Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20-08-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5686, BRE - 23_11113 en 23 _ 11114
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20-08-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5686, BRE - 23_11113 en 23 _ 11114
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 20 augustus 2024
- Datum publicatie
- 5 september 2024
- Zaaknummer
- BRE - 23_11113 en 23 _ 11114
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 4 Uitv.reg. WOZ, Art. 7:7 Awb
Inhoudsindicatie
WOZ niet-woningen, GVW
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/11113 en 23/11114
[belanghebbende] , gevestigd te [plaats 1] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant (gemeente Breda), de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 november 2023.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen van 25 februari 2023 de waarde van de volgende onroerende zaken vastgesteld:
- -
-
[adres 1] te [plaats 2] op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) op € 624.000;
- -
-
[adres 2] te [plaats 2] op 1 januari 20221 (de waardepeildatum) op € 2.430.000;
In hetzelfde geschrift heeft de heffingsambtenaar ook de aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) en watersysteemheffing voor het jaar 2023 opgelegd. De waardebeschikkingen zijn vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de waardebeschikkingen en de aanslagen bij uitspraak op bezwaar afgewezen.
De rechtbank heeft de beroepen op 23 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde, en namens de heffingsambtenaar, [naam] , [taxateur 1] (taxateur) en [taxateur 2] (taxateur).
De rechtbank heeft het verzoek van de gemachtigde om de zitting digitaal bij te wonen afgewezen. De gemachtigde heeft geen bijzondere omstandigheid aangevoerd die maakt dat hij de zitting niet fysiek kan bijwonen.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van beide onroerende zaken.
Het object aan de [adres 1] betreft een kinderopvangcentrum uit 1978 met twee bouwlagen. De oppervlakte van de begane grond is 542 m² en de oppervlakte van de eerste verdieping is 258 m². Op beide verdiepingen bevinden zich lokalen ten behoeve van de kinderopvang.
Het object aan de [adres 2] betreft een school voor beroepsonderwijs voor jongeren tussen de 12 en 18 jaar. Het object is gebouwd in 1978 en bestaat uit drie verdiepingen en een kelder (het hoofdgebouw) en een sporthal. Daarnaast behoort tot het object ook een noodlokaal uit 2016. De totale oppervlakte van het object bedraagt 3.572 m².
Beide objecten liggen op het kadastrale [perceel] met een oppervlakte van 6.320 m². Van dit perceel heeft de heffingsambtenaar 1.600 m² toegerekend aan het kinderopvangcentrum en 4.720 m² aan de school.