Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31-10-2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:7554, 21/5417
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31-10-2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:7554, 21/5417
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 31 oktober 2023
- Datum publicatie
- 23 november 2023
- Zaaknummer
- 21/5417
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
WOZ-woning
Uitspraak
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 21/5417
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende]
, uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan Previcus Vastgoed)
en
de heffingsambtenaar van de Gemeente Goirle, de heffingsambtenaar
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de minister.
1 Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 31 oktober 2021.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 26 februari 2021 de waarde van de onroerende zaak Van [adres 1] (de woning) op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 385.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Goirle voor het jaar 2021 opgelegd (de aanslag OZB).
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam 1] verbonden aan Previcus Vastgoed, en namens de heffingsambtenaar, [naam 2] en [taxateur] . Ter zitting heeft de heffingsambtenaar een machtiging overgelegd aan de rechtbank. Deze wordt met de uitspraak aan belanghebbende toegezonden.
2 Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning betreft een appartement. De woning beschikt over een inpandige garage ( 18 m2).
3 Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de WOZ-waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2020. Belanghebbende bepleit een waarde van € 351.000. De heffingsambtenaar verdedigt de bij uitspraak op bezwaar gehandhaafde waarde van € 385.000.
Een beroep tegen de waardebeschikking is tegelijk ook een beroep tegen de aanslag OZB. Dat staat in artikel 24, negende lid, gelezen in samenhang met artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ. Het oordeel over de aanslag OZB volgt het oordeel over de waarde van de woning. Tegen de aanslag OZB zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.