Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-06-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3949, BRE 23/1689

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-06-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3949, BRE 23/1689

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10 juni 2024
Datum publicatie
17 juni 2024
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2024:3949
Zaaknummer
BRE 23/1689
Relevante informatie
Art. 225 Gemw

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Beroep ongegrond.

Uitspraak

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 23/1689


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2024 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar,

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 februari 2023.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 25 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar deelgenomen [naam]

1.6.

Belanghebbende heeft een verdagingsverzoek ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Namens belanghebbende is niemand verschenen.

2 Feiten

2.1.

De auto met [kenteken] stond op 22 november 2022 omstreeks 10:23 uur stil aan [adres] te Breda . Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat op dat moment geen parkeerbelasting was voldaan.

2.2.

Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 59,- bestaande uit een bedrag aan belasting van € 57,50 en € 1,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.

3 Beoordeling door de rechtbank

3.1.

De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3.2.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de aanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Vooraf: afwijzing verdagingsverzoek

3.3.

Belanghebbende heeft verzocht om verdaging van de behandeling van het beroep op de zitting van 25 april 2024 omdat hij op deze datum niet in Nederland is. De rechtbank heeft in het licht van een goede procesgang en voortgang van de zaak besloten de zitting door te laten gaan en daaraan voorrang te geven boven het belang van belanghebbende om de behandeling van de zaak te laten plaatsvinden op een ander moment. Bij deze beslissing heeft de rechtbank meegewogen dat belanghebbende het verdagingsverzoek niet eerder – binnen één week na de uitnodiging – heeft ingediend en dat geen andere of bijkomende bijzondere omstandigheden ter onderbouwing van het verdagingsverzoek zijn gesteld. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de pleitnota van belanghebbende, gedateerd op 19 april 2024.

Toetsingskader van de rechtbank

3.4.

Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening Parkeerbelasting Breda 2022 (de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

Standpunten van partijen

3.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat geen sprake is van parkeren, maar van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. Ter onderbouwing voert hij het volgende aan. Twee collega’s van belanghebbende kwamen hem in een huurauto ophalen voor een zakelijke trip naar Duitsland. De huurauto werd voor de oprit van belanghebbende stilgezet, beide collega’s zijn uitgestapt en hebben aangebeld bij belanghebbende. Vervolgens heeft belanghebbende zijn jas aangetrokken en zijn koffer gepakt en toen zijn ze vertrokken. Belanghebbende stelt dat hij enkel de tijd heeft gebruikt die nodig is om zijn jas aan te trekken en zijn koffer te pakken, maar betwist niet dat dit enige tijd heeft geduurd. Uit zijn berekening volgt dat hij 11 minuten stil zou hebben kunnen staan, maar denkt dat het in werkelijkheid nog geen 5 minuten is geweest.

3.6.

De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat er wel sprake is van parkeren en verwijst naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem, waarin is bepaald dat onder het begrip “onmiddellijk in- of uitstappen” slechts handelingen kunnen worden verstaan die een daadwerkelijk in- en uitstappen in de auto vormen.1 Het gedurende enkele minuten achterlaten van de auto, zoals in onderhavig geval is gebeurd kan daaronder niet worden begrepen, aldus de heffingsambtenaar.

Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?

3.7.

Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 22 november 2022 om 10:23 stilstond stond aan [adres] te Breda . Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. (artikel 1 onder a van de Verordening en artikel 1 van het Aanwijzingsbesluit Parkeerbelastingen 2022).

3.8.

Belanghebbende stelt dat hij enkel de tijd heeft gebruikt die nodig is om zijn jas aan te doen en zijn koffer te pakken. De rechtbank overweegt dat onder het begrip ‘onmiddellijk in- of uitstappen’ als bedoeld in de Verordening slechts handelingen kunnen worden verstaan die een daadwerkelijk in- en uitstappen uit de auto vormen. Een passagier moet wel een redelijke tijd krijgen voor het instappen, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval. (Hof Arnhem van 16 juli 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AI1627 en Hof Den Haag van 19 april 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:657). In dit geval is de auto door de bestuurder stil gezet, deze is samen met de mede-passagier uitgestapt en naar de woning gelopen waar belanghebbende zich bevond. Belanghebbende heeft toen zijn spullen gepakt. Belanghebbende denkt zelf dat een en ander maximaal 5 minuten heeft geduurd. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze situatie sprake van meer handelingen dan het ‘onmiddellijk in- of uitstappen’. Onmiddellijk betekent naar het oordeel van de rechtbank namelijk dat een passagier al klaar staat om in te stappen en niet dat de bestuurder nog enige tijd, hoe kort dan ook, moet wachten. Er is dus sprake geweest van parkeren. Dat betekent dat parkeerbelasting was verschuldigd.

3.9.

Hoewel de rechtbank de irritatie aan de zijde van belanghebbende begrijpt, komt zij tot het oordeel dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.

4 Conclusie en gevolgen