Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 01-09-2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:6113, 21/4142

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 01-09-2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:6113, 21/4142

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
1 september 2023
Datum publicatie
18 september 2023
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2023:6113
Zaaknummer
21/4142
Relevante informatie
Art. 228a Gemw

Inhoudsindicatie

Garagebox.

Uitspraak

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 21/4142


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2023 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar.

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 september 2021.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 twee aanslagen in de rioolheffing opgelegd, te weten een aanslag als eigenaar en een aanslag als gebruiker.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .

1.6.

De heffingsambtenaar heeft na de zitting een machtiging overgelegd. Een kopie van deze machtiging zal als bijlage bij deze uitspraak aan belanghebbende worden verzonden.

1.7.

Beide partijen zijn per brief geïnformeerd dat het doen van de uitspraak meer tijd vroeg dan ter zitting was aangekondigd. De verlengde termijn liep tot 31 augustus 2023. Deze uitspraak wordt echter gedaan op 1 september 2023. De rechtbank ziet het niet als opportuun om partijen te informeren over een tweede verlenging van de uitspraaktermijn. De vermelding van de verlening met 1 dag wordt hierbij gedaan en wordt geacht te volstaan. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij het betreurt dat de uitspraak langer op zich heeft laten wachten dan hetgeen de professionele standaarden van de rechtbank meebrengen.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is de eigenaar en gebruiker van het object, [adres] . Het betreft een multifunctionele bedrijfsunit die deel uitmaakt van een complex van soortgelijke bedrijfsunits (het object). Het object heeft een oppervlakte van 48m2 en bestaat uit twee delen van 24m2 waarbij de tussenwanden open zijn gemaakt.

2.2.

Het object is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Het object beschikt tevens over een wateraansluiting en uitstortgootsteen.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft bij belanghebbende € 182,21 geheven als eigenarendeel en € 31,80 als gebruikersdeel.

3 Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader

3.1.

In de Verordening op de heffing en de invordering van Rioolheffing 2021 van de gemeente Oisterwijk (de Verordening) staat, voor zover voor deze zaak van belang, het volgende (met markering van de rechtbank):

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

c. perceel : een roerende of een onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;

(…)

h. niet-woning : een perceel dat niet in hoofdzaak dient tot woning;

i. garagebox : een perceel dat bestemd is voor en gebruikt wordt voor opslag van goederen en/of

stalling van motorvoertuigen met een maximaal oppervlakte van 24 vierkante meter.

(…)

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belastingen worden geheven:

a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom,

bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke

riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en

b. van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke

riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel.

(…)

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de heffing geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

(…)

Artikel 6 Tarief

1. De heffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a ( rechtbank: eigenarendeel ) bedraagt:

a. (…)

b. voor percelen zijnde niet-woningen, per jaar € 182,21

c. voor percelen zijnde garageboxen, per jaar € 53,59

2. De heffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b ( rechtbank: gebruikersdeel ) bedraagt voor percelen zijnde woningen en

niet-woningen, per jaar, bij een hoeveelheid afgevoerd water, als bedoeld in artikel 5, tweede lid:

  1. tot en met 130 m3 € 31,80.

  2. (…)”

Beoordeling

3.2.

De rechtbank beoordeelt eerst of het object terecht in de heffing is betrokken. En dat is het geval. Anders dan hetgeen belanghebbende als eerste stelling bepleit1, is vervolgens niet de mate van het feitelijke gebruik van het riool van belang, maar de omstandigheid dat de aansluiting aanwezig is.2 Dat laatste staat niet ter discussie. Dat brengt mee dat de heffingsambtenaar in ieder geval bevoegd is om een zeker bedrag aan rioolheffing te bij aanslag vast te stellen. Dan is de vraag of de beide aanslagen al dan niet te hoog zijn vastgesteld.

3.3.

De rechtbank beoordeelt vervolgens of het object moet worden aangemerkt als 1 grote unit, zoals de heffingsambtenaar bepleit,3 of als twee garageboxen, zoals belanghebbende impliciet als tweede stelling bepleit.4 Als sprake is van 1 unit, dan is niet in geschil dat beide aanslagdelen terecht zijn opgelegd en is het beroep ongegrond. Als sprake is van losse units, dan zijn de beide aanslagen te hoog vastgesteld en is het beroep gegrond.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat de bewijslast op de heffingsambtenaar rust. De Verordening is zo ingericht dat beoordeeld moet worden in welke categorie een object (in de term van de Verordening: een perceel) valt. De heffingsambtenaar heeft kennelijk beoordeeld dat het object een samenstel is als bedoeld in artikel 4 van de Verordening, waarvan het oppervlak groter is dan 24 vierkante meter, zodat het object buiten de categorie garagebox valt en dus als bedrijfsruimte (in termen van de Verordening ‘niet-woning’) aangemerkt moet worden.

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank past de heffingsambtenaar ten onrechte direct artikel 4 van de Verordening toe. Dit artikel moet namelijk worden gelezen in samenhang met artikel 3 en de definitie van een perceel als bedoeld in artikel 1. Naar normaal spraakgebruik doelt de term ‘perceel’ op iets anders dan de objecten voor de rioolheffing. Verwarring op dit punt is dus niet ondenkbaar. Bij uitleg van de Verordening rioolheffing moet echter niet naar spraakgebruik worden geïnterpreteerd, maar naar civielrechtelijke zin. Dat houdt het volgende in.

3.6.

In civielrechtelijke zin (dus zoals in geval van een sluiting van een overeenkomst tussen twee contractspartijen) bestaat het object uit twee afzonderlijke objecten. Deze zijn verticaal splitsbaar en verplaatsbaar. Het zijn daarom twee afzonderlijke roerende zaken. Dit wordt ondersteund door de luchtfoto, waarop van boven te zien is dat het twee afzonderlijke containers zijn. Ook de beschrijving in de verkoop- & verhuuradvertentie van het complex worden aparte inhoudsmaten per container gemeld. Dat belanghebbende naar economische begrippen één ruimte met aanduiding [nr.] heeft gekocht, maakt dat niet anders. Ook de fysieke verschijningsvorm waarbij sprake is van een grote opening in beide containers doet aan de civielrechtelijke conclusie dat het afzonderlijke roerende zaken zijn niet af.5

3.7.

Niet is gesteld dat bepaalde delen van elke container als apart element, dus mogelijk een zelfstandig gedeelte moet worden gezien. Gelet op de tekst van artikel 1 onder c van de Verordening is civielrechtelijk en daarmee ook fiscaal-juridisch gezien dan ook geen sprake van ‘zelfstandige gedeelten van een roerende of onroerende zaak’. Het zijn wel afzonderlijke containers, maar geen zelfstandige gedeelten van één of meerdere (in dit geval) roerende zaken.

3.8.

Omdat géén sprake is van zelfstandige gedeelten, komt de rechtbank aan toepassing van artikel 4 van de Verordening niet toe. Voor de toepassing van de Verordening is dus elke garagebox in beginsel een ‘perceel’.6

Tussenconclusie voor de aanslag rioolheffing eigenarendeel (€ 182,21)

3.9.

Van de containers die belanghebbende huurt, staat vast dat het vloeroppervlak 8 bij 3 meter is, ofwel 24 vierkante meter. Dat valt onder de categorie ‘garagebox’ als bedoeld in artikel 6 onderdeel c van de Verordening. Dat leidt tot de tussenconclusie dat belanghebbende gelijk heeft dat de heffing niet conform de Verordening is vastgesteld. De aanslag rioolheffing eigenarendeel moet worden berekend voor twee maal een garagebox, tegen een tarief van € 53,59, dus in totaal € 107,18.

Tussenconclusie voor de aanslag rioolheffing gebruikersdeel (€ 31,80)

3.10.

Voor garageboxen is in de Verordening geen grondslag vastgelegd voor de heffing van het gebruikersdeel.7 Dat leidt tot de tussenconclusie dat de aanslag rioolheffing gebruikersdeel ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd. Deze aanslag moet worden vernietigd.

4 Conclusie en gevolgen

5 Beslissing