transactieonderzoek. Met andere woorden, het plan vermeldt wel wat [eiseressen] wil gaan doen, maar niet of onvoldoende hoe zij dat gaat aanpakken. Daarnaast bood ook de voortgangsrapportage van 4 juli 2019 geen zicht op adequaat en spoedig herstel. Gelet op deze omstandigheden hoefde DNB niet aan te nemen dat [eiseressen] op eigen initiatief en binnen afzienbare termijn alle overtredingen adequaat en structureel zou beëindigen en heeft DNB in redelijkheid gebruik kunnen maken van haar bevoegdheid tot het opleggen van een aanwijzing.
Inhoud van de aanwijzing
[eiseressen] betoogt dat onderdeel ii van de aanwijzing alleen kan zien op een overtreding van de Wtt 2018 en niet van de Wwft. [eiseressen] acht het onbegrijpelijk dat de aanwijzing er ook toe strekt onderzoek te doen naar transacties uit het verleden. Gedragslijn iii, die ziet op het opleveren van een audit rapport en het aanleveren van een managementverklaring, mist volgens [eiseressen] een wettelijke grondslag.
DNB heeft er in het verweerschrift terecht op gewezen dat [eiseressen] miskent dat gedragslijn ii ziet op de plicht zoals opgenomen in artikel 35 van de Wtt 2018. Dit artikel ziet op een zelfstandige - van artikel 16 van de Wwft losstaande - verplichting onderzoek te doen naar ongebruikelijke transacties. Dat daarbij mogelijk alsnog onderzoek moet worden gedaan naar transacties in het verleden, is het gevolg van het in het verleden onvoldoende naleven door [eiseressen] van de artikelen 27 en 35 van de Wtt 2018, althans de ten tijde hier van belang geldende bepalingen met dezelfde strekking. De plicht alsnog ongebruikelijke transacties te melden als [eiseressen] daarop stuit tijdens het onderzoek, volgt niet uit de aanwijzing maar rechtstreeks uit de wet.
Ten aanzien van gedragslijn iii is de memorie van toelichting (TK 2017-2018, 34 910, nr. 3, p. 68) bij artikel 47 van de Wtt 2018 van belang. Hieruit blijkt dat het opleggen van een aanwijzing als doel heeft het bewerkstelligen dat de geadresseerde zich aan de regels van deze wet of onderliggende regelgeving houdt: de aanwijzing voorziet in een verplichting om binnen een redelijke termijn een bepaalde gedragslijn te volgen, om zodoende een geconstateerde overtreding te beëindigen. In het plan van aanpak is opgenomen dat RSM aan het einde van deze periode een audit uitvoert. Het auditrapport van RSM is daarmee een controle-instrument om achteraf vast te kunnen stellen of de overtredingen zijn beëindigd. De aanwijzing om het betreffende rapport aan DNB te verstrekken, is dan ook niet gericht op beëindiging van de overtreding(en) gedurende de looptijd van de aanwijzing. De rechtbank verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 9 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3342. Gelet hierop is de eis van het verstrekken van het auditrapport ten onrechte als onderdeel (gedragslijn) van de aanwijzing opgelegd.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep (ROT 20/599), voor zover gericht tegen gedragslijn iii van het aanwijzingsbesluit, gegrond is. De rechtbank zal bestreden besluit 1 vernietigen voor zover dit betrekking heeft op het verstrekken van het auditrapport in gedragslijn iii. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen primair besluit 1 in zoverre gegrond te verklaren en dat besluit in zoverre te herroepen
Benoeming curator
DNB heeft besloten [naam curator] te benoemen als curator ten aanzien van het bestuur van de [eiseressen] .
[eiseressen] betoogt dat niet aan de in artikel 54, tweede lid, van de Wtt 2018 genoemde voorwaarden voor het benoemen van een curator is voldaan.
DNB heeft op grond van artikel 54, eerste en tweede lid, aanhef en onder b, van de Wtt 2018 een curator benoemd. Uit Kamerstukken II 2005/06, 29708, nr. 19, p. 411 blijkt dat van ernstig gevaar als bedoeld in artikel 1.59 van de Wet op het financieel toezicht (Wft), zijnde de voorloper van artikel 1:76 van de Wft sprake is als de normovertreding en de daaruit volgende consequenties zeer ingrijpend zijn en deze consequenties bovendien nog niet (volledig) zijn ingetreden. De curator moet er dan voor zorgen dat die consequenties worden voorkomen of beperkt. Het vereiste van proportionaliteit brengt met zich dat de toezichthouder deze maatregel, een van de meest ingrijpende maatregelen die beschikbaar zijn, met terughoudendheid toepast. Blijkens de memorie van toelichting (TK 2017-2018, 34 910, nr. 3, p. 73) is artikel 54 van de Wtt 2018 materieel gelijk aan artikel 1:76 van de Wft.
Gelet op de overwegingen onder 5.1 tot en met 5.6 heeft DNB terecht vastgesteld dat [eiseressen] gedurende langere tijd niet heeft voldaan aan meerdere essentiële voorschriften die gelden voor trustkantoren. DNB heeft terecht gewezen op de ernst, lange duur en het patroon van de overtredingen, die door [eiseressen] zijn begaan op het gebied van cliëntenonderzoek en transactiemonitoring en die het in haar als poortwachtersrol te stellen vertrouwen ernstig ondermijnen. DNB heeft in aanmerking kunnen nemen dat [eiseressen] - ondanks dat zij eerder door DNB op relevante vereisten (en overtredingen) van de wetgeving is gewezen - niet bereid of in staat is gebleken in de jaren voorafgaand aan de aanwijzing orde op zaken te stellen en te bewerkstelligen dat de toepasselijke wet- en regelgeving wordt nageleefd. Ten tijde van het opleggen van de aanwijzing waren de overtredingen nog niet beëindigd en waren daartoe - ook met inachtneming van het plan van aanpak en de eerste voortgangsrapportage - nog onvoldoende concrete (eerste) stappen genomen. DNB hoefde er daarom geen vertrouwen in te hebben dat [eiseressen] op eigen initiatief en binnen afzienbare termijn alle overtredingen adequaat en structureel zou beëindigen. Daarnaast mocht DNB van belang achten dat de structurele tekortkomingen hebben plaatsgevonden onder leiding van onder meer [bestuurder 1] als aandeelhouder en/of bestuurder. Hij was persoonlijk betrokken bij doelvennootschappen, waaronder doelvennootschappen ten aanzien waarvan DNB meerdere en ernstige overtredingen heeft vastgesteld. Dit geeft er geen blijk van dat [bestuurder 1] integriteitsrisico’s - ook bij directe, persoonlijke betrokkenheid bij doelvennootschappen - steeds voldoende heeft herkend en daarop adequaat heeft gereageerd door passende beheersmaatregelen te nemen. Dit bracht het risico mee dat de review van de cliëntdossiers en de (her)beoordeling van de transacties die door deze doelvennootschappen zijn verricht, niet (voldoende) kritisch en onafhankelijk zouden plaatsvinden.
Gelet op het voorgaande heeft DNB terecht vastgesteld dat ten tijde van het benoemingsbesluit sprake was van ernstige overtredingen van deze wet die een adequate functionering van het trustkantoor ernstig in gevaar brengen, zodat er voldoende grond bestond een curator te benoemen.
Het betoog van [eiseressen] dat de combinatie van een aanwijzing en benoeming van een curator in strijd is met de wettelijke systematiek van artikel 54 van de Wtt 2018 en de proportionaliteitsgedachte die daaraan ten grondslag ligt, slaagt niet.
De wettekst, de wetsgeschiedenis noch de rechtspraak staan eraan in de weg dat het opleggen van een aanwijzing wordt gecombineerd met de benoeming van een curator.
Artikel 54, tweede lid, aanhef en onder b, Wtt 2018 maakt een benoeming van curator mogelijk zonder voorafgaande aanwijzing. Blijkens de memorie van toelichting (TK 2017-2018, 34 910, nr. 3, p. 73) is artikel 54 van de Wtt 2018 materieel gelijk aan artikel 1:76 van de Wft. In de memorie van toelichting bij (de voorloper van) artikel 1:76 van de Wft (TK 2003-2004, 29 708, nr. 3, p.43) is vermeld dat naast de algemene aanwijzingsbevoegdheid het onder omstandigheden noodzakelijk kan zijn om bij financiële ondernemingen verdergaande greep te krijgen op de bedrijfsvoering, indien gestelde regels (dreigen te) worden overtreden. Indien er nog geen noodzaak is om de activiteiten te beëindigen, de vergunning in te trekken of de noodregeling aan te vragen, kan gebruik worden gemaakt van de curatele.
De beroepsgrond van [eiseressen] dat het benoemen van een curator wiens taak beperkt is tot het toezien op opvolging van de aanwijzing strijdig is met de wetssystematiek slaagt. De inhoud van de opdracht aan de curator, zoals deze is opgenomen in primair besluit 1, luidt als volgt:
De curator dient zich te laten leiden door het belang van de naleving van de Wtt 2018, de beheersing van integriteitsrisico’s, in het bijzonder de poortwachtersfunctie die [eiseressen] dient te vervullen.
- -
-
De curator dient zich ervoor in te spannen dat [eiseressen] de gedragslijn uit de aanwijzing adequaat, tijdig en volledig opvolgt. In het bijzonder dient de curator - met inachtneming van het plan van aanpak - erop toe te zien dat de revisie van alle cliëntendossiers en de (her)beoordelingen van transacties integraal (dus met voldoende diepgang) zullen worden uitgevoerd waardoor [eiseressen] haar poortwachtersfunctie naar behoren vervult.
- -
-
De curator dient tweewekelijks, of zoveel vaker indien concrete ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, aan DNB te rapporteren over de relevante ontwikkelingen.
Naar het oordeel van de rechtbank strookt de aan de curator gegeven opdracht, zoals opgenomen in het benoemingsbesluit (primair besluit 1), niet met de tekst en strekking van artikel 54, derde lid, van de Wtt 2018 waarin staat dat met ingang van het tijdstip waarop het besluit tot benoeming van de curator aan het trustkantoor is bekendgemaakt, de desbetreffende organen of vertegenwoordigers hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door de curator en met inachtneming van de opdrachten van de curator. De opdracht dat de curator ‘zich ervoor dient in te spannen’ en ‘erop toe dient te zien’ is te vaag en te licht geformuleerd en niet in lijn met de figuur curator als bedoeld in artikel 54 van de Wtt 2018. Kenmerkend voor de figuur van de curator is dat hij (mede) het beleid bepaalt en instructies geeft. Ook DNB stelt onder 11.5 van het verweerschrift dat ingrijpen in de besluitvorming inherent is aan de benoeming van een curator. Dat in het wijzigingsbesluit van 25 juli 2019 is bepaald dat het bestuur van [eiseressen] is toegestaan dat zij alle rechtshandelingen zonder goedkeuring van de curator kan verrichten met uitzondering van de rechtshandelingen die verband houden met de opvolging van de aanwijzing doet hieraan niet af. Slechts is bedoeld (blijkens p. 2) de bevoegdheden van het bestuur ten aanzien van de oorspronkelijke opdracht verder te verruimen. Bovendien is niet duidelijk welke rechtshandelingen het bestuur van [eiseressen] zou kunnen of moeten verrichten om aan de aanwijzing te voldoen. Uit de correspondentie blijkt dat de curator zijn taak niet zo heeft opgevat als in de wet is neergelegd. In e-mails (van onder meer 22 oktober 2019) schrijft hij: ‘dat is niet mijn taak’, ‘het is niet de curator maar (het bestuur van) [eiseressen] die verantwoordelijk is voor de opvolging van de aanwijzing en het is DNB die aan het eind van de rit beoordeelt of volledig aan de aanwijzing is voldaan’, ‘zonder te beoordelen of [eiseressen] met dit document een correcte invulling geeft’ en ‘ik ga niet op de stoel van het bestuur zitten’ en bijvoorbeeld in het curatorverslag no. 2 (periode 17 tot en met 14 september 2019) op p.6: ‘opeens gaat het over mijn curatorrol (...) ik zie er op toe dat de opvolging van de aanwijzing op een goede manier gebeurt’. Deze taakopvatting van de curator is gelet op de formulering van de opdracht door DNB zonder meer begrijpelijk, maar de wetgever gaat uit van een meer sturende en besluitvormende taak van de curator.
In praktijk is gebleken dat de beperkte opdracht en taakopvatting tot onduidelijkheid (zie bijvoorbeeld de e-mails van 21 en 30 oktober 2019) en problemen bij het bestuur van de [eiseressen] hebben geleid en dat een aantal malen tevergeefs om goedkeuring/commitment is gevraagd. Gelet op de tekst en de strekking van de wet zijn deze verzoeken begrijpelijk. De curator heeft echter geen duidelijke instructies gegeven aan het bestuur van de [eiseressen] of besluiten genomen ter opvolging van de aanwijzing.
Aangezien de aan de curator gegeven opdracht in strijd is met artikel 54 van de Wtt 2018, is het beroep (ROT 20/599), voor zover gericht tegen het benoemingsbesluit, gegrond. De rechtbank vernietigt bestreden besluit 1 in zoverre en zal op dit punt zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen primair besluit 1 in zoverre gegrond te verklaren en dat bezwaar in zoverre te herroepen.
Het beroep met procedurenummer ROT 20/4332
9. Nu het benoemingsbesluit wordt vernietigd, is de grondslag voor de verlenging van het benoemingsbesluit vervallen. Gelet hierop is het beroep (ROT 20/4332) gericht tegen bestreden besluit 2, voor zover gericht op de verlenging van het benoemingsbesluit, gegrond. De rechtbank vernietigt bestreden besluit 2 in zoverre en zal op dit punt zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen primair besluit 2 in zoverre gegrond te verklaren en dat bezwaar in zoverre te herroepen.
De beroepen met procedurenummers ROT 20/6216 en ROT 21/62
10. Het voorgaande leidt tevens tot de conclusie dat er voor DNB geen grond was de kosten van de curator door te berekenen aan [eiseressen] . De beroepen (ROT 20/6216 en ROT 21/62) tegen bestreden besluit 3 en primair besluit 4 zijn gegrond. De rechtbank vernietigt deze besluiten en zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen primair besluit 3 gegrond te verklaren en dat besluit te herroepen.
Indien en voor zover [eiseressen] de bij haar in rekening gebrachte kosten van de curator aan DNB heeft voldaan, is gelet op het voorgaande sprake van onverschuldigde betaling(en) en kan [eiseressen] aanspraak maken op terugbetaling.
Proceskosten en griffierecht
Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat DNB aan [eiseressen] de door haar betaalde griffierechten vergoedt.
De rechtbank veroordeelt DNB in de door [eiseressen] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.403,- (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1,5). De rechtbank heeft de zaken van [eiseressen] aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van voormeld Besluit,- (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1,5). De rechtbank heeft de zaken van [eiseressen] aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van voormeld .
Beslissing
De rechtbank:
- -
-
verklaart de beroepen gegrond;
- -
-
vernietigt bestreden besluit 1 voor zover dat ziet op het verstrekken van het auditrapport in gedragslijn iii;
- -
-
verklaart het bezwaar tegen primair besluit 1 gegrond en herroept dat besluit voor zover het ziet op gedragslijn iii en het benoemingsbesluit;
- -
-
vernietigt bestreden besluit 2 voor zover dat ziet op de verlenging van het benoemingsbesluit;
- -
-
verklaart het bezwaar tegen primair besluit 2 gegrond en herroept dat besluit voor zover het ziet op de verlenging van het benoemingsbesluit;
- -
-
vernietigt bestreden besluit 3;
- -
-
verklaart het bezwaar tegen primair besluit 3 gegrond en herroept dat besluit;
- -
-
vernietigt primair besluit 4;
- -
-
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde (gedeelten van de) bestreden besluiten;
- -
-
bepaalt dat DNB aan [eiseressen] € 1.422,- aan griffierechten vergoedt;
- -
-
veroordeelt DNB in de proceskosten van [eiseressen] tot een bedrag van € 2.403,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mr. S. Veling en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2021.
De griffier en de voorzitter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
|
griffier |
voorzitter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: