Home

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-12-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8957, BRE_24_5398

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19-12-2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8957, BRE_24_5398

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
19 december 2024
Datum publicatie
30 december 2024
ECLI
ECLI:NL:RBZWB:2024:8957
Zaaknummer
BRE_24_5398
Relevante informatie
Art. 8:54 Awb, Art. 22 WOZ, Art. 1:3 Awb

Inhoudsindicatie

8:54; NTB; Als de brief van belanghebbende waarbij belanghebbende heeft verzocht om de WOZ-beschikking op een bepaald bedrag vast te stellen, moet worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, dat is op die aanvraag beslist. Door de WOZ-beschikking op een hoger bedrag vast te stellen dan is verzocht, is het verzoek van belanghebbende afgewezen. Van niet tijdig beslissen is om die reden geen sprake. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 24/5398

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 5 maart 2024.

1.1.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.1

Is het beroep ontvankelijk?

3. De heffingsambtenaar dient binnen acht weken na het begin van het kalenderjaar een waardebeschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet WOZ af te geven.2 Belanghebbende heeft in zijn brief van 5 maart 2024 verzocht om de WOZ-beschikking 2024 vast te stellen op een bepaald bedrag. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 maart 2024 de waarde (op een hoger bedrag) vastgesteld.

3.1.

Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar met een brief van 13 mei 2024 in gebreke gesteld. De heffingsambtenaar heeft daar op 14 mei 2024 op gereageerd.

3.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 1 juli 2024 beroep ingesteld, omdat de heffingsambtenaar volgens hem nog niet heeft beslist op de aanvraag van 5 maart 2024.

3.3.

De rechtbank overweegt dat als de brief van belanghebbende van 5 maart 2024 moet worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, dan is met de beschikking van 31 maart 2024 beslist op die aanvraag. Hieraan doet niet af dat de heffingsambtenaar ook ambtshalve gehouden is om de WOZ-beschikking vast te stellen. Door de WOZ-beschikking op een hoger bedrag vast te stellen dan is verzocht, is het verzoek van belanghebbende afgewezen. Van niet tijdig beslissen door het bestuursorgaan is om die reden geen sprake. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

3.4.

Belanghebbende heeft verzocht een dwangsom toe te kennen. Omdat de ingebrekestelling is verzonden nadat de WOZ-beschikking is afgegeven, bestaat er geen recht op een dwangsom.

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over verzet