Home

Rechtbank Rotterdam, 15-12-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:11672, ROT 23/448, ROT 23/452, ROT 23/459, ROT 23/460 en ROT 23/462

Rechtbank Rotterdam, 15-12-2023, ECLI:NL:RBROT:2023:11672, ROT 23/448, ROT 23/452, ROT 23/459, ROT 23/460 en ROT 23/462

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15 december 2023
Datum publicatie
19 december 2023
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2023:11672
Zaaknummer
ROT 23/448, ROT 23/452, ROT 23/459, ROT 23/460 en ROT 23/462

Inhoudsindicatie

Belastingrecht, 8:54 Awb, ,matiging o.g.v. evenredigheid, ongegrond

Uitspraak

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 23/448, ROT 23/452, ROT 23/459, ROT 23/460 en ROT 23/462

gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach,

en

Procesverloop

Verweerder heeft eiseres bij beschikking van 16 september 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer 1], ROT 23/448)

Verweerder heeft eiseres bij beschikking van 29 september 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer 2], ROT 23/452)

Verweerder heeft eiseres bij beschikking van 22 september 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer 3], ROT 23/459)

Verweerder heeft eiseres bij beschikking van 15 september 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer 4], ROT 23/460)

Verweerder heeft eiseres bij beschikking van 22 september 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer 5], ROT 23/462)

Bij uitspraken op bezwaar van 10 en 23 januari 2023 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de aanslagen ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld en gevraagd om een gezamenlijke behandeling.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting, omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn. Daartoe overweegt zij als volgt.

2. Aan eiseres zijn naheffingsaanslagen opgelegd waarop staat vermeld dat

-

op 6 september 2022 om 10:41 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken] stond geparkeerd op locatie Jonker Fransstraat te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan (23/448)

-

op 14 september 2022 om 11:37 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken] stond geparkeerd op locatie Jonker Fransstraat te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan (23/452)

-

op 7 september 2022 om 13:21 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken] stond geparkeerd op locatie Jonker Fransstraat te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan (23/459)

-

op 2 september 2022 om 15:17 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken] stond geparkeerd op locatie Jonker Fransstraat te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan (23/460)

-

op 9 september 2022 om 10:17 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken] stond geparkeerd op locatie Jonker Fransstraat te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan (23/462)

3. In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

3.1.

Er bestaat geen geschil over dat op de desbetreffende locatie parkeerbelasting verschuldigd was. Verder is niet in geschil dat eiseres beschikt over een door verweerder afgegeven parkeervergunning die (vanwege nieuw beleid) niet geldig is voor de locatie Jonker Fransstraat.

4. Eiseres vraagt in beroep om matiging van het aantal naheffingen op grond van het evenredigheidsbeginsel neergelegd in artikel 3:4, tweede lid van de Awb omdat de naheffingen in een kort tijdsbestek zijn opgelegd, terwijl eiseres in het bezit is van een parkeervergunning. Zij voert onder meer aan, dat ook bij een gebonden naheffingsaanslag in de parkeerbelasting dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Eiseres verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en van 18 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1441. Tevens verwijst eiseres naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 10 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3414, r.o. 5.3.

5. De rechtbank oordeelt als volgt. Het gaat in deze om gebonden beschikkingen, waarbij uit de wetgeving voortvloeit dat, indien een belastbaar feit zich voordoet, de belasting verschuldigd wordt. Vaststaat dat eiseres heeft geparkeerd in een straat waar haar parkeervergunning niet gold, daarom kan niet worden gesteld dat zij geparkeerd heeft met een geldige vergunning. Nu eiseres ook niet op de reguliere wijze parkeerbelasting heeft afgedragen, was verweerder bevoegd de naheffingen op te leggen. Opzet of (ernstige) verwijtbaarheid van belanghebbende zijn niet vereist. Het tijdsverloop tussen de constatering van de overtreding en de toezending van de naheffing is niet zodanig dat verweerder op dit punt onzorgvuldigheid kan worden verweten. De rechtbank acht voorstelbaar, dat het opleggen van een reeks van naheffingsaanslagen met één oorzaak leidt tot een zo groot totaalbedrag dat niet langer kan worden volgehouden dat de wetgever daar het oog op kan hebben gehad bij de toedeling van de bevoegdheid om de naheffingsaanslag op te leggen (zie de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam 22 december 2022, ECLI:NLGHAMS:2022:3698). Met de naheffingen in deze zaken is naar het oordeel van de rechtbank die grens niet bereikt. De rechtbank kan de naheffingsaanslagen niet (verdergaand) toetsen aan de evenredigheid, nu zo’n toets neer zou komen op een beoordeling van de innerlijke redelijkheid en billijkheid van wetgeving (zie de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 14 september 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1780).

6. Het beroep is kennelijk ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Tchang, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2023.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel