Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-07-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4748, BRE 23/79

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-07-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4748, BRE 23/79

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10 juli 2024
Datum publicatie
16 juli 2024
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2024:4748
Zaaknummer
BRE 23/79
Relevante informatie
Art. 220 Gemw, Art. 22 Wet WOZ, Art. 30a Wet WOZ

Inhoudsindicatie

Beroep aanslag OZB gebruiker. Beroep ongegrond.

Uitspraak

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 23/79


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2024 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,

(gemachtigde: [naam 1] , verbonden aan [B.V.] ),

en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 november 2022.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 25 februari 2022 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats 2] (hierna: object) op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 2.423.000,-. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende de aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker van de gemeente Moerdijk voor het jaar 2022 opgelegd.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 1 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [naam 2] (namens belanghebbende) en [naam 3] (namens de heffingsambtenaar).

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van het object, dat betreft een voormalig suikerdepot aan de [adres] te [plaats 2] .

2.2.

In geschil is of de onroerendezaakbelasting gebruiker terecht is opgelegd aan belanghebbende.

3 Beoordeling door de rechtbank

3.1.

De rechtbank beoordeelt of de aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker terecht aan belanghebbende is opgelegd voor het belastingjaar 2022.

3.2.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de onroerendezaakbelasting gebruiker terecht opgelegd aan belanghebbende. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Toetsingskader van de Rechtbank

3.3.

Op grond van artikel 220, sub a, van de Gemeentewet en artikel 1, eerste lid, sub a, van de Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen Moerdijk 2022 (hierna: de Verordening) is degene die op 1 januari gebruiker was van een pand, belasting over dat kalenderjaar verschuldigd. Daarmee is de belasting een zogenoemde tijdstipbelasting. De vraag die aan de rechtbank voorligt is of belanghebbende kan worden aangemerkt als gebruiker in de zin van de Verordening. Daartoe oordeelt de rechtbank als volgt.

Standpunten van partijen

3.4.

Belanghebbende stelt dat aan haar ten onrechte een aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker is opgelegd omdat zij op 1 januari 2022 geen feitelijk gebruiker was van het object. Het object stond immers leeg, aldus belanghebbende. Belanghebbende verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Limburg1, waarbij de rechtbank oordeelde dat een aanslag gebruikersbelasting onterecht was opgelegd omdat het object van overheidswege niet toegankelijk was voor publiek en daardoor niet geëxploiteerd kon worden. Nu het object leegstond is er geen sprake van feitelijk gebruik, aldus belanghebbende.

3.5.

De heffingsambtenaar stelt dat belanghebbende wel kan worden aangemerkt als gebruiker van het object. Belanghebbende is eigenaar van het object en wil op deze locatie appartementen gaan bouwen, aldus de heffingsambtenaar. Om dit mogelijk te maken liep tussen juli 2021 en februari 2022 een vergunningsprocedure. Hoewel er op de peildatum mogelijk nog geen sprake was van feitelijk gebruik, omdat de vergunningen bijvoorbeeld nog niet waren verleend, maakt dit volgens de heffingsambtenaar niet dat belanghebbende niet kan worden aangemerkt als gebruiker in de zin van de Verordening. Daarmee is de aanslag gebruikersbelasting terecht opgelegd aan belanghebbende, aldus de heffingsambtenaar.

Oordeel van de rechtbank

3.6.

Voor de vraag of belanghebbende kan worden aangemerkt als gebruiker in de zin van de Verordening geldt als uitgangspunt dat de Hoge Raad het begrip ‘gebruik’ van een onroerende zaak uitlegt als: het metterdaad bezigen ter bevrediging van de eigen behoeften. Het gaat niet om het louter beschikbaar houden van de onroerende zaak, maar de belastingplichtige moet er daadwerkelijk iets mee doen, waarbij ook het bewust leeg laten staan van de onroerende zaak als een vorm van gebruik wordt aangemerkt. Er heeft een wijziging van de wet en regelgeving plaatsgevonden waarbij de belasting niet langer werd geheven van de ‘feitelijk gebruiker’ maar van de ’gebruiker’ (Kamerstukken 1989-1990, 21 591). Daaruit blijkt dat deze verruiming van het begrip gebruiker voornamelijk is ingegeven door de wens een einde te maken aan de ongewenst geachte situatie dat geen gebruiker kan worden aangewezen (ondernummer 3, blz. 20 en 21).

3.7.

Onweersproken is door de heffingsambtenaar gesteld dat van juli 2021 tot en met februari 2022 een vergunningsprocedure liep teneinde de herontwikkeling van het object. Daarmee heeft belanghebbende het object bewust leeg laten staan in afwachting van een omgevingsvergunning. Belanghebbende kan daarmee worden aangemerkt als gebruiker. Tegelijkertijd was belanghebbende in die periode, en dus ook op 1 januari 2022, bezig met het herontwikkelen van het object door daar een invulling aan te geven zoals die uiteindelijk is verwoord in de voormelde procedure.

3.8.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende dan ook terecht als gebruiker is aangeslagen voor de OZB.

Vergoeding van immateriële schade

3.9.

Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.10.

De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 13 maart 2022. De rechtbank doet uitspraak op 10 juli 2024, waarmee de redelijke termijn is overschreden met afgerond 4 maanden.

3.11.

Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn in gevallen waar sprake is van een waardebepaling in het kader van de Wet WOZ, dan wel van aanslagen opgelegd door een heffingsambtenaar ziet de rechtbank aanleiding de omvang van deze vergoeding te bepalen op € 50 per (gedeelte van een) half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarbij acht de rechtbank bepalend dat het financiële belang in de regel minder is dan een bedrag van € 500 en de veronderstelde spanning en frustratie een vergoeding tot ten hoogste € 50 per half jaar overschrijding rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dan ook recht op een schadevergoeding van € 50. Deze vergoeding moet rechtstreeks aan belanghebbende zelf worden betaald.2

3.12.

De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 15 december 2022. De bezwaarfase heeft afgerond tien maanden geduurd en daarmee drie maanden te lang. Dit brengt mee dat de immateriële schadevergoeding geheel voor rekening komt van de heffingsambtenaar.

4 Conclusie en gevolgen