Home

Rechtbank Rotterdam, 28-12-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11471, C/10/629178 / HA ZA 21-1012

Rechtbank Rotterdam, 28-12-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11471, C/10/629178 / HA ZA 21-1012

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28 december 2022
Datum publicatie
2 januari 2023
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2022:11471
Zaaknummer
C/10/629178 / HA ZA 21-1012

Inhoudsindicatie

Incident 843a Rv; Curator spreekt bestuurders in de hoofdzaak onder meer aan wegens schending van de administratieplicht. Het rechtmatig belang bij het gevorderde afschrift van de pre-faillissementsadministratie wordt mede ingekleurd door de eisen van artikel 6 EVRM, waaronder het beginsel van equality of arms; Beroep op AVG geen gewichtige reden als bedoeld in lid 4 van art. 843a Rv.

Uitspraak

vonnis

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/629178 / HA ZA 21-1012

Vonnis in incident van 28 december 2022

in de zaak van

[eiser01]

in hoedanigheid van curator in het faillissement van Abengoa Bioenergy Netherlands B.V. ,

kantoorhoudende te Rotterdam,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. J.P.M. Borsboom te Rotterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar vreemd recht

[gedaagde01] ,

gevestigd te Sevilla, Spanje,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde02] ,

wonende te Chesterfield, Missouri, Verenigde Staten van Amerika,

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam,

3. [gedaagde03] ,

wonende te Sevilla, Spanje,

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam,

4. [gedaagde04] ,

wonende te Sevilla, Spanje,

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam,

5. [gedaagde05] ,

wonende te Madrid, Spanje,

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam,

6. [gedaagde06] ,

wonende te Alcobendas (Madrid), Spanje,

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam,

7. [gedaagde07] ,

wonende te Pozuelo de Alarcon (Madrid), Spanje,

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam,

8. [gedaagde08] ,

wonende te Madrid, Spanje,

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam.

Eiser zal hierna worden aangeduid als de curator, gedaagde 1 als [gedaagde01] en gedaagden 2 tot en met 8 gezamenlijk als de bestuurders.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 5 juli 2021,

-

de akte houdende overlegging producties, met producties 1 tot en met 110,

-

de brief van de curator van 23 november 2021 met de betekeningsstukken,

-

de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering ex art. 843a Rv, met producties 1 tot en met 83,

-

de conclusie van antwoord in incident, met producties 111 tot en met 119,

-

de conclusie van repliek in incident, met productie 84,

-

de conclusie van dupliek in incident, met producties 120 tot en met 122.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in het incident

2.1.

De bestuurders vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

de curator op grond van artikel 843a Rv jo. artikel 6 EVRM te bevelen:

primair

A. Om binnen 24 uur na het vonnis aan de bestuurders te verstrekken een ongeclausuleerde kopie van de volledige pre-faillissementsadministratie van ABEN, onder bepaling dat de redelijke kosten van de te verstrekken kopie door de bestuurders binnen 30 dagen na verstrekking van de pre-faillissementsadministratie als voornoemd aan de curator zullen worden voldaan,

subsidiair

B. Om binnen 48 uur na het vonnis aan de bestuurders te verstrekken een afschrift van alle in paragraaf 2.21 van de conclusie van antwoord, tevens eis in het incident vermelde bescheiden, en

zowel primair als subsidiair :

C. de curator te veroordelen tot betaling van de proceskosten in incident, inclusief eventuele nakosten, onder bepaling dat, indien deze proceskosten niet binnen zeven dagen na datum van het vonnis zijn voldaan, vanaf de achtste dag tot aan de dag der algehele voldoening wettelijke rente verschuldigd zal zijn over het nog uitstaande bedrag van de proceskosten.

2.2.

De conclusie van de curator strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van de bestuurders, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling in het incident

3.1.

De curator is curator in het faillissement van Abengoa Bioenergy Netherlands B.V. (hierna: ABEN), dat onderdeel is van een Spaans concern en in Rotterdam een bio-ethanolfabriek dreef. Aan ABEN is op 26 april 2016 voorlopige surseance van betaling verleend, waarbij de curator tot bewindvoerder is benoemd. Vervolgens is ABEN op 11 mei 2016 in staat van faillissement verklaard.

3.2.

In de hoofdzaak spreekt de curator de bestuurders aan voor het faillissementstekort, dat per 23 juni 2021 € 58.976.364,26 bedraagt, onder andere omdat de bestuurders hun taak als (middellijk) bestuurders van ABEN kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijk oorzaak van het faillissement van ABEN is (artikel 2:248 BW). Volgens de curator hebben de bestuurders onder meer hun deponerings- en boekhoudplicht geschonden.

3.3.

Naar het oordeel van rechtbank is de primaire vordering van de bestuurders in dit incident toewijsbaar op de hierna te vermelden wijze. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Vereisten artikel 843a Rv

3.4.

Artikel 843a Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten, inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Degene die over de bescheiden beschikt, is niet gehouden om aan de vordering te voldoen indien daartoe gewichtige redenen zijn, of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder de verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

3.5.

Zoals hiervoor al is overwogen, zijn de vorderingen van de curator in de hoofdzaak onder meer gebaseerd op schending van de administratieplicht (zie 3.2). De primaire vordering heeft betrekking op de stukken van de desbetreffende administratie. Hieruit volgt dat sprake is van bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarbij de bestuurders partij zijn.

3.6.

De bestuurders hebben ook een rechtmatig belang bij een afschrift van de pre-faillissementsadministratie tot de datum waarop aan ABEN voorlopige surseance van betaling werd verleend en de curator werd benoemd tot bewindvoerder. Het onderhavige geschil kenmerkt zich onder meer daarin dat de curator de bestuurders verwijten maakt op basis van de administratie van ABEN en de bestuurders over deze administratie niet (meer) de (volledige) beschikking hebben. De vraag of sprake is van een rechtmatig belang bij het gevorderde afschrift, wordt mede ingekleurd door de eisen van artikel 6 EVRM, waaronder het beginsel van equality of arms , en brengt in dit geval mee dat de bestuurders moeten kunnen beschikken over de administratie van ABEN om op basis daarvan verantwoording over het gevoerde beleid en het toezicht daarop te kunnen afleggen en zich op adequate wijze te kunnen verweren tegen de verwijten van de curator. De bestuurders behoeven, anders dan de curator kennelijk meent, geen genoegen te nemen met diens stelling dat hij de administratie zorgvuldig heeft bestudeerd.

3.7.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat de bestuurders de bescheiden waarvan zij afschrift vorderen ook voldoende concreet hebben omschreven om deze aan te merken als ‘bepaald’ in de zin van artikel 843a Rv. Het gaat immers om de pre-faillissementsadministratie van ABEN die de curator tot zijn beschikking heeft en waarvan de curator, zoals de bestuurders onbetwist hebben gesteld, een kopie op een harde schijf heeft opgeslagen.

Gewichtige reden?

3.8.

De curator voert aan dat hij de volledige pre-faillissementsadministratie niet kan verstrekken, omdat zijn verplichtingen op grond van de AVG zich daartegen verzetten. De pre-faillissementsadministratie bevat veel persoonsgegevens. Als de curator zonder voldoende waarborgen een kopie van de beschikbare pre-faillissementsadministratie aan de bestuurders verstrekt, schendt de curator zijn verplichtingen onder de AVG en handelt hij onrechtmatig. De curator heeft geprobeerd om tegemoet te komen aan de wensen van de bestuurders en heeft aangeboden een geheimhoudingsovereenkomst met de bestuurders te sluiten, waarin de noodzakelijke waarborgen voor het verstrekken van de pre-faillissementsadministratie waren getroffen. Partijen hebben uiteindelijk overeenstemming bereikt over de inhoud van die overeenkomst, maar er is uiteindelijk geen overeenkomst tot stand gekomen, omdat de bestuurders weigerden om hun (actuele) adresgegevens in die overeenkomst te laten opnemen. Zonder die adresgegevens zal de curator de bestuurders – die over de hele wereld woonachtig zijn – niet kunnen aanspreken wegens niet-nakoming van de geheimhoudingsovereenkomst en geen rechtsmaatregelen kunnen treffen.

3.9.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt het bezwaar van de curator geen gewichtige reden zoals bedoeld in lid 4 van artikel 843a Rv.

3.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij overeenstemming hadden bereikt over de in acht te nemen geheimhouding met betrekking tot de persoonsgegevens in de pre-faillissementsadministratie in de vorm van de Confidentiality Agreement en het Protocol daarbij, zoals overgelegd als productie 3 respectievelijk 1 bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak, conclusie van eis in het incident. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de bepalingen in de Confidentiality Agreement en het Protocol daarbij voldoende waarborgen vormen voor de curator om zijn verplichtingen uit de AVG na te kunnen komen. De bestuurders stellen dat zij zich aan die afspraken zullen houden en dat mag ook van hen worden gevergd.

3.11.

De weigering van de bestuurders om hun adresgegevens aan de curator prijs te geven, vormt ook geen gewichtige reden om de pre-faillissementsadministratie niet te verstrekken. Weliswaar heeft de curator er een gerechtvaardigd belang bij om de bestuurders te kunnen aanspreken tot nakoming van de afspraken in de Confidentiality Agreement , maar de bestuurders hebben aangegeven dat zij in dit kader bereid zijn woonplaats te kiezen bij hun in Nederland gevestigde advocaat zodat eventuele aanzeggingen ter zake vanaf het moment van die woonplaatskeuze aan dat adres gedaan kunnen worden. De curator heeft daartegen geen nader verweer gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat daarmee de bezwaren van de curator voldoende zijn weggenomen.

3.12.

De rechtbank zal daarom op de voet van artikel 843a lid 2 Rv bepalen dat partijen de inhoud van de Confidentiality Agreement en het Protocol daarbij moeten naleven.

3.13.

De rechtbank zal verder bepalen dat, zoals ook weergegeven in de primaire vordering van de bestuurders, de redelijke kosten van de te verstrekken kopie door de bestuurders binnen 30 dagen na verstrekking van de pre-faillissementsadministratie aan de curator moeten voldoen. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat, zoals de curator verzoekt, de bestuurders die kosten bij voorschot moeten voldoen.

3.14.

De rechtbank zal de termijn waarbinnen de curator de kopie van de pre-faillissementsadministratie aan de bestuurders moet verstrekken, bepalen op één maand na de datum van dit vonnis. De verplichting van de curator om die kopie te verstrekken wordt echter opgeschort zolang de hiervoor onder 3.11 genoemde woonplaatskeuze niet is gedaan. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen, hebben de bestuurders rechtmatig belang bij een afschrift van de pre-faillissementsadministratie voor zover het gaat om de periode tot de datum waarop aan ABEN voorlopige surseance van betaling werd verleend en de curator werd benoemd tot bewindvoerder. De bestuurders hebben niet betwist dat de curator tijd nodig heeft om de boedeladministratie van de volledige administratie te scheiden, maar zij vinden een termijn van drie maanden onredelijk lang. De curator heeft daarop onvoldoende nader geconcretiseerd en onderbouwd waarom een termijn van drie maanden noodzakelijk is.

Proceskosten

3.15.

De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 1.126,00 aan salaris voor de advocaat (2 x 1 punt x tarief € 563,00).

3.16.

Uit de uitspraak van 10 juni 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:853), onder nummer 2.3, leidt de rechtbank af dat in dit vonnis geen aparte beslissingen hoeven te worden genomen over nakosten en wettelijke rente daarover.

4. De beoordeling in de hoofdzaak

5. De beslissing