Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23-03-2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1928, 21/4489
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23-03-2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1928, 21/4489
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 23 maart 2023
- Datum publicatie
- 11 april 2023
- Zaaknummer
- 21/4489
- Relevante informatie
- Art. 17 WOZ, Art. 18 WOZ
Inhoudsindicatie
LO; WOZ; HWK
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/4489
[belanghebbende], gevestigd te [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 september 2021.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 28 februari 2021 de waarde van de onroerende zaak [adres 1] te [plaats] (de onroerende zaak) op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 259.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente [plaats] voor het jaar 2021 opgelegd (de aanslag OZB).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende (digitaal) en namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] vergezeld van [taxateur] (taxateur).
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de eigenaar van de onroerende zaak op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen.