Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 06-10-2016, ECLI:NL:CBB:2016:272, 15/157, 15/158, 15/160, 15/161

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 06-10-2016, ECLI:NL:CBB:2016:272, 15/157, 15/158, 15/160, 15/161

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
6 oktober 2016
Datum publicatie
6 oktober 2016
ECLI
ECLI:NL:CBB:2016:272
Formele relaties
Zaaknummer
15/157, 15/158, 15/160, 15/161

Inhoudsindicatie

Eerstejaars plantuienkartel. ACM heeft terecht vastgesteld dat tussen 18 mei 2009 en 9 juni 2009 sprake was van een onderling afgestemde feitelijke gedraging. Ook heeft ACM terecht vastgesteld dat de op 9 juni 2009 door de betrokken ondernemingen gesloten overeenkomst betrekking had op alle rassen eerstejaars plantuien en niet slechts op het ras Stuttgarter. ACM mocht de boete baseren op de omzet behaald binnen de EU. Het betoog van de ondernemingen dat bepaalde vormen van omzet buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten, zoals de omzet behaald met de levering van plantuien aan andere deelnemers in het kartel, wordt niet door het College gevolgd. Wel is het College van oordeel dat de door ACM gehanteerde ernstfactor van 2 gezien de beperkte gevolgen van de overtreding te hoog is. Het College verlaagt de ernstfactor naar 1,5.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 15/157, 15/158, 15/160 en 15/161

9500

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 oktober 2016 op de hoger beroepen van:

[Vennootschap A1] , te [plaats 1] ,

[Vennootschap A2] B.V., te [plaats 1] ,

[Vennootschap A3] B.V., te [plaats 1] , tezamen appellanten I

(gemachtigden: mr. P.A.L.C. Lamme en mr. W.W. Geursen),

[Vennootschap B2] , te [plaats 2] , appellante II

(gemachtigden: mr. M. de Putter en mr. E.A.W. Driest),

[Vennootschap C1] B.V., te [plaats 2] ,

[Vennootschap C2] B.V., te [plaats 3] ,

[Vennootschap C3] B.V., te [plaats 4] ,

[Vennootschap C4] , te [plaats 5] (Frankrijk),

[Vennootschap C5] B.V., te [plaats 2] , tezamen appellanten III

(gemachtigde: mr. C.E. Schillemans),

[Vennootschap D1] B.V., te [plaats 6] ,

[Vennootschap D2] B.V., te [plaats 6] , tezamen appellanten IV

(gemachtigde: mr. C.E. Schillemans),

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2014 en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 januari 2015, beide met kenmerken ROT 13/4881, 13/4882, 13/4883 en 13/4884, in het geding tussen

appellantenende Autoriteit Consument en Markt (ACM)

(gemachtigden: mr. E.S. Meulman en mr. A.S.M.L. Prompers).

Procesverloop in hoger beroep

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 24 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:5930) en de uitspraak van de rechtbank van 15 januari 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:91).

ACM heeft een reactie op de hogerberoepschriften ingediend.

Ten aanzien van een aantal stukken die ACM verplicht is over te leggen heeft zij medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 1 juni 2016 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd geacht voor de in de stukken met volgnummers 42 en 43 en prismanummers 6987_1/79, 6987_1/80 en 6987_1/81 vervatte persoonsnamen. Bij brief van 14 juni 2016 heeft ACM nieuwe openbare versies van deze stukken aan het College en aan de andere partijen gezonden. Voor de overige stukken heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. De andere partijen hebben het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2016. De gemachtigden van partijen zijn hierbij verschenen. Voorts zijn verschenen [Persoon A1] namens appellanten I, [Persoon B1] namens appellante II, [Persoon C1] , [Persoon C2] en [Persoon C3] namens appellanten III, en [Persoon D1] namens appellanten IV.

Grondslag van het geschil

1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2 ACM is op 8 juni 2010 ambtshalve een onderzoek gestart naar een mogelijke overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet (Mw) en/of artikel 101, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) door ondernemingen die actief zijn op het gebied van telen, verwerken en verhandelen van eerstejaars plantuien. Op basis van de resultaten van dit onderzoek stelt ACM dat [Vennootschap C1] B.V. en [Vennootschap C4] (hierna tezamen: [Onderneming C] ), [Vennootschap D1] B.V. (hierna: [Onderneming D] ), [Vennootschap B1] B.V. (thans: [Vennootschap B2] , hierna ook: [Onderneming B] ), [Vennootschap E1] B.V. (hierna: [Onderneming E] ), [Vennootschap A1] (hierna: [Onderneming A] ), [Vennootschap F1] B.V. (hierna: [Onderneming F] ) en [Vennootschap G1] B.V. (hierna: [Onderneming G] ) hebben afgesproken om het gezamenlijke aanbod eerstejaars plantuien voor het teeltjaar 2009 te beperken, met het doel schaarste te creëren in de markt en zo een hoger prijsniveau voor eerstejaars plantuien te bewerkstelligen.

1.3 Volgens ACM hebben de betrokken ondernemingen gedurende ongeveer vijf maanden op bijeenkomsten en bilateraal, via de telefoon, e-mail en fax, onderling contact met elkaar gehad. Bij een bijeenkomst op 18 mei 2009 zijn ten minste vijf van de in totaal zeven betrokken ondernemingen tot afstemming van hun toekomstig gedrag overgegaan en hebben zij opties besproken om tot beperking van het totaalaanbod eerstejaars plantuien te komen. Op en na deze bijeenkomst hebben de ondernemingen concurrentiegevoelige informatie uitgewisseld over individuele krimp- en teeltcijfers. Bij een bijeenkomst op 9 juni 2009 hebben de zeven betrokken ondernemingen wilsovereenstemming bereikt over het middel om het totaalaanbod aan eerstejaars plantuien te verminderen. Deze overeenkomst behelsde de vernietiging – door frezen – van een bepaald deel van de in het voorjaar van 2009 ingezaaide hectares (arealen) plantuien. De overeenkomst is uitgevoerd door elk van de ondernemingen doordat door of in opdracht van hen plantuien uit het teeltjaar 2009 zijn vernietigd en doordat zij de betreffende arealen uit de keuringscijfers van de Stichting Nederlandse Algemene Kwaliteitsdienst Tuinbouw (Naktuinbouw) hebben laten verwijderen.

1.4 Nadat Naktuinbouw rond half juni 2009 de cijfers publiceerde van het totaal ingezaaid areaal eerstejaars plantuien voor het oogstjaar 2009, bleek dat deze cijfers (aanzienlijk) afweken van de cijfers die door de betrokken ondernemingen waren afgesproken, aldus ACM. De overzichten van Naktuinbouw lieten slechts een krimp van 103 hectare zien, in plaats van de door de ondernemingen besproken krimp van circa 330 hectare. In reactie hierop hebben de betrokken ondernemingen volgens ACM getracht te achterhalen wat de oorzaak voor deze afwijking was. De heer [Persoon D1] van [Onderneming D] heeft zowel bij de betrokken ondernemingen, als bij niet betrokken concurrenten, de door Naktuinbouw gecontroleerde teeltgegevens – welke gegevens normaliter bedrijfsvertrouwelijk zijn – van het uienras Stuttgarter voor de teeltjaren 2008 en 2009 opgevraagd. Op 25 september 2009 vond een laatste bijeenkomst plaats tussen alle betrokken ondernemingen over het beperken van het gezamenlijk aanbod aan eerstejaars plantuien. Een tijdens deze bijeenkomst gedaan voorstel om tot een krimp van het areaal voor teeltjaar 2010 te komen is op niets uitgelopen, onder meer doordat [Onderneming G] en [Onderneming B] niet meer wensten deel te nemen aan de contacten. Vanwege het vertrek van deze twee ondernemingen, en het gebrek aan vertrouwen tussen de overgebleven ondernemingen, is de poging om het in te zaaien areaal voor teeltjaar 2010 af te stemmen in een vroeg stadium gestrand.

1.5 Volgens ACM vormen de bovengenoemde elementen tezamen een horizontale afspraak, aanvankelijk in de vorm van een onderling afgestemde feitelijke gedraging en vervolgens (tevens) in de vorm van een overeenkomst tussen de betrokken ondernemingen. Van afstemming was sprake zolang de betrokken ondernemingen, met het oog op een gezamenlijke inspanning om tot een beperking van het aanbod te komen, informatie uitwisselden. Van een overeenkomst was sprake zodra de betrokken ondernemingen zich jegens elkaar verbonden tot het vernietigen van een bepaald deel van het reeds ingezaaide areaal. Deze horizontale afspraak vormt een overtreding van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de Mw, alsmede van artikel 101, eerste lid, van het VWEU.

1.6 ACM stelt dat de overtreding door [Onderneming B] , [Onderneming D] en [Onderneming C] op 18 mei 2009 is begonnen en de overtreding door [Onderneming A] op 9 juni 2009. Aangezien de verkoopperiode van de oogst van eerstejaars plantuien uit het teeltjaar 2009 liep tot eind april 2010, heeft ACM vastgesteld dat voornoemde afstemming/afspraak effect sorteerde – en dat daarmee de overtreding doorliep – tot en met 30 april 2010.

1.7 In haar besluit van 18 december 2012, waartegen het (rechtstreekse) beroep bij de rechtbank was gericht, heeft ACM de overtreding van [Onderneming A] mede toegerekend aan [Vennootschap A2] B.V. en [Vennootschap A3] B.V. en aan hen een boete opgelegd van € 260.000,--. Aan [Onderneming B] heeft ACM een boete opgelegd van € 595.000,--. De overtreding van [Onderneming C] heeft ACM mede toegerekend aan [Vennootschap C5] B.V., [Vennootschap C2] B.V. en [Vennootschap C3] B.V. ACM heeft aan deze vennootschappen een boete opgelegd van € 1.824.000,--. Tot slot heeft ACM de overtreding van [Onderneming D] mede toegerekend aan [Vennootschap D2] B.V. en aan hen een boete opgelegd van € 600.000,--.

Uitspraken van de rechtbank

2.1 De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 24 juli 2014, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2 In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een afspraak over een productie-/aanbodbeperking die naar zijn strekking mededingingsbeperkend is. ACM heeft terecht aangevoerd dat de afspraak over de vernietiging van reeds ingezaaid areaal eerstejaars plantuien – waarvan appellanten het bestaan niet betwisten – direct invloed heeft gehad op de maximale hoeveelheid eerstejaars plantuien die op de markt kwam. Wanneer kunstmatig (meer) schaarste op de markt wordt gecreëerd, ofwel wanneer de beschikbaarheid van een product afneemt, zal de prijs die voor een product wordt verkregen zich doorgaans hieraan aanpassen. In de voorverkoopperiode is de totale opbrengst van de oogst nog niet bekend en wordt afgegaan op de ingeschatte marktproductie. Door het terugtrekken van de gefreesde percelen bij Naktuinbouw, waardoor deze percelen niet langer in de te publiceren teeltcijfers waren opgenomen, was de ingeschatte marktproductie kleiner dan zij zou zijn geweest zonder de afspraak. Gelet hierop was de afspraak ten aanzien van de voorverkoopperiode van de in 2009 geoogste plantuien concreet geschikt om tot hogere prijzen te leiden. In de periode van de naverkoop werden er als gevolg van de afspraak minder plantuien op de markt aangeboden dan zonder de afspraak het geval zou zijn geweest, waardoor de afspraak ook in die periode concreet geschikt was om tot hogere prijzen te leiden.

2.3 De rechtbank is met ACM van oordeel dat de afspraak niet beperkt was tot het ras Stuttgarter. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen van de heren [Persoon A2] ( [Onderneming A] ) en [Persoon C1] ( [Onderneming C] ), die beiden hebben verklaard dat het terugbrengen van het totaalaanbod aan eerstejaars plantuien het onderwerp van gesprek was. Ook uit het document “Bespreekpunten bijeenkomst: “We willen wat verdienen”, en het “praatstuk” afkomstig van [Onderneming F] , blijkt dat de afspraak niet alleen zag op Stuttgarter maar ook op andere rassen eerstejaars plantuien. Voorts blijkt uit diverse zich in het dossier bevindende overzichten van vernietigde percelen dat er ook uien van het ras Sturon zijn vernietigd. Dat het merendeel van de vernietigde percelen Stuttgarter betreft, doet daar niet aan af.

2.4 De rechtbank is voorts met ACM van oordeel dat op en na 18 mei 2009 sprake was van onderling afgestemde feitelijke gedragingen die een overtreding vormden van artikel 6 van de Mw en artikel 101 van het VWEU. Uit de verklaringen van de heren [Persoon F1] ( [Onderneming F] ) en [Persoon D1] ( [Onderneming D] ), alsmede uit het document “Bespreekpunten bijeenkomst: “We willen wat verdienen”, blijkt dat er concurrentiegevoelige informatie is uitgewisseld, dat de ondernemingen daarover met elkaar hebben gepraat en dat de ondernemingen ook hebben gereageerd op de uitnodiging om op 18 mei 2009 te verschijnen om te praten over krimp en de mogelijkheid van vernietiging van arealen. De ondernemingen konden de verkregen informatie op dat moment ook gebruiken in hun onderhandelingen en daarmee rekening houden in hun marktgedrag. De normaliter tussen ondernemingen bestaande onzekerheid over de hoeveelheid eerstejaars plantuien die een concurrent kon verkopen en dus het aantal afnemers dat men kon beleveren, werd zo (deels) weggenomen en vervangen door feitelijke samenwerking. [Onderneming B] , [Onderneming D] en [Onderneming C] hebben zich niet publiekelijk gedistantieerd, zij zijn actief gebleven op de markt voor eerstejaars plantuien en zij hebben geen bewijs geleverd dat deze afstemming geen invloed op hun marktgedrag heeft gehad.

2.5 ACM mocht de boetegrondslag naar het oordeel van de rechtbank naar rato vaststellen op de waarde van alle transacties die door de betrokken onderneming in de Europese Unie (EU) zijn verricht op het gebied van teelt, verwerking en verkoop van eerstejaars plantuien in de periode waarin deze onderneming deelnam aan de verboden gedragingen. ACM gaat bij de vaststelling van de betrokken omzet niet uit van “besmette” omzet, zodat het betoog van appellanten dat omzet die aantoonbaar bestaat uit transacties waarvan de prijsonderhandelingen al waren afgerond toen de afspraak tot stand kwam, buiten beschouwing zou moeten blijven, reeds daarom geen doel kan treffen. Het betoog van appellanten dat ACM ten onrechte omzet heeft meegenomen die is behaald met plantuien die niet door de individuele ondernemer zijn geteeld, maar door haar zijn ingekocht bij andere telers en door haar zijn doorverkocht, wordt evenmin door de rechtbank gevolgd, aangezien de individuele onderneming met deze doorverkoop van plantuien zelf omzet heeft gegenereerd.

2.6 Wat betreft de stelling van appellanten II, III en IV dat ACM ten onrechte buiten Nederland gerealiseerde omzet heeft meegenomen bij de vaststelling van de boetegrondslag, is de rechtbank – onder verwijzing naar haar uitspraak van 20 maart 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:2045) – van oordeel dat ACM bij de boeteberekening de betrokken omzet voor appellanten heeft kunnen vaststellen op de waarde van alle transacties die door hen in de EU zijn verricht op het gebied van teelt, verwerking en verkoop van plantuien in de periode waarin appellanten deel namen aan de verboden gedragingen. De rechtbank is echter met appellanten van oordeel dat ACM in het bestreden besluit de hoogte van de boetegrondslag onvoldoende heeft gemotiveerd. Uit het besluit en de gedingstukken valt niet op voorhand op te maken hoe ACM tot de berekende boetebedragen is gekomen en daarmee samenhangend of, en zo ja, op welke wijze zij bij het bepalen van de betrokken omzet de omzet die behaald is in landen buiten de EU (waaronder Rusland) buiten beschouwing heeft gelaten.

2.7 De rechtbank acht de door ACM vastgestelde ernstfactor van 2 passend. Er is sprake van een horizontale afspraak inhoudend een productiebeperking die geschikt was om de prijzen voor eerstejaars plantuien op een hoger niveau te brengen dan onder normale mededingingscondities het geval zou zijn, althans te voorkomen dat deze verder zouden dalen. Voorts is er sprake van een hoog gezamenlijk marktaandeel en betreft het de belangrijkste aanbieders van eerstejaars plantuien op de markt in de EU. Doordat appellanten belangrijke concurrenten van elkaar zijn bij het telen en verwerken van eerstejaars plantuien zijn zij in staat om ten aanzien van hun afnemers grote invloed uit te oefenen op het aanbod en de prijs van eerstejaars plantuien. ACM heeft in aanmerking genomen dat de afspraak niet marktdekkend was en dat niet-deelnemende concurrenten concurrentiedruk konden uitoefenen. Afnemers stonden dus nog alternatieven ter beschikking. Met deze laatste omstandigheid heeft ACM naar het oordeel van de rechtbank bij het bepalen van de ernstfactor voldoende rekening gehouden. Voorts is van belang dat de afspraak geschikt was om tot hogere prijzen te leiden, alsmede dat partijen in de praktijk ernaar hebben gestreefd hogere prijzen te bewerkstelligen. Van een ongerechtvaardigd hoge ernstfactor in vergelijking met de factor toegepast in de paprikazaak is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

2.8 De rechtbank heeft ACM in de tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld om het gebrek inzake de motivering van de hoogte van de boetegrondslag te herstellen. Bij brief van 18 augustus 2014 heeft ACM van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

2.9 In de uitspraak van 15 januari 2015 heeft de rechtbank overwogen dat ACM in haar brief van 18 augustus 2014 inzicht heeft gegeven in de boeteberekening en duidelijk heeft gemaakt dat omzet die is behaald in landen buiten de EU (waaronder Rusland) buiten beschouwing is gelaten. De rechtbank is van oordeel dat ACM hiermee het gebrek heeft hersteld. In deze uitspraak is voorts overwogen dat, nu in de tussenuitspraak al is geoordeeld dat ACM omzet behaald met doorverkoop van bij andere telers ingekochte plantuien mee kan nemen bij het bepalen van de betrokken omzet, de zienswijzen van appellanten I, II en IV op dit punt niet kunnen worden gevolgd. De zienswijze van appellanten I richt zich verder op punten waarover de rechtbank in de tussenuitspraak bindende eindoordelen heeft gegeven. Hiervan kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden teruggekomen. Zo'n geval doet zich hier niet voor, aldus de rechtbank. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, verklaart de rechtbank de beroepen wegens een motiveringsgebrek gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Nu ACM bij brief van 18 augustus 2014 het motiveringsgebrek heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, in stand te laten.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3 Inleiding

Appellanten hebben de uitspraken van de rechtbank op diverse onderdelen bestreden. In het navolgende zal het College de aangevoerde gronden, door het College gerubriceerd naar de in de tussenkopjes genoemde onderwerpen, beoordelen. Daarbij zal het College per gerubriceerd geschilpunt na de – samengevatte – weergave van de standpunten van partijen de beoordeling laten volgen. Ten slotte volgt onder 12 de conclusie ten aanzien van de hoger beroepen.

4 4. Het beginpunt van de overtreding

Standpunt appellanten II, III en IV

4.1.1 Appellanten II, III en IV betogen dat de overtreding niet op 18 mei 2009 kan zijn aangevangen, aangezien er op dat moment nog geen sprake was van afstemming. Eerst op 9 juni 2009 kwam een afspraak tot stand om de productie van eerstejaars plantuien te beperken. Uit de verklaringen van de heren [Persoon F1] en [Persoon D1] blijkt dat er bij de bijeenkomst van 18 mei 2009 (nog) geen overeenstemming was over het frezen van arealen. Hetgeen zich tussen 18 mei 2009 en 9 juni 2009 heeft voorgedaan, kan volgens appellanten III en IV hooguit worden gekwalificeerd als een poging tot een afspraak te komen. Een poging een overeenkomst in de zin van het kartelverbod tot stand te brengen is geen overtreding. De ondernemingen konden er na de bijeenkomst van 18 mei 2009 niet op vertrouwen dat er een afspraak zou worden gemaakt om de productie te beperken. Van uitwisseling van informatie waarmee rekening kon worden gehouden in onderhandelingen of bij het bepalen van marktgedrag was geen sprake, aangezien partijen het oneens waren. Tussen 18 mei 2009 en 9 juni 2009 hebben de ondernemingen hun eigen koers bepaald, aldus appellanten III en IV. Dit werd pas anders met de totstandkoming van de afspraak op 9 juni 2009. Volgens appellante II is niet voldaan aan de voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging geldende vereisten, zijnde afstemming tussen concurrenten, daarop gebaseerd marktgedrag, en een oorzakelijk verband tussen beide.

4.1.2 Appellante II betoogt voorts dat ACM niet heeft bewezen dat zij heeft deelgenomen aan de bijeenkomst van 18 mei 2009. De heer [Persoon B1] heeft op 15 juni 2011 verklaard niet te hebben deelgenomen aan een bijeenkomst op die datum. Volgens zijn verklaring was hij voor het eerst aanwezig bij een vergadering bij [Onderneming C] in juni. Appellante II betoogt dat het niet aannemelijk is dat [Persoon B1] hier niet de waarheid spreekt, aangezien hij openlijk verklaart over de afspraak en zijn aandeel daarin, zonder dat hij zich beroept op zijn zwijgrecht of zijn recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor. ACM baseert haar conclusie dat [Onderneming B] vanaf 18 mei 2009 aan de afspraak heeft deelgenomen onder meer op de verklaring van [Persoon F1] dat “ [Persoon B1] of [Persoon B2] ” aanwezig was bij de bijeenkomst. Appellante II betoogt dat de heer [Persoon B2] niet betrokken is geweest bij de besprekingen. Daarnaast blijkt uit door appellante II overgelegde foto’s dat de heer [Persoon B2] in het geheel niet op de heer [Persoon B1] lijkt. [Persoon D1] heeft aangegeven dat de heer [Persoon B1] er op 18 mei 2009 bij zou zijn geweest, terwijl [Persoon E1] niet méér heeft verklaard dan dat “ [Persoon B1] ” aanwezig was. De heer [Persoon C4] was volgens ACM ook aanwezig op de betreffende bijeenkomst en heeft niet verklaard dat de heer [Persoon B1] aanwezig was. Gelet op het voorgaande is niet aangetoond dat [Persoon B1] aan de bijeenkomst van 18 mei 2009 heeft deelgenomen.

Standpunt ACM

4.2.1 ACM betoogt dat het onjuist is om de informatie-uitwisseling die op en vanaf 18 mei 2009 tussen vijf ondernemingen heeft plaatsgehad aan te duiden als een niet-strafbare poging om tot een afspraak te komen. Dat informatie is uitgewisseld, blijkt uit verschillende verklaringen en het document “Bespreekpunten bijeenkomst: we willen wat verdienen” van 18 mei 2009. Volgens ACM gaat het erom dat concurrentiegevoelige informatie is uitgewisseld tussen concurrenten, als gevolg waarvan deze concurrenten hun marktgedrag niet meer zelfstandig bepaalden of konden bepalen. [Onderneming D] , [Onderneming B] , [Onderneming F] , [Onderneming E] en [Onderneming C] hebben vanaf 18 mei 2009 tot 9 juni 2009 informatie uitgewisseld en afgestemd over de mogelijkheden om een bepaald doel te bereiken: komen tot een krimp in de markt voor eerstejaars plantuien teneinde de prijzen te verhogen. Zij hebben in deze periode de mogelijkheden op dit gebied gezamenlijk nader uitgewerkt, en hebben ook rekening kunnen houden met de uitgewisselde informatie en de afstemming over het doel een krimp te bewerkstelligen. Vanaf 18 mei 2009 was derhalve sprake van concrete gedragingen die de risico’s van de onderlinge concurrentie welbewust vervingen door feitelijke samenwerking.

4.2.2 De onzekerheid die werd weggenomen zag op het toekomstige marktgedrag van de ondernemingen. De uitgewisselde informatie gaf de aanwezige partijen inzicht in de bedrijfseconomische afwegingen van elk van hen, en verschafte hen bovendien heel specifieke informatie over de staat van de markt indien geen actie zou worden ondernomen. Aangezien in de betreffende periode al contracten werden afgesloten voor het nieuwe oogstjaar 2009 en de prijzen die daarin werden gehanteerd mede gebaseerd waren op vooruitzichten omtrent de grootte van de markt na de oogst, konden de betrokken ondernemingen de verkregen informatie op dat moment ook daadwerkelijk gebruiken in hun onderhandelingen. Dat de vijf partijen op 18 mei 2009 nog geen overeenstemming bereikten over de wijze waarop het doel zou moeten worden bereikt, doet aan het voorgaande volgens ACM niet af. Aangezien alle vijf ondernemingen op de markt voor eerstejaars plantuien actief zijn gebleven, dient volgens vaste jurisprudentie te worden vermoed dat zij bij het bepalen van hun marktgedrag vanaf 18 mei 2009 rekening hebben gehouden met hetgeen zij voorheen hadden besproken. Nu dit vermoeden niet door appellanten is weerlegd, is sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, aldus ACM.

4.2.3 Voorts betoogt ACM dat er voldoende bewijzen zijn waaruit blijkt dat bij de vergadering op 18 mei 2009 een vertegenwoordiger van [Onderneming B] aanwezig was. Dit blijkt allereerst uit de verklaringen van de heren [Persoon E1] , [Persoon D1] en [Persoon F1] , alsmede uit het document “Bespreekpunten bijeenkomst: we willen wat verdienen.” Voorts blijkt dit uit het door [Persoon F1] opgestelde “praatstuk”, dat op 25 mei 2009 door hem aan (onder andere) [Onderneming B] is toegestuurd. Uit de verklaringen en documenten blijkt dat (de onderneming) [Onderneming B] aanwezig was bij de bijeenkomst van 18 mei 2009. Welke vertegenwoordiger voor de onderneming aanwezig was, is volgens ACM niet relevant voor de vaststelling van de overtreding. ACM betoogt dat er geen reden is om meer waarde te hechten aan de verklaring van de heer [Persoon B1] dan aan de andere (belastende) verklaringen, aangezien die verklaringen op eenzelfde wijze tot stand zijn gekomen als de verklaring van [Persoon B1] . Uit het geheel aan bewijsmiddelen blijkt volgens ACM dat [Onderneming B] vanaf 18 mei 2009 betrokken was bij de overtreding.

Beoordeling door het College

4.3.1 Het College stelt vast dat niet in geschil is dat op 9 juni 2009 door de zeven betrokken ondernemingen een de mededinging beperkende overeenkomst is gesloten, ertoe strekkende het aanbod aan eerstejaars plantuien te verminderen door middel van het frezen van reeds ingezaaide arealen. Ter beoordeling van het College staat of ACM terecht heeft vastgesteld dat [Onderneming B] , [Onderneming C] en [Onderneming D] ook in de periode vanaf 18 mei 2009 tot aan de bijeenkomst op 9 juni 2009 hebben deelgenomen aan een overtreding van het kartelverbod in de vorm van een onderling afgestemde feitelijke gedraging.

4.3.2 De heer [Persoon D1] ( [Onderneming D] ) heeft als volgt verklaard over de bijeenkomst van 18 mei 2009:

“Ikzelf had naar aanleiding van dat jaar [toevoeging van het College: 2008] besloten in 2009 minder in te zaaien, en daarmee 20% te krimpen. Nu komen collega’s weleens bij mij langs. Degene die langskwamen in 2009 waren [Persoon B1] , [Persoon E1] en [Persoon F1] . Ik heb toen tegen ze gezegd dat ik 20% minder liet telen en heb gevraagd wat zij deden.

Twee van de drie collega’s die toen langskwamen stelden voor hier een keer over te praten, want straks moesten we weer uien weggooien. Ik heb vervolgens [Persoon C4] gebeld dat andere collega’s bereid zijn te praten over de problemen op de markt met de vraag of hij hier ook over wilde komen praten. Hij had zo zijn bedenkingen. [Onderneming C] is namelijk een vechter die zijn eigen koers vaart.

Uiteindelijk is de afspraak wel doorgegaan. Van tevoren is er meen ik een email gestuurd met de mededeling “ten kantore van [Onderneming D] even een onderhoud” of iets in die richting. Dit was ergens in mei, we waren toen met z’n vijven. Ik heb [Persoon C4] gebeld om te komen. Ik weet niet wie de rest ( [Onderneming B] , [Onderneming E] en [Onderneming F] ) gebeld heeft. [Persoon F1] en [Persoon B1] stelden voor om de vergadering bij mij te houden omdat ik daarvoor de ruimte heb. Daar hebben we met elkaar gepraat en de gevolgen weet je.

(...)

Toen kwam iemand met het idee dat we konden gaan freezen. Dat leek de overige aanwezigen een waanzinnig slecht idee. Degene die het freezen voorstelde vertelde dat het wel mag van de NMa. Dat voorstel hebben we toen geparkeerd. Een ander idee was vervolgens om heel veel plantuien uit de markt te kopen bij anderen en dat desnoods te vernietigen. Maar we wisten niet hoe je dat moest regelen of controleren, dus dat ging ook niet door.”

4.3.3 De heer [Persoon F1] ( [Onderneming F] ) heeft als volgt verklaard over de bijeenkomst van 18 mei 2009:

“Ik heb toen met mijn broer besloten om delen van mijn percelen te vernietigen. (...) Later heb ik met een collega gesproken en heb ik medegedeeld wat ik van plan was. Vervolgens werd ik door hem gebeld om een nadere toelichting te geven op wat ik hem had verteld. Deze collega betrof [Persoon D1] van de [Onderneming D] .

Op 18 mei 2009 was er vervolgens een vergadering waar ik mijn visie heb medegedeeld aan de andere aanwezigen. De andere aanwezigen waren [Persoon B1] of [Persoon B2] , [Persoon C4] (van [Onderneming C] ), [Persoon D1] , [Persoon E1] en ikzelf. (...) Tijdens de vergadering verklaarde iedereen mij eigenlijk voor gek. Later, na deze bijeenkomst, draaiden ze echter bij en gaven ook aan dat zij enkele percelen wilden vernietigen.”

4.3.4 De heer [Persoon E1] ( [Onderneming E] ) heeft als volgt verklaard over de bijeenkomst van 18 mei 2009:

“Aanwezig waren: [Onderneming C] , [Onderneming D] , [Onderneming F] , [Onderneming B] , en ikzelf. Die keer heb ik aangegeven dat we van plan waren te vernietigen vanwege de schade. Andere collega’s gaven dit ook aan. Ik weet niet meer van wie het initiatief kwam, maar niet van mij. Het was niet een plan om te vernietigen, iedereen deelde mee wat zij toch al van plan waren.

U vraagt mij of er documenten zijn gedeeld. Er zijn heel veel documenten gemaakt maar daar heb ik niet veel mee te maken. Ik heb wel wat schema’s gezien met daarop wie wat aan hectare verbouwt. Ik weet niet wie ze gemaakt heeft. Ik heb die schema’s wel gezien, maar ik heb er voor de rest weinig mee gedaan.”

4.3.5 Het document “Bespreekpunten bijeenkomst “We willen wat verdienen”, dat tijdens de bijeenkomst van 18 mei 2009 is besproken, vermeldt onder meer:

“- We zijn hier met ruim 70% van totale areaal NL. tenminste 1400 ha.

- Volstrekte geheimhouding buitenom de groep

- Puntjes zijn leidraad, geen verplichting, maar gespreksstof!

In toekomst zouden we moeten streven naar een krimp van 20% t.ov. 2008, op basis van wat ieder bedrijf in 2008 heeft geteeld als uitgangspunt! Minder doen en meer verdienen!”

4.3.6 Ten aanzien van de betrokkenheid van [Onderneming B] bij de bijeenkomst van 18 mei 2009 overweegt het College als volgt. De heren [Persoon E1] , [Persoon D1] en [Persoon F1] hebben allen verklaard dat (een vertegenwoordiger van) [Onderneming B] bij de bijeenkomst aanwezig was. Naar het oordeel van het College vormen deze verklaringen voldoende bewijs voor deelname van [Onderneming B] aan de bijeenkomst van 18 mei 2009. De weerspreking van voornoemde verklaringen door [Onderneming B] zelf, ondersteund door (slechts) de verklaring van de heer [Persoon B1] , is naar het oordeel van het College onvoldoende geloofwaardig aangezien deze niet met ander bewijs is gestaafd.

4.3.7 Met betrekking tot de inhoud van de bijeenkomst van 18 mei 2009 overweegt het College het volgende. Zoals blijkt uit de verklaringen van de heren [Persoon D1] en [Persoon F1] zijn de ondernemingen op 18 mei 2009 bijeengekomen om te spreken over de mogelijkheid om de productie van eerstejaars plantuien te verminderen. Uit de verklaringen van de heren [Persoon D1] , [Persoon F1] en [Persoon E1] blijkt dat tijdens de bijeenkomst verschillende methodes zijn besproken om een productievermindering te realiseren. Ook is door meerdere ondernemingen aangekondigd dat zij van plan waren om arealen eerstejaars plantuien te vernietigen. Daarnaast is – blijkens de verklaringen en het document “Bespreekpunten bijeenkomst: “We willen wat verdienen” – concurrentiegevoelige informatie uitgewisseld, in de vorm van concrete informatie over de omvang van het areaal van de aanwezige ondernemingen en de (door een aantal van hen voorgenomen) krimp daarvan. Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de normaliter tussen deze ondernemingen bestaande onzekerheid over de hoeveelheid eerstejaars plantuien die een concurrent kon verkopen en dus het aantal afnemers dat men kon beleveren, als gevolg van deze informatie-uitwisseling (deels) werd weggenomen en vervangen door feitelijke samenwerking.

4.3.8 Ten slotte overweegt het College dat ACM, anders dan appellante II betoogt, niet gehouden is om aan te tonen dat de onderlinge afstemming invloed heeft gehad op het marktgedrag van de bij de bijeenkomst aanwezige ondernemingen. Zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van 8 juli 1999, ECLI:EU:C:1999:358 (Hüls), punt 162, worden de ondernemingen die aan afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, behoudens door de betrokken ondernemingen te leveren tegenbewijs, vermoed bij de bepaling van hun gedrag op de markt rekening te blijven houden met de met hun concurrenten uitgewisselde informatie. Aangezien appellanten op de markt voor eerstejaars plantuien actief zijn gebleven, en zij geen (tegen)bewijs hebben geleverd waaruit blijkt dat de afstemming geen invloed heeft gehad op hun marktgedrag, dient te worden vastgesteld dat [Onderneming B] , [Onderneming C] en [Onderneming D] het hiervoor bedoelde vermoeden dat zij bij de bepaling van hun marktgedrag rekening hebben gehouden met de tijdens de bijeenkomst van 18 mei 2009 uitgewisselde informatie niet hebben ontkracht. De conclusie is derhalve gerechtvaardigd dat op en na 18 mei 2009 sprake was van een onderling afgestemde feitelijke gedraging.

5 De strekking van de onderling afgestemde feitelijke gedraging

Standpunt appellante II

5.1.1 Appellante II betoogt dat de onderling afgestemde feitelijke gedraging niet aangemerkt had mogen worden als een strekkingsbeperking. Zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van 11 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2204 (Groupement des cartes bancaires), dient het begrip “mededingingsbeperkende strekking” restrictief te worden uitgelegd. Van een dergelijke kwalificatie kan slechts sprake zijn wanneer een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging op zichzelf de mededinging in voldoende mate aantast. ACM heeft niet toegelicht dat of waarom er in de periode van 18 mei 2009 tot 9 juni 2009 sprake zou zijn geweest van een overtreding met een mededingingsbeperkende strekking. De uitwisseling van informatie kan niet worden aangemerkt als naar haar aard beperkend. ACM had daarom de merkbaarheid van deze gedraging moeten aantonen en had een analyse moeten maken van de economische context en de gevolgen van de gedraging. Nu zij dit niet heeft gedaan, mocht zij geen boete opleggen voor de onderling afgestemde feitelijke gedraging.

Standpunt ACM

5.2.1 ACM betoogt dat de rechtbank op juiste wijze tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een productie/aanbodbeperking die naar zijn aard mededingingsbeperkend is. De rechtbank heeft gekeken naar de inhoud en de oogmerken van de onderling afgestemde feitelijke gedraging en de overeenkomst, en heeft vastgesteld dat deze twee elementen tezamen een horizontale afspraak vormen over een productie/aanbodbeperking, welke in artikel 101, eerste lid, van het VWEU expliciet wordt genoemd als onverenigbaar met het kartelverbod. De rechtbank heeft bij deze beoordeling de juridische en economische context in ogenschouw genomen en heeft bezien hoe de hoeveelheid eerstejaars plantuien de prijs beïnvloedt in de periode van voorverkoop en naverkoop. Volgens ACM is bepalend dat de afspraak geschikt was ertoe te leiden dat uiteindelijk minder plantuien aangeboden/geproduceerd werden, alsmede dat niet iedere onderneming voor zichzelf besloot hoe groot haar capaciteit/areaal voor de productie van plantuien in het jaar 2009 was, waardoor de mededinging tussen de betrokken ondernemingen kon worden beperkt. Hiermee kon tevens invloed worden uitgeoefend op de prijzen van eerstejaars plantuien, zowel in de voorverkoopperiode als in de naverkoopperiode van 2009.

5.2.2 Bij de contractonderhandelingen in de voorverkoopperiode is niet de daadwerkelijke, maar de ingeschatte marktproductie leidend. Als gevolg van de afspraak en de tenuitvoerlegging daarvan, waaronder het terugtrekken van gefreesde percelen bij Naktuinbouw, was de ingeschatte marktproductie kleiner dan zij zou zijn geweest zonder de afspraak. Gelet op de invloed van deze inschatting op de prijzen in de voorverkoop, was de afspraak ten aanzien van die periode concreet geschikt om tot hogere prijzen te leiden. Door de uitwisseling van concurrentiegevoelige informatie omtrent zaken zoals teeltcijfers verkeerden de betrokken ondernemingen niet langer in onzekerheid over elkaars individuele positie op de markt. Deze uitwisseling diende tevens ter controle op de nakoming door partijen van de gemaakte afspraak. Zij droeg dan ook bij aan de effectuering van de afspraak en ondersteunde het prijsopdrijvende doel daarvan.

5.2.3 Naast de beïnvloeding van de prijzen door de manipulatie van het aanbod op de markt, was de afspraak concreet geschikt om de onderhandelingspositie van de betrokken ondernemingen ten aanzien van hun afnemers (en elkaar) met betrekking tot de prijs in de verkoopperiode voor het oogstjaar 2009 te beïnvloeden, doordat de betrokken ondernemingen meer zekerheid verkregen over zeer relevante factoren die bij de onderhandelingen een rol speelden, waaronder tot welke hoeveelheid eerstejaars plantuien een ander contracten met afnemers kon aangaan. Hierop kon iedere bij de onderhavige afspraak betrokken onderneming haar onderhandelingspositie richting haar afnemers afstemmen. Door – voorafgaand aan de onderhandelingen met afnemers – afspraken te maken over de vernietiging van reeds ingezaaid areaal eerstejaars plantuien, en het aanbod op die manier te beperken, werd de normaliter tussen concurrenten bestaande onzekerheid over de hoeveelheid eerstejaars plantuien die een concurrent kon verkopen, en derhalve het aantal afnemers dat men kon beleveren, weggenomen. Doordat onderling concurrentiegevoelige informatie werd uitgewisseld en werd afgestemd over het doel om tot een krimp in de markt te komen, werd dit effect versterkt. Aangezien men van elkaar wist dat maar een bepaald aantal afnemers kon worden beleverd, werd het minder noodzakelijk om te concurreren op prijs. Immers, met de afspraak werd de zekerheid verkregen dat afnemers niet allemaal door een concurrent zouden kunnen worden beleverd. Het was derhalve voor partijen niet meer noodzakelijk om hun prijzen te verlagen. Zij konden daardoor een hogere prijs vragen dan zonder de zekerheid van de freesafspraak het geval zou zijn geweest. Daarmee werd de prijs van eerstejaars plantuien niet meer bepaald door de vraag van individuele afnemers, hetgeen bij normale concurrentie het geval is.

Beoordeling door het College

5.3.1 Bij de beoordeling of een overeenkomst of een onderling afgestemde feitelijke gedraging de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende strekking te hebben, moet worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen van die overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van de context moet voorts rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten. Voorts hoeven de bedoelingen van partijen weliswaar niet in aanmerking te worden genomen bij het onderzoek of een overeenkomst tussen ondernemingen of onderling afgestemde feitelijke gedraging beperkend is, maar niets belet de mededingingsautoriteiten of de rechter om rekening te houden met deze bedoelingen (zie het hiervoor genoemde arrest van het Hof van Justitie van 11 september 2014 inzake Groupement des cartes bancaires, en de uitspraak van het College van 14 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:184, Meel).

5.3.2 Naar het oordeel van het College heeft ACM terecht vastgesteld dat de onderling afgestemde feitelijke gedraging een mededingingsbeperkende strekking heeft. Zoals het College onder 4.3.7 heeft vastgesteld, hebben de betrokken ondernemingen tijdens de bijeenkomst op 18 mei 2009 concurrentiegevoelige informatie uitgewisseld in de vorm van concrete informatie over de omvang van het areaal van de aanwezige ondernemingen en de (door een aantal van hen voorgenomen) krimp daarvan. Deze informatie was concurrentiegevoelig, enerzijds omdat ten tijde van de onderling afgestemde feitelijke gedraging nog geen totaalcijfers van de teelt bekend waren gemaakt door Naktuinbouw, en anderzijds omdat de areaalcijfers normaal gesproken niet geïndividualiseerd per onderneming bekend worden gemaakt. Als gevolg van de informatie-uitwisseling werd de normaliter tussen concurrenten bestaande onzekerheid over de hoeveelheid eerstejaars plantuien die een concurrent kon verkopen, en derhalve het aantal afnemers dat men kon beleveren, (deels) weggenomen. Met deze informatie kon door de betrokken ondernemingen rekening worden gehouden in de onderhandelingen met hun afnemers, waardoor de onderlinge afstemming tevens geschikt was om de prijzen voor eerstejaars plantuien op een hoger niveau te brengen dan onder normale mededingingscondities het geval zou zijn. Gelet op het voorgaande kon de onderling afgestemde feitelijke gedraging de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende strekking te hebben.

6 De materiële reikwijdte van de overtreding

7 De boetegrondslag

8 De ernstfactor

9 Boeteverlagende omstandigheden

10 Bijzondere omstandigheden appellante II

11 Aanpassing boetebedragen

12 Conclusie

13 Proceskosten en griffierecht