Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-01-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:104, 23/3398
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-01-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:104, 23/3398
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 9 januari 2024
- Datum publicatie
- 17 januari 2024
- Zaaknummer
- 23/3398
- Relevante informatie
- Art. 225 Gemw, Art. 234 Gemw
Inhoudsindicatie
Parkeerbelasting, ook voor kort parkeermoment is parkeerbelasting verschuldigd, geen uitzonderingen van toepassing, geen onredelijke heffing, beroep ongegrond
Uitspraak
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3398
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende]
, uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen op Zoom, de heffingsambtenaar.
1 Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 23 mei 2023.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank bij brief van 25 juli 2023 besloten de zaak niet op zitting te behandelen.
2 Feiten
De auto met [kenteken] stond op 11 april 2023 omstreeks 16:37 uur stil aan de Noordzijde Haven te Bergen op Zoom. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 69,25 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,20 en € 68,05 aan kosten van de naheffingsaanslag.
3 Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de aanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader van de rechtbank
Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening van de Gemeenteraad van Bergen op Zoom inhoudende de Verordening parkeerbelastingen Bergen op Zoom (de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
Gronden belanghebbende
Belanghebbende voert aan dat het enkel gaat om een korte periode van parkeren, te weten 5 minuten. Belanghebbende stelt dat hij haast had en niet dacht aan het moeten betalen van de parkeerbelasting. Belanghebbende stelt verder dat er geen sprake was van gevaar dat door hem veroorzaakt was. Eveneens beroept belanghebbende zich op de beroepsgrond dat de naheffingsaanslag niet in verhouding staat tot de hoogte van de aanslag. Daarbij voert belanghebbende aan dat er andere middelen zijn die iemand duidelijk kunnen maken dat een regel overtreden is.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 11 april 2023 geparkeerd stond aan de Noordzijde Haven te Bergen op Zoom. Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.1 Belanghebbende heeft geen parkeerbelasting voldaan. Daaruit volgt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Niet in geschil is dat belanghebbende heeft geparkeerd. Er was immers geen sprake van het onmiddellijk in-en-uitstappen van belanghebbende. Belanghebbende geeft zelf aan voor 5 minuten te hebben geparkeerd. Dat heeft tot direct gevolg dat er parkeerbelasting verschuldigd is. De omstandigheid dat het gebruik van het parkeervak van zeer korte duur is geweest, maakt dat niet anders. Niet de duur van het plaatsen van de auto is doorslaggevend, maar de noodzakelijkheid om een auto te gebruiken voor de te vervoeren zaken (bovengemiddeld zwaar of bovengemiddeld groot). Gelet op hetgeen belanghebbende heeft verklaard, gaat het in dit geval om een draagbare tas met spullen voor zijn kleindochter. Dat brengt mee dat belanghebbende de mogelijkheid heeft om een stukje te lopen met de tas. Aldus heeft belanghebbende diverse mogelijkheden voor het stallen van de auto om de handeling van het afgeven van de tas mogelijk te maken. Als belanghebbende er dan om hem moverende redenen voor kiest om een plaats te kiezen waarvoor parkeerbelasting verschuldigd is, moet hij deze ook voldoen. Gezien de beperkte tijd, zal dat een beperkt bedrag zijn. De wetgever heeft geen uitzondering gedefinieerd voor kortdurende handelingen zoals door belanghebbende uitgevoerd. Indien en voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat het onredelijk is om het zo kortstondig gebruik van een parkeerplek belastbaar te stellen, baat hem dat niet. Uit het voorgaande volgt dat, met inachtneming van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening van de Gemeenteraad van Bergen op Zoom inhoudende de Verordening parkeerbelastingen Bergen op Zoom, er sprake is van parkeren, waarvoor parkeerbelasting verschuldigd is. Nu de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
Voor zover belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag te hoog is, omdat hij slechts € 1,20 te weinig parkeerbelasting heeft voldaan, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens het bepaalde in artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet is de heffingsambtenaar bevoegd om bij naheffing standaard een forfaitair bedrag gelijk aan de verschuldigde parkeerbelasting voor een uur in rekening te brengen, ongeacht of voor een deel van het uur wel parkeerbelasting is voldaan.2De kosten van de naheffingsaanslag (€ 68,05) zijn vastgesteld in artikel 10 van de Verordening, gelezen in samenhang met onderdeel 2 van de Tarieven- en kostentabel (bijlage bij de Verordening). De naheffingsaanslag is dus niet te hoog vastgesteld. Betreffende de redelijkheid van de hoogte van de naheffingsaanslag is de rechter is niet bevoegd om de redelijkheid van de wet te toetsen.3
De omstandigheid dat belanghebbende haast had en geen gevaar heeft veroorzaakt, leidt niet tot een ander oordeel. De naheffingsaanslag is geen bestraffing, maar een naheffing van gelden die belanghebbende overeenkomstig de wet verschuldigd is geworden. Het antwoord op de vraag of sprake is van verwijtbaar handelen of voor een risico waarvan belanghebbende de verantwoordelijkheid draagt, is dus geen sprake.
De beroepsgronden van belanghebbende slagen niet.