Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-01-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:82, BRE 22/4900

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-01-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:82, BRE 22/4900

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10 januari 2024
Datum publicatie
19 januari 2024
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2024:82
Zaaknummer
BRE 22/4900
Relevante informatie
Art. 228a Gemw

Inhoudsindicatie

Rioolheffing gebruikersdeel - beroep ongegrond

Uitspraak

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 22/4900


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 januari 2024 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar.

1 Inleiding

1.1.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 15 september 2022.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 mei 2022 een aanslag rioolheffing voor het gebruikersdeel ter hoogte van € 337,56 voor het belastingjaar 2022 opgelegd.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 29 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en [naam] namens de heffingsambtenaar.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft bij beschikking van 31 mei 2022 een aanslag rioolheffing voor het gebruikersdeel opgelegd gekregen.

3 Overwegingen

3.1.

Belanghebbende is gebruiker van het perceel aan de [adres] te [plaats] .

3.2.

Op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van Rioolheffing 2022 van de gemeente Oisterwijk (hierna: de verordening) wordt een gebruikersbelasting geheven aan de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel.

3.3.

Belanghebbende heeft in belastingjaar 2022 een aanslag voor het gebruikersdeel opgelegd gekregen ter hoogte van € 337,56 voor een verbruik van 251 m3 tot en met 500 m3.

3.4.

De rioolheffing wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. Dit aantal kubieke meters wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatst aan het belastingtijdvak voorafgaande afrekenperiode van Brabant Water naar het perceel is toegevoerd of opgepompt.1 Indien een belastingplichtige meent dat deze wijze van vaststellen in zijn geval geen recht doet aan de werkelijkheid, dan moet hij aantonen hoeveel kubieke meter water niet is afgevoerd. Dit wordt dan in mindering gebracht op de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water.

3.5.

Belanghebbende is het niet eens met de hoogte van de aanslag. Hij voert aan dat hij een grote tuin heeft en dat hij vanwege de droge zomer en de lage waterstand in 2020 veel water heeft gebruikt om zijn tuin te besproeien. Dit water wordt niet afgevoerd via het gemeentelijke riool, aldus belanghebbende. Ter onderbouwing van deze stelling heeft belanghebbende schermafbeeldingen van zijn huidige gebruik (anno 2023) aangeleverd, dat significant lager ligt dan het verbruik in 2021, nu hij is gestopt met het besproeien van zijn tuin.Ter zitting heeft hij nog aangevoerd dat hij vindt dat de wijze van berekenen van het afgevoerde water onzorgvuldig is.

3.6.

De rechtbank begint met het laatste punt. In de verordening staat de wijze van vaststellen van het gebruikersdeel beschreven. Daarin staat dus dat dat gebruikersdeel wordt vastgesteld aan de hand van het toegevoerde en opgepompte water volgens de toepasselijke afrekenperiode van Brabant Water. Deze wijze van berekenen is ook niet ongebruikelijk. De heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat de aanslag ook op deze wijze is berekend. Van onzorgvuldigheid in de berekening van de aanslag die is opgelegd aan belanghebbende is dan ook niet gebleken. Voor zover belanghebbende bedoelt dat de verordening op dit punt buiten toepassing zou moeten blijven, geldt dat de rechtbank in het standpunt van belanghebbende geen aanleiding ziet om te concluderen dat er iets mis is met de verordening waardoor deze geheel of gedeeltelijk niet zou gelden. De rechtbank volgt belanghebbende dan ook niet in zijn standpunt.

3.7.

Op grond van de verordening rust op belanghebbende de bewijslast hoeveel kubieke meter water niet is afgevoerd via het riool. Belanghebbende voert weliswaar een reden aan voor zijn standpunt dat niet al het verbruikte water door het riool is afgevoerd – namelijk dat hij zijn tuin gesproeid heeft – maar de heffingsambtenaar betwist dat dit voldoende is om de hoeveelheid water die niet is afgevoerd duidelijk te maken. Dat betekent dat de rechtbank een oordeel moet geven over de vraag of het enkele gegeven dat belanghebbende heeft gesproeid, voldoende is om te concluderen dat de aanslag rioolheffing te hoog is vastgesteld. De rechtbank is, net als de heffingsambtenaar, van oordeel dat belanghebbende niet voldoende heeft aangevoerd voor die conclusie. Het enkele feit dat belanghebbende heeft gesproeid, maakt niet inzichtelijk dat hij voor een lagere gebruikscategorie aangeslagen had moeten worden. Voor die conclusie had belanghebbende zijn standpunt meer handen en voeten moeten geven. Op de vraag van belanghebbende hoe hij dat dan moet doen, merkt de rechtbank op dat het niet aan haar is om dat voor belanghebbende in te vullen, maar dat hij wellicht in andere uitspraken, te vinden via www.rechtspraak.nl, inspiratie kan vinden.

3.8.

Nu belanghebbende niet aan de voornoemde bewijslast heeft voldaan, oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar de hoeveelheid afgevoerd water juist heeft gesteld op het aantal kubieke meters water dat is toegevoerd.

4 Conclusie en gevolgen