Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-09-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6244, BRE 22/5501

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-09-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6244, BRE 22/5501

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
9 september 2024
Datum publicatie
12 september 2024
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2024:6244
Zaaknummer
BRE 22/5501
Relevante informatie
Art. 223 Gemw, Art. 3:2 Awb

Inhoudsindicatie

Forensenbelasting, ter beschikking voor eigen gebruik

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 22/5501

[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 7 november 2022.

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag forensenbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen die aanslag ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 2 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] , en namens de heffingsambtenaar [naam 3] en [naam 4] .

1.4.

De rechtbank heeft aan het einde van de zitting de behandeling geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat om de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen en belanghebbende hierop te laten reageren. Partijen hebben gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

1.5.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en een uitspraak aangekondigd. De rechtbank heeft daarna de termijn voor het doen van een uitspraak met zes weken verlengd.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning aan [adres], huisje nr. [nummer], te [plaats 2] (de vakantiewoning) per 3 mei 2021. Zij heeft haar hoofdverblijf buiten de gemeente Schouwen-Duivenland.

2.1.

Bij verwerving van de vakantiewoning in 2021 heeft belanghebbende de verhuurbemiddelingsovereenkomst tussen de voormalige eigenaar en [B.V.] overgenomen. Deze overeenkomst was aangegaan per 30 april 2021 voor een periode van één jaar en bevatte een beperking van 89 dagen per jaar voor eigen gebruik door de eigenaar.

2.2.

Per 15 april 2022 heeft belanghebbende met [B.V.] een nieuwe verhuurbemiddelingsovereenkomst gesloten op grond waarvan de vakantiewoning aan derden werd verhuurd. Deze overeenkomst bevat een beperking van 89 dagen per jaar voor eigen gebruik door belanghebbende.

2.3.

Belanghebbende heeft voor deze procedure [B.V.] verzocht om haar de overeenkomsten van 30 april 2021 en 15 april 2022 toe te sturen. [B.V.] heeft aan dat verzoek gehoor gegeven en in de aanbiedingsbrief bij die twee overeenkomsten het volgende geschreven:

“Bij deze kunnen wij u bevestigen dat u in de periode van 30-04 t/m 03-01-2022 een

overeenkomst heeft gehad met een beperking van 89 dagen eigen gebruik.

In de periode van 03-01-2022 t/m 14-04-2022 is uw recreatiewoning kort uit de verhuur gegaan.

Vanaf 15-04-2022 is er een nieuwe verhuurovereenkomst afgesloten gezien uw recreatiewoning van type is gewijzigd. In de nieuwe verhuurovereenkomst is er ook een beperking van 89 dagen eigen gebruik opgenomen.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.”

2.4.

Verder is in de stukken aanwezig een door [B.V.] opgesteld overzicht waarop is aangegeven dat belanghebbende in het jaar 2022 de vakantiewoning daadwerkelijk 61 dagen voor eigen gebruik heeft gehouden.

2.5.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag forensenbelasting opgelegd over het jaar 2022 van € 890,50 omdat volgens de heffingsambtenaar belanghebbende de vakantiewoning in 2022 meer dan 90 dagen ter beschikking heeft gehad voor eigen gebruik.

Beoordeling door de rechtbank

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep