Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-07-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5106, 22/1505

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-07-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5106, 22/1505

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24 juli 2024
Datum publicatie
2 augustus 2024
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2024:5106
Zaaknummer
22/1505
Relevante informatie
Art. 225 Gemw

Inhoudsindicatie

Kostenvergoeding in bezwaar. Parkeerbelasting.

Uitspraak

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 22/1505


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2024 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: [naam]),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 februari 2022.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag vernietigd en aan belanghebbende een vergoeding van de kosten in bezwaar toegekend voor een bedrag van € 132,50. Vervolgens is belanghebbende in beroep gekomen tegen de hoogte van de vergoeding.

1.4.

De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank bij berichten van 27 juni 2024 onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

1.6.

De rechtbank merkt op dat per abuis op 5 juni 2023 brieven met betrekking tot verlenging van de termijn voor het doen van uitspraak zijn verzonden. Met de brieven heeft de rechtbank bedoeld kenbaar te maken dat de afwikkeling van het dossier langer op zich liet wachten. De formele sluiting van het onderzoek heeft plaatsgevonden door middel van de berichten zoals hiervoor omschreven.

1.7.

Ook merkt de rechtbank op dat zij het betreurt dat de afwikkeling van het dossier langer heeft geduurd dan wenselijk is.

2 Feiten

2.1.

De bij uitspraak op bezwaar toegekende kostenvergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De heffingsambtenaar heeft aan het indienen van het bezwaarschrift één punt heeft toegekend met een wegingsfactor van 0,5 met een waarde per punt van € 2651, derhalve een vergoeding van € 132,50.

2.2.

De heffingsambtenaar heeft na het ingestelde beroep aan belanghebbende een ambtshalve correctie van de vergoeding van de proceskosten toegezonden en daarin de toegekende vergoeding verhoogd tot € 134,50.

3 Beoordeling door de rechtbank

3.1.

De rechtbank neemt in haar overweging mee dat de heffingsambtenaar in beroep heeft erkend dat belanghebbende voor de bezwaarfase recht heeft op een hogere vergoeding voor de gemaakte kosten. Waar aanvankelijk een bedrag van € 132,50 was toegekend, is dit bijgesteld naar € 134,50. Daarbij is de heffingsambtenaar nu wel uitgegaan van de juiste versie van het Besluit proceskosten bestuursrecht, namelijk versie 2022.

3.2.

Ook van belang is het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 20242 waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld over de hoogte van de kostenvergoedingen in bezwaar, specifiek punt 1 van onderdeel B2 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank heeft in het bekend worden van dit arrest geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. Redengevend is dat de rechtbank geen grond ziet voor het doen herleven van het partijdebat over de hoogte van de vergoeding. De rechtbank past het arrest ambtshalve toe in deze zaak. De waarde per punt voor de kostenvergoeding voor bezwaar moet worden vastgesteld op basis van punt 2 van onderdeel B2 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, ofwel € 624.

3.3.

Gelet op het bovenstaande is de uitspraak op bezwaar niet juist en komt deze reeds hierom voor vernietiging in aanmerking.

3.4.

Niet in geschil is dát belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten van het bezwaarschrift, dus 1 punt op basis van het Bpb. De resterende vraag is of aan die proceshandeling een wegingsfactor van 1 of van 0,5 moet worden toegekend. De rechtbank volgt hierin de heffingsambtenaar, onder verwijzing naar staande jurisprudentie.3 Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat daarvan wordt afgeweken. Het belang van rechtseenheid is daarom doorslaggevend. Naar de huidige stand van wetgeving en jurisprudentie heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de kosten in bezwaar van 0,5 maal € 624, dus € 312.

4 Conclusie en gevolgen

5 Beslissing