College van Beroep voor het bedrijfsleven, 02-10-2025, ECLI:NL:CBB:2025:509, 22/1816
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 02-10-2025, ECLI:NL:CBB:2025:509, 22/1816
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2025
- Datum publicatie
- 2 oktober 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:509
- Zaaknummer
- 22/1816
- Relevante informatie
- Wet verbod pelsdierhouderij [Tekst geldig vanaf 01-01-2024]
Inhoudsindicatie
Wet verbod pelsdierhouderij. De onderneming heeft een vergoeding van de minister gekregen voor de schade die zij heeft geleden doordat zij, drie jaar eerder dan in 2013 bij wet was bepaald, moest stoppen met het fokken en houden van pelsdieren. Het College oordeelt dat de minister de vergoeding voor de inkomensschade ten onrechte heeft verminderd met € 38,- per fokteef. Verder heeft de minister ten onrechte een kortingspercentage vanwege het normale maatschappelijke risico (NMR) op de totale vergoeding in mindering gebracht. Het College heeft geen rechtsmacht om te beoordelen of de onderneming voor een vergoeding in aanmerking komt vanwege het wegvallen van de opbrengst uit het pelzen en drogen voor derden.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 22/1816
en
(gemachtigden: mr. drs. M. Wullink en mr. M. Zweers)
Procesverloop
Met het besluit van 15 februari 2022 heeft de minister de vergoeding voor de schade veroorzaakt door de vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij vastgesteld op
€ 2.249.990,56.
Met het besluit van 10 augustus 2022 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Met het besluit van 14 februari 2025 (bestreden besluit) heeft de minister het besluit van 10 augustus 2022 vervangen. De minister heeft het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en heeft tevens beslist dat de onderneming geen vergoeding ontvangt voor het beëindigen van de pelscentrale.
Het College heeft op grond van artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek.
Op 16 oktober 2024 heeft de STAB een onderzoeksverslag uitgebracht. Op 4 december 2024 heeft de STAB een aanvullend onderzoeksverslag uitgebracht. De onderneming en de minister hebben schriftelijk hun zienswijze hierop gegeven. De STAB heeft in een aanvullend onderzoeksverslag van 14 februari 2025 gereageerd op de zienswijzen.
De onderneming en de minister hebben nadere stukken ingezonden.
Het beroep is gevoegd behandeld met 53 andere beroepen over hetzelfde onderwerp. De zitting was op 16, 17 en 25 juni 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen, [naam 2] namens de onderneming, T.G. Krol als deskundige van de onderneming, J. van Lenthe namens Van Ameyde Waarderingen en P.A.H.M. Willems en mr. G.A. Keus namens de STAB.
Overwegingen
Waar de zaak over gaat
Deze zaak gaat over de vergoeding van schade die de onderneming heeft geleden doordat zij haar activiteiten, namelijk het fokken en houden van pelsdieren (nertsen) voor de productie van pelzen drie jaar eerder moest beëindigen dan in 2013 bij wet was bepaald. Ook heeft de onderneming haar pelscentrale moeten stoppen. De onderneming heeft een vergoeding van de minister gekregen, maar is het niet eens met de hoogte van de vergoeding. Het College beoordeelt daarom of de onderneming recht heeft op een hogere vergoeding.
Oordeel van het College
Het College geeft de onderneming gelijk. Hierna legt het College uit waarom.
Leeswijzer
Het College geeft eerst een overzicht van de voorgeschiedenis en de relevante regelgeving (onder 2). Daarna geeft het College een overzicht van de procedure (onder 3) en legt het College uit hoe de vergoeding beoordeeld wordt (onder 4).Het College beoordeelt vervolgens eerst de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de beleidsregel waarmee de minister de vergoeding heeft vastgesteld. Daarbij gaat het over de berekening van de geleden inkomensschade (onder 5) en de aftrek die is toegepast bij bedrijven die in 2020 zijn geruimd of leegstonden (onder 6). Daarbij beoordeelt het College tevens de beroepsgronden over de toepassing van de beleidsregel op de onderneming en afwijking van de beleidsregel. Onder 7 komt aan de orde of de onderneming ook aanspraak maakt op vergoeding voor het beëindigen van de pelscentrale. Onder 8 beoordeelt het College de beroepsgronden tegen de korting van 15% op de vergoeding op grond van “normaal maatschappelijk risico”. Aan het slot (onder 9) komen de conclusies.
Voorgeschiedenis
De onderneming dreef een pelsdierhouderij (nertsenfokkerij) in de rechtsvorm van een besloten vennootschap. De pelsdierhouderij was gevestigd in [woonplaats] en had drie vestigingen. In 2020 is de pelsdierhouderij ter bestrijding van SARS-CoV-2 geruimd. De onderneming exploiteerde ook een pelzerij en drogerij voor het pelzen van nertsen en het drogen van nertsenvellen. Dit deed de onderneming zowel voor zichzelf als voor derden.
Op 15 januari 2013 is de Wet verbod pelsdierhouderij (Wvp) in werking getreden. Op grond van artikel 2 van de Wvp is het vanaf het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet in 2013 verboden in Nederland pelsdieren te houden. Voor de op dat tijdstip bestaande pelsdierhouderijen gold op grond van artikel 4 van de Wvp een overgangsrechtelijke bescherming tot 1 januari 2024. Deze bescherming was alleen van toepassing op de houder van een pelsdierhouderij die op grond van artikel 3 van de Wvp melding deed van een plaats (locatie) waarop met vergunning nertsen werden gehouden, van de vergunde dieraantallen en het aantal huisvestingsplaatsen. 2.3 Tegen het verbod in de Wvp Tegen het verbod in de op het houden en fokken van pelsdieren is een gerechtelijke procedure gevoerd. Bij het arrest van 16 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2888) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de Wvp rechtmatig is. Vanwege de ruime overgangsrechtelijke termijn (11 jaar) was geen financiële vergoeding vereist.
Een klacht van pelsdierhouders bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is bij uitspraak van 10 oktober 2017 (ECLI:CE:ECHR:2017:100DEC004376817) niet-ontvankelijk verklaard.
De vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming
Vanaf april 2020 zijn nertsen op pelsdierhouderijen besmet geraakt met SARS-CoV-2. Dat heeft geleid tot het ruimen van de bedrijven waarop een besmetting was aangetroffen. Voor deze ruimingen zijn vergoedingen toegekend aan de getroffen pelsdierhouders. Deze vergoedingen waren gebaseerd op de waarde van de geruimde dieren. In augustus 2020 heeft het Outbreak Management Team Zoönosen (OMT-Z) desgevraagd de regering geadviseerd om aan het einde van de jaarlijkse productiecyclus van pelsdierhouderijen, november/december 2020, de pelsdierhouderij verplicht te stoppen. Bij Kamerbrief van 28 augustus 2020 heeft de regering aangekondigd daartoe de Wvp aan te passen. Dat is gebeurd bij Wet van 16 december 2020 tot wijziging van de Wvp (Wijzigingswet). Daarbij is in artikel 4 van de Wvp de datum van 1 januari 2024 gewijzigd in de dertiende dag na de datum van inwerkingtreding van de Wijzigingswet. Deze dag is 8 januari 2021. Daarmee is de overgangsrechtelijke bescherming dus (vrijwel) drie jaar eerder geëindigd dan bij de inwerkingtreding van de Wvp in 2013 was bepaald.
Wettelijk kader en beleidsregels
Artikel 8 van de Wvp geeft een aanspraak op vergoeding van schade die geleden is door de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming en die het normaal maatschappelijk risico te boven gaat.
Deze vergoeding is door de minister geregeld in de Beleidsregel compensatie vervroegde beëindiging pelsdierhouderij (beleidsregel) van 1 februari 2021, Staatscourant 2021, 5472, gewijzigd bij besluit van 28 april 2021, Staatscourant 2021, 21048.
Artikel 2 van de beleidsregel omschrijft welke schade voor vergoeding in aanmerking komt, namelijk schade die het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming.
Op grond van artikel 4 van de beleidsregel wordt de schade vergoed die pelsdierhouders lijden omdat zij in verband met de vervroeging drie jaar (2021-2024) geen pelzen meer mogen produceren. De componenten van de vergoeding zijn neergelegd in de artikelen 4 tot en met 8 van de beleidsregel. Dat zijn de inkomensschade (artikel 5), waarbij tevens is bepaald dat bij ondernemingen die in 2020 zijn geruimd of leegstonden een aftrek van die opbrengst plaatsvindt, een overbruggingsvergoeding voor de ondernemer(-s) om vervangende arbeid te vinden (artikel 6) en een vergoedingscomponent voor de waardevermindering van fokteven als gevolg van het ten tijde van de beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming geldende (vervoers- en) exportverbod (artikel 8). Tevens is er een vergoeding voor transitiekosten van werknemers van de onderneming die vanwege de vervroegde beëindiging moesten worden ontslagen (artikel 7).
In artikel 3 van de beleidsregel is de aftrek voor normaal maatschappelijk risico bepaald op 15%.
De procedure
De minister heeft een vergoeding van € 2.249.990,56 toegekend. De onderneming kan zich niet vinden in de hoogte van de vergoeding. Zij voert aan dat de vergoeding voor de inkomensschade van € 51,- per fokteef onvoldoende is en dat de minister deze vergoeding ten onrechte heeft verminderd met € 38,- per fokteef. Daarnaast voert zij aan dat de minister niet bevoegd is te besluiten over de vergoeding van schade als gevolg van het beëindigen van haar pelscentrale. Voor zover de minister daartoe wel bevoegd is, heeft de minister deze schade ten onrechte niet vergoed. Verder heeft de minister volgens de onderneming ten onrechte een korting vanwege het normale maatschappelijke risico op de totale vergoeding in mindering heeft gebracht.
De beleidsregel is gebaseerd het advies van Wageningen Economic Research (WEcR) en het adviesrapport van Van Ameyde van 18 november 2020.
Namens de onderneming was T.G. Krol als deskundige betrokken. Hij heeft op 22 november 2021, 20 juni 2022 en 20 december 2024 rapportages uitgebracht.
Van Ameyde heeft tijdens de beroepsprocedure, op 22 november 2023 en op 20 december 2024, een aanvullend adviesrapport uitgebracht.
De STAB heeft tijdens de beroepsprocedure, op 16 oktober 2024, een onderzoeksverslag uitgebracht. Op 4 december 2024 en op 14 februari 2025 heeft de STAB een aanvullend onderzoeksverslag uitgebracht.
De onderneming heeft op 20 december 2024 een zienswijze ingediend naar aanleiding van het onderzoeksverslag van de STAB.
De minister heeft het besluit van 10 augustus 2022 vervangen door het bestreden besluit. Dit brengt mee dat de onderneming geen belang meer heeft bij de behandeling van haar beroep tegen het besluit van 10 augustus 2022. Het beroep tegen dit besluit zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Het beroep is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht tegen het bestreden besluit.
Het College betrekt de argumenten van partijen, de inhoud van de door partijen ingebrachte deskundigenadviezen en de inhoud van het advies van de STAB voor zover relevant bij de beoordeling hierna.
Toetsingskader en afbakening van het geding
Niet in geschil is dat de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming na de inwerkingtreding van het verbod op het houden van pelsdieren een inmenging betekent in het eigendomsrecht van de getroffen pelsdierhouders. Er is dus sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht dat is beschermd in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM). Dit is door de wetgever onderkend. Daarom is in artikel 8 van de Wvp een aanspraak op vergoeding toegekend aan de getroffen pelsdierhouders.
Inmenging in het eigendomsrecht is rechtmatig als die is voorzien bij wet (‘lawful’) en het algemeen belang (‘general interest’) dient. Tot slot moet er een redelijk evenwicht (‘fair balance’) bestaan tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. In dit geval is de wettelijke grondslag van de maatregel tot vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming niet bestreden. Evenmin is in geschil dat deze het algemeen belang dient. In geschil is of de toegekende vergoeding hoog genoeg is om te voldoen aan het vereiste dat sprake is van een “fair balance” (evenwichtigheid) tussen de maatregel en de nadelige gevolgen voor de getroffen pelsdierhouders.
Het College toetst de rechtsgeldigheid van de beleidsregel, voor zover bestreden in de beroepsgronden, aan de Wvp waarop deze berust, het evenredigheidsbeginsel in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en voor zover aan de orde aan andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur en beoordeelt langs deze weg of de uitkomst zich verdraagt met (artikel 1 EP bij) het EVRM. Daarna toetst het College of de beleidsregel in het individuele geval juist is toegepast, voor zover dat is bestreden in beroep en of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van de beleidsregel, voor zover daar een beroep op is gedaan. Daarmee wordt tevens beoordeeld of sprake is van een “individual and excessive burden” in het kader van de toets aan artikel 1 EP.
De verschillende componenten van de vergoeding kunnen tot onder- respectievelijk overcompensatie leiden. Dit komt duidelijk naar voren uit het advies van de STAB. Uit dit advies komt eveneens naar voren dat een andere manier van vaststellen van de inkomensschade dan in de beleidsregel is gekozen mogelijk tot een nauwkeuriger vergoeding zou kunnen leiden. Het College overweegt naar aanleiding hiervan dat hij de vergoeding zoals berekend op grond van de artikelen 4 tot en met 8 van de beleidsregel als één geheel beoordeelt. Dat betekent dat niet bepalend is of de toepassing van een enkele component tot over- dan wel ondercompensatie leidt, zolang de vergoeding zoals die door de minister is vastgesteld maar niet tot ondercompensatie leidt. Uiteindelijk moet de vergoeding immers voldoende zijn om aan het vereiste van “fair balance” te voldoen. Voor het geval de toegekende vergoeding in het concrete geval tot overcompensatie leidt maakt dat de vergoeding niet onrechtmatig. Er is immers in de rechtsverhouding tussen de minister en de betrokken onderneming geen rechtsregel die aan overcompensatie in de weg staat. Evenmin zijn er derde-belanghebbenden die nadeel kunnen ondervinden van eventuele overcompensatie. Alle pelsdierhouders in Nederland zijn immers gelijktijdig, op 8 januari 2021, gedwongen gestopt met hun ondernemingen. De aftrek van 15% als normaal maatschappelijk risico beoordeelt het College wel afzonderlijk op rechtmatigheid, omdat deze los staat van de berekening van de vergoeding zelf.
Beoordeling van de beroepsgronden
5 Het College beoordeelt eerst of de minister terecht de waardevergoeding op € 51,- per fokteef heeft bepaald.
Het eerste onderdeel van de vergoeding bedoeld in artikel 4 van de beleidsregel is een vergoeding voor de inkomensschade. De inkomensschade in de schadeperiode (2021-2024) wordt vastgesteld aan de hand van artikel 5 van de beleidsregel. Daaruit volgt dat het aantal fokteven dat rechtens mag worden gehouden door de onderneming wordt vermenigvuldigd met een waardevergoeding van € 51,- per fokteef. Die uitkomst wordt vervolgens met drie vermenigvuldigd, om de inkomensschade over de schadeperiode van drie jaar te berekenen.
De minister is tot een waardevergoeding van € 51,- gekomen door aan de hand van de KWIN-kengetallen voor de pelsdierhouderij1 te berekenen wat de gederfde opbrengst is van een normbedrijf van 1.500,- fokteven. Daarbij heeft de minister een pelsprijs van € 24,- gehanteerd. Uit de KWIN-kengetallen over de laatste productieperiode voor de uitbraak van de coronapandemie volgt dat een fokteef gemiddeld 5,5 pelzen opbrengt. Verder volgt uit de KWIN-kengetallen wat de vermijdbare kosten zijn, die in mindering kunnen worden gebracht op de gederfde pelsopbrengst. De KWIN-kengetallen zijn als zodanig niet betwist.
Niet in geschil is dat bij de vaststelling van de inkomensschade moet worden uitgegaan van het aantal fokteven dat rechtens mag worden gehouden. De onderneming heeft tegen dit uitgangspunt geen beroepsgronden aangevoerd. Het College volstaat daarom met de vaststelling dat de STAB heeft opgemerkt dat de minister van te hoge aantallen fokteven is uitgegaan en de bespaarde arbeidskosten te laag heeft gewaardeerd. Dit kan alleen tot overcompensatie leiden en maakt daarom op zichzelf de vergoeding niet onrechtmatig, zoals hiervoor al is geoordeeld.
Het College is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij bij de berekening van de inkomensschade is uitgegaan van een gemiddelde opbrengst van 5,5 pelzen per fokteef. Dit aantal volgt uit de KWIN-kengetallen. Dat de opbrengst op basis van de achterliggende cijfers ook kan worden gewaardeerd op 5,56 pelzen per fokteef maakt dat niet anders. In de KWIN-kengetallen is gekozen voor een afronding tot 5,5. De minister mocht dat getal als uitgangspunt nemen.
De minister heeft ook voldoende gemotiveerd waarom hij bij de vaststelling van de inkomensschade een pelsprijs van € 24,- heeft gehanteerd. Deze pelsprijs is vastgesteld aan de hand van het advies van Van Ameyde van 18 november 2020 over het vaststellen van de nadeelcompensatie. Van Ameyde heeft de minister geadviseerd om de pelsprijs vast te stellen aan de hand van een retrospectieve methode en deze dus te baseren op gegevens uit het verleden. De “piek 2010-2013” (jaren waarin de pelsprijzen beduidend hoger lagen dan in eerdere of latere jaren) moet daarbij volgens Van Ameyde buiten beschouwing worden gelaten. De minister heeft vervolgens gekeken wat de gemiddelde pelsprijs was in de vijf jaar voorafgaand aan de beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming. Die gemiddelde pelsprijs volgens de KWIN was € 22,-. De minister heeft daar nog € 2,- per pels bij opgeteld. De minister heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de KWIN-prijzen exclusief veilingkosten zijn en dus de opbrengst voor de onderneming vormen.
Een periode van vijf jaar is naar het oordeel van het College voldoende representatief. De minister mocht de piek 2010-2013 buiten beschouwing laten. Het College volgt niet het standpunt dat de piek 2010-2013 moet worden meegenomen omdat die piek is veroorzaakt door de cyclische bontmarkt. In het advies heeft Van Ameyde toegelicht dat deze piek door een combinatie van factoren is ontstaan en dat het onwaarschijnlijk is dat deze piek zich opnieuw zou voordoen. De juistheid van deze argumentatie van Van Ameyde is onvoldoende bestreden, zodat de minister het advies van Van Ameyde op dit punt mocht volgen.
De minister heeft terecht voor het bepalen van de pelsprijs, in afwijking van andere onderdelen van de inkomensschade, geen aansluiting gezocht bij de pelsprijs van € 25,25 volgens de KWIN-norm. Deze pelsprijs ziet namelijk alleen op het jaar 2019-2020 en geeft daarom een minder representatief beeld dan een gemiddelde pelsprijs over een periode van vijf jaar. De minister heeft er terecht voor gekozen om niet naar de pelsprijs in de schadejaren (2021-2024) te kijken. Die prijs is beïnvloed door de beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming en geeft daarom geen goed beeld van wat de pelsprijs in de schadeperiode zou zijn geweest als de onderneming nog drie jaar overgangsrechtelijke bescherming had genoten. Daarom betrekt het College deze pelsprijs ook niet bij de beoordeling. Overigens lag die prijs gemiddeld lager dan € 24,-, zodat de onderneming hier niet door is benadeeld.
De onderneming heeft gesteld dat zij in aanmerking moet komen voor een hogere waardevergoeding. Haar variabele kosten zijn namelijk lager omdat de onderneming gemiddeld minder pelzen per fokteef produceert dan het normbedrijf. Vanwege de omvang van haar bedrijf heeft zij bovendien schaalvoordelen. Ook heeft de onderneming in de schadeperiode vanwege een hogere kwaliteit van de pelzen een hogere opbrengst gerealiseerd dan gemiddeld. Om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb in afwijking van artikel 5 van de beleidsregel in aanmerking te komen voor een hogere waardevergoeding, moet de onderneming aantonen dat zij in de jaren 2021-2024 meer schade heeft geleden ten gevolge van de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming dan zij op grond van artikel 4 van de beleidsregel vergoed heeft gekregen. Een onderneming kan een hogere inkomensschade aannemelijk maken aan de hand van jaarstukken, zoals een balans en winst- en verliesrekeningen over een langere periode voorafgaand aan het vervroegde verbod. Een hogere opbrengst per pels of een van de KWIN-kengetallen afwijkende kostenstructuur is dus op zichzelf onvoldoende om aanspraak te maken op een hogere vergoeding op basis van een hogere opbrengst per fokteef. De waardevergoeding per fokteef is namelijk vastgesteld aan de hand van verschillende componenten, waarvan de pelsprijs er slechts één is. De onderneming heeft geen bewijs, zoals bijvoorbeeld winst- en verliesrekeningen, overgelegd waaruit een hogere opbrengst valt af te leiden, zodat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat de opbrengst per fokteef structureel hoger was dan € 51,-.
De rapporten van T.G. Krol bieden hiervoor geen aanknopingspunten. Volgens Krol volgt uit een prospectieve benadering een hogere pelsprijs dan de pelsprijs van € 24,- die ten grondslag ligt aan de waardevergoeding van € 51,- per fokteef per jaar. Daarnaast betoogt Krol dat de onderneming minder kosten had, omdat de worpgrootte bij haar lager was dan in de KWIN-kengetallen. Daardoor had de onderneming minder dieren te verzorgen. Dit betoog van Krol berust niet op door de onderneming over een langere periode daadwerkelijk gerealiseerde opbrengsten en kosten. Reeds daarom biedt het rapport van Krol geen grondslag voor de conclusie dat de onderneming meer schade heeft geleden dan zij thans vergoed heeft gekregen. Die rapporten onderbouwen weliswaar dat de onderneming hogere pelsprijzen realiseerde en lagere personeelskosten had dan gemiddeld, maar omdat de onderneming minder pelzen per fokteef produceerde, is dat onvoldoende om vast te stellen dat de opbrengst per fokteef hoger is. De onderneming heeft geen inzicht gegeven in de rest van de kosten, waaronder de kosten van het bewaren van pelzen. Het argument dat de minister niet specifiek om jaarrekeningen heeft gevraagd faalt. Het is aan de onderneming om feiten en omstandigheden aan te voeren en met bewijs te onderbouwen die tot toepassing van artikel 4:84 van de Awb kunnen leiden. Dit had de onderneming ruimschoots duidelijk kunnen zijn, op zijn laatst uit het advies van de STAB. Wel heeft de minister in enkele gevallen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om af te wijken van het bedrag van € 51,- waardevergoeding per fokteef, omdat aannemelijk is gemaakt dat, los bezien van de overige onderdelen van de vergoeding, de inkomensschade meer bedraagt dan driemaal € 51,- per fokteef.
Uit het voorgaande volgt dat de minister de waardevergoeding van € 51,- per fokteef deugdelijk heeft gemotiveerd.
6 Het College beoordeelt of de minister terecht een vermindering van de inkomensschade van € 38,- heeft toegepast voor geruimde en leegstaande bedrijven.
In 2020 zijn er pelsdierhouderijen geruimd omdat de nertsen waren besmet met het SARS-Cov-2 virus. De pelsdierhouders hebben daarvoor een vergoeding ontvangen voor de waarde van de nertsen. Er waren ook pelsdierhouderijen waar in 2020 om andere redenen geen nertsen werden gehouden. Op grond van artikel 5, derde en vierde lid, van de beleidsregel wordt voor de plaats die is geruimd en voor de plaats waar in 2020 geen nertsen zijn gehouden de vergoeding voor inkomensschade verminderd met € 38, per fokteef die rechtens mag worden gehouden op die plaats.
De onderneming is het met deze vermindering niet eens. Zij heeft aangevoerd dat er geen verschil is tussen de bedrijven die wel en de bedrijven die niet zijn geruimd. Alle bedrijven stonden uiteindelijk eind 2020 leeg. Daarnaast is er geen verschil op de balans tussen een geldbedrag dat is ontvangen als vergoeding voor geruimde dieren en een populatie dieren die op hetzelfde bedrag is gewaardeerd. De aanschaf van dieren nadat geruimd is, is een herinvestering en zijn geen kosten die tot minder inkomensschade leiden.
Voor het geval de minister terecht een aftrek in de beleidsregel heeft opgenomen heeft de onderneming aangevoerd dat het bedrag van de vermindering onjuist is vastgesteld.
In de toelichting bij de beleidsregel is opgenomen dat geruimde bedrijven en leegstaande bedrijven fokdieren moeten aanschaffen om in de komende drie jaar te kunnen produceren. Daarin verschillen deze bedrijven van bedrijven die niet zijn geruimd en in 2020 de productiecyclus hebben kunnen afmaken. Om dit verschil te verdisconteren in de te vergoeden schade wordt een correctie toegepast.
De STAB heeft opgemerkt dat de pelsdierhouders terecht hebben gesteld dat het niet gebruikelijk is om bij inkomensschadebegrotingen uit te gaan van nieuwe investeringen. Bij een reguliere inkomensschadezaak wordt de schade begroot op basis van de bestaande exploitatie, hoewel daar soms een uitzondering op wordt gemaakt, bijvoorbeeld als een bedrijf nog in de opstartfase zit. Bij de geruimde bedrijven was het echter aannemelijk dat de exploitatie opnieuw zou zijn opgestart als geen sprake was geweest van het vervroegde verbod. Ten aanzien van de stelling dat het voor de balans niet uitmaakt of sprake is van een geldbedrag of van een waardering van de fokdieren kan volgens de STAB worden geconcludeerd dat er weliswaar geen verschil is qua bedragen, maar wel qua rendement. Aanwezig kapitaal leidt niet direct tot inkomsten uit de verkoop van pelzen.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat met de vermindering de geruimde en in 2020 leegstaande bedrijven in dezelfde positie worden gebracht als niet-geruimde bedrijven. De geruimde bedrijven hebben al een vergoeding gehad voor het verlies van hun dieren en hebben geen nieuwe dieren hoeven kopen om toch in aanmerking te komen voor een vergoeding.
Het College is van oordeel dat artikel 5, derde en vierde lid, van de beleidsregel buiten toepassing moeten blijven omdat deze bepalingen berusten op een onjuiste motivering en toepassing in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel.
Op grond van artikel 5, eerste en tweede lid, van de beleidsregel wordt de inkomensschade vastgesteld. Daarbij wordt uitgegaan van de hypothetische situatie dat de pelsdierhouders, die eind 2020 waren gestopt met het houden van nertsen, hun onderneming in de jaren 2021 tot en met 2023 hadden voortgezet. Voor de berekening van deze inkomensschade maakt het geen verschil of ondernemingen eind 2020 nog wel nertsen hielden of dat de nertsen al eerder waren geruimd of om een andere reden in 2020 niet werden gehouden. Daarbij komt dat de uitgave voor aanschaf van fokdieren een investering is en geen kostenpost die in mindering op de inkomensschade moet worden gebracht. De inkomensschade van artikel 5, tweede lid, van de beleidsregel heeft de minister bepaald door op de niet behaalde omzet over drie jaar de bespaarde kosten en een bedrag voor de inzet van arbeid in mindering te brengen. De fictieve aanschaf van fokdieren zijn geen bespaarde kosten. Daarom hebben deze uitgaven geen invloed op de hoogte van de inkomensschade. Die verandert op zichzelf niet door het doen van een investering in pelsdieren. Ook bedrijven die eind 2020 nog nertsen hielden hebben in het verleden deze investering in pelsdieren moeten doen.
De onderbouwing van de vermindering van artikel 5, derde en vierde lid, van de beleidsregel dat er voor de bepaling van de inkomensschade een verschil is tussen aan de ene kant geruimde of leegstaande bedrijven en aan de andere kant niet-geruimde bedrijven vanwege de noodzakelijke aanschaf van pelsdieren door de geruimde of leegstaande bedrijven, is dan ook onjuist. Omdat bij niet-geruimde bedrijven op de vergoeding voor inkomensschade geen vermindering wordt toegepast, ontstaat een verschil in behandeling tussen geruimde of leegstaande bedrijven en niet-geruimde bedrijven waarvoor geen grond bestaat. Art. 5, derde en vierde lid, van de beleidsregel zijn daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voor de geruimde of leegstaande bedrijven is daardoor geen sprake meer van een “fair balance”. Dat wordt niet goedgemaakt door de mogelijke overcompensatie die uit andere componenten van de vergoeding voortvloeit, omdat er dan nog steeds een ongerechtvaardigde ongelijkheid blijft bestaan tussen de geruimde of leegstaande bedrijven en niet-geruimde bedrijven. Dat maakt dat deze bepaling buiten toepassing moet blijven wegens strijd met artikel 1 EP bij het EVRM in samenhang met artikel 14 van het EVRM.
De beroepsgrond slaagt. De minister heeft de vergoeding voor de inkomensschade van de onderneming ten onrechte verminderd met € 38,- per fokteef. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Bij een nieuw te nemen besluit dient de minister de inkomensschade vast te stellen zonder deze vermindering.
De pelscentrale
7 De onderneming houdt nertsen en voert daarnaast een zogenaamde pelscentrale. Dat houdt in dat de onderneming, nadat de dieren zijn gedood, de huid van de nertsen (pelzen) verwijdert en schraapt en deze droogt (drogen). Daarna zijn de pelzen geschikt om op de markt te worden aangeboden. De onderneming pelst en droogt niet alleen nertsen die zij zelf houdt maar pelst en droogt ook voor derden.
In de reactie van de onderneming van 20 december 2024 op het verslag van de STAB heeft de minister een aanleiding gezien in het bestreden besluit alsnog een besluit te nemen over de vergoeding van schade die de onderneming stelt te hebben geleden door het beëindigen van de pelscentrale. De minister heeft beslist dat de onderneming geen vergoeding ontvangt voor het beëindigen van de pelscentrale, omdat de schade door het beëindigen van het pelzen en drogen geen direct gevolg is van het vervroegde verbod. De schade wordt volgens de minister veroorzaakt doordat derden geen nertsen meer aanbieden.
De onderneming heeft zich op het standpunt gesteld dat de schade die zij lijdt door het wegvallen van de inkomsten uit haar pelscentrale moet worden vergoed, maar dat de minister niet bevoegd is om daarover te besluiten. De beleidsregel voorziet daar niet in. Bovendien heeft de onderneming in de aanvraag niet verzocht om vergoeding van de schade van [naam 3] , de exploitant van de pelscentrale. Deze schade moet volgens de onderneming worden gevorderd bij de burgerlijke rechter.
Het gaat bij de beoordeling van deze beroepsgrond alleen over het pelzen en drogen voor derden.
Naar het oordeel van het College is de onderneming inderdaad geen pelsdierhouder als bedoeld in artikel 8 Wvp voor wat betreft het pelzen en drogen voor derden.
De overgangsrechtelijke bescherming van de artikelen 3 en 4 van de Wvp geldt voor het houden van nertsen. Het pelzen en drogen voor derden is een bedrijfsactiviteit die daar niet onder valt. Het verbod in artikel 2 van de Wvp omvat deze activiteit ook niet. Voor deze bedrijfsactiviteit is de onderneming daarom geen pelsdierhouder als bedoeld in artikel 8 van de Wvp en heeft zij geen aanspraak op vergoeding op grond van deze bepaling vanwege het beëindigen van deze bedrijfsactiviteit.
Ook titel 4.5 van de Awb geeft de onderneming geen aanspraak op nadeelcompensatie voor het verlies van deze activiteit. Deze titel is pas per 1 januari 2024 in werking getreden, dus na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Bovendien is de schadeveroorzakende gebeurtenis een wet in formele zin en dat valt buiten het bereik van artikel 4:126 van de Awb. Er is dus ook geen andere bestuursrechtelijke grondslag voor nadeelcompensatie.
De onderneming heeft dus terecht niet om vergoeding van deze schade op grond van artikel 8 van de Wvp en de beleidsregel gevraagd. De minister heeft dus onbevoegd beslist over deze schade, om twee redenen. Ten eerste was er geen aanvraag voor gedaan. Het beroep is in dit opzicht gegrond en het bestreden besluit zal ook om deze reden worden vernietigd. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 8 van de Wvp. Ten tweede is er geen wettelijke grondslag voor de minister om inhoudelijk te beslissen over de vergoeding van deze schade. In zoverre is de bestuursrechter ook niet bevoegd.
Het College heeft geen rechtsmacht om te beoordelen of de onderneming voor een vergoeding in aanmerking komt vanwege het wegvallen van de opbrengst uit het pelzen en drogen voor derden. Of het niet toekennen van een vergoeding voor schade daarvoor rechtmatig is, mede in het licht van artikel 1 EP, staat uitsluitend ter beoordeling van de burgerlijke rechter.
Normaal maatschappelijk risico
8 Uit artikel 8 van de Wvp volgt dat de minister een schadevergoeding toekent voor schade die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico (NMR). Uit artikel 3 van de beleidsregel volgt dat de minister voor het bepalen van het NMR een korting van 15% hanteert. Dit kortingspercentage wordt op de totale vergoeding in mindering gebracht, zo volgt uit artikel 4, tweede lid, van de beleidsregel.
Het College is net als partijen van oordeel dat uit de laatste zinsnede van artikel 8 van de Wvp (“die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico”) geen verplichting voor de minister volgt om een drempel of aftrek toe te passen. In de Memorie van Toelichting2 is gesteld dat de omvang van het NMR, het normale ondernemersrisico, moet worden bepaald met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang kunnen hierbij onder meer zijn de aard van de overheidshandeling en de aard en de omvang van de toegebrachte schade. Hieraan verbindt het College, net als de minister en de onderneming, de gevolgtrekking dat de wetgever de mogelijkheid open heeft gelaten dat de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming buiten elk normaal maatschappelijk risico valt. Dat betekent dat de Wvp de mogelijkheid biedt om het NMR op nihil vast te stellen. Het College toetst daarom rechtstreeks of artikel 3 van de beleidsregel in strijd is met artikel 1 van het EP, omdat er geen ‘fair balance’ is.
De STAB heeft drie factoren betrokken bij de beoordeling van het NMR, namelijk de aard van de schadeveroorzakende maatregel (tijd, duur, plaats, ontstaanswijze en andere relevante omstandigheden), de aard, ernst en omvang van de schade en de vraag of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. Volgens de STAB was de relevante ontwikkeling de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming, niet de pandemie. De pandemie was wel de aanleiding voor het vervroegde verbod, maar leidde niet noodzakelijkerwijs tot een vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming. Over de aard, de ernst en de omvang van de schade heeft de STAB zich op het standpunt gesteld dat de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming heeft geleid tot het geheel en definitief wegvallen van het gehele inkomen. Die beëindiging lag al in het vooruitzicht, maar het geheel wegvallen van het inkomen gedurende drie jaar is volgens de STAB een extreme vorm van schade. Evenmin is sprake van een ontwikkeling die in de lijn der verwachtingen lag. Daarom is de STAB van mening dat het volledig wegvallen van het inkomen door een pandemie voor deze bedrijfstak te uitzonderlijk is om te kunnen aanmerken als een normale maatschappelijke ontwikkeling. Een korting van 5% is volgens de STAB het maximaal verdedigbare NMR.
Het College volgt de STAB in haar conclusie dat het volledig wegvallen van het inkomen door een pandemie en de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming te uitzonderlijk is om te kunnen aanmerken als een normale maatschappelijke ontwikkeling. Er is daarom geen grond voor een korting op de totale vergoeding vanwege een NMR. Dat betekent dat artikel 3 van de beleidsregel niet rechtsgeldig is. Dat motiveert het College als volgt.
De oorspronkelijke Wvp voorzag in een overgangstermijn van 11 jaar. De onderneming mocht er van uit gaan dat zij gedurende die overgangstermijn overgangsrechtelijke bescherming zou genieten. De vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming is louter ingegeven door de coronapandemie. Een pandemie met vergelijkbare maatschappelijke gevolgen heeft zich niet eerder voorgedaan, zodat de beëindiging van de pelsdierhouderij als gevolg van een pandemie niet in de lijn der verwachtingen lag.
De coronapandemie was bovendien een pandemie onder mensen. Dat het coronavirus van mens op nerts zou worden overgedragen en dat besmetting van nerts op mens vervolgens ook mogelijk was, was evenmin voorzienbaar. Het OMT-Z heeft geadviseerd om in het belang van de volksgezondheid de nertsensector eind 2020 te beëindigen. Dit heeft in Nederland uiteindelijk geleid tot de keuze om de overgangsrechtelijke bescherming om redenen van volksgezondheid drie jaar eerder te laten eindigen. Voor de sector, en dus ook voor de onderneming, was dat niet voorzienbaar.
Anders dan de minister heeft gesteld was geen sprake van een dierziekte, waarmee een houder van dieren als algemeen bedrijfsrisico rekening kon houden. De onderneming heeft onbetwist gesteld dat zich wereldwijd nog nooit een dierziekte bij nertsen heeft voorgedaan. Dat zich onder nertsen geen (besmettelijke) dierziekten voordeden, blijkt ook uit de omstandigheid dat nertsenhouders niet meebetaalden aan het diergezondheidsfonds. Tijdens de zitting is toegelicht dat dit ook niet nodig was, omdat nertsen werden gevaccineerd tegen dierziekten.
Het College volgt de minister niet in het standpunt dat de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming voorzienbaar was omdat deze mede is ingegeven door ethische bezwaren tegen de nertsenhouderij. Uit de toelichting bij de Wvp en de stukken met betrekking tot de behandeling van het wetsvoorstel blijkt niet dat ethische bezwaren een rol speelden bij de vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming. Het argument dat het maatschappelijk niet meer aanvaardbaar is pelsdieren te fokken, is op 1 juli 1999 al uitgesproken in een Kamermotie. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het verbod in 2013, waarbij een overgangsrechtelijke bescherming voor een termijn van 11 jaar is geboden. De discussie over de maatschappelijke aanvaardbaarheid van het houden van pelsdieren was dus afgerond en had zijn neerslag gekregen in de Wet verbod pelsdierhouderij. Het was daarom voor pelsdierhouders ook niet voorzienbaar dat ethische bezwaren tegen de pelsdierhouderij alsnog tot een vervroegde beëindiging van de overgangsrechtelijke bescherming zouden leiden.
Tot slot is het College het niet eens met de stelling van de minister dat een aftrek wegens het NMR mede gerechtvaardigd is omdat het ondernemingsrisico van de onderneming gedurende de laatste drie jaar is weggenomen door de geboden vergoeding. Dit specifieke aspect van het ondernemingsrisico speelt geen rol bij de vaststelling van het NMR. Het had wel betrokken kunnen worden bij de vaststelling van de inkomensschade, maar daarvoor heeft de minister niet gekozen bij de vaststelling van de beleidsregel. Die keuze kan gelet op het rechtszekerheidsbeginsel niet alsnog gemaakt worden.
De beroepsgrond slaagt. De minister heeft ten onrechte een kortingspercentage vanwege het NMR op de totale vergoeding in mindering gebracht. Bij een nieuw te nemen besluit dient de minister de vergoeding vast te stellen zonder deze korting. Conclusies
Het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2022 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Daarbij moet de minister de aftrek vanwege de ruiming van de pelsdierhouderij in 2020 buiten toepassing laten en ook de aftrek van 15% voor normaal maatschappelijk risico buiten toepassing laten.
Het College veroordeelt de minister in de door de onderneming gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 4.081,50 voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze na het deskundigenonderzoek door de STAB, 3 punten voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 907,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
Het College:
- -
-
verklaart het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2022 niet-ontvankelijk;
- -
-
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- -
-
vernietigt het bestreden besluit;
- -
-
draagt de minister op binnen 16 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de aanwijzingen deze uitspraak;
- -
-
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan de onderneming te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van de onderneming tot een bedrag van € 4.081,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, mr. T. Pavićević en mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2025.
w.g. J.L. Verbeek w.g. A.M. Slierendrecht