College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18-02-2025, ECLI:NL:CBB:2025:73, 22/1361 en 23/103
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18-02-2025, ECLI:NL:CBB:2025:73, 22/1361 en 23/103
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 18 februari 2025
- Datum publicatie
- 18 februari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2025:73
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2022:4948, Overig
- Zaaknummer
- 22/1361 en 23/103
- Relevante informatie
- Wet op het financieel toezicht [Tekst geldig vanaf 24-07-2025]
Inhoudsindicatie
Hoger beroep. Bestuurlijke boete wegens vier overtredingen van artikel 5:25i, tweede lid, Wft (oud), verplichting tot onverwijlde publicatie van voorwetenschap. Intern onderzoek naar mogelijk onrechtmatige verkooppraktijken en informatie over deelname aan aanbesteding. Is sprake van voorwetenschap? Het College oordeelt dat overtredingen 1, 2 en 4 niet zijn vast komen te staan. Overtreding 3 is wel vast komen te staan. Overschrijding van de redelijke termijn. Boete wordt vastgesteld op € 675.000-.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 22/1361 en 23/103
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 februari 2025 op de hoger beroepen van:
en
(gemachtigden: mr. R.M.I. Lamp en mr. W.G. Jonker)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2022, kenmerk ROT 19/5888, in het geding tussen SBM en de AFM.
Procesverloop in hoger beroep
De AFM heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 21 juni 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:4948) (aangevallen uitspraak).
SBM heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De AFM en SBM hebben een reactie op elkaars hogerberoepschriften ingediend.
De AFM heeft nogmaals een reactie ingediend.
De zitting was op 19 september 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de AFM en SBM deelgenomen. Verder waren voor de AFM aanwezig [naam 1] en [naam 2] en voor SBM [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door twee tolken.
Overwegingen
Inleiding: geschil, oordeel en leeswijzer
Het geschil gaat over een bestuurlijke boete die de AFM aan SBM heeft opgelegd, omdat zij in de periode 27 maart 2012 tot 12 november 2014 viermaal heeft nagelaten voorwetenschap onverwijld algemeen verkrijgbaar te stellen. SBM is een beursgenoteerde naamloze vennootschap. Als uitgevende instelling is zij verplicht om voorwetenschap onverwijld algemeen verkrijgbaar te stellen. Voorwetenschap is volgens de Wet op het financieel toezicht (Wft) niet openbaargemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op een uitgevende instelling, en waarvan openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de financiële instrumenten van de uitgevende instelling. SBM beschikte over informatie over mogelijke onrechtmatige verkooppraktijken door haar handelsagenten en over informatie over haar deelname aan twee tenders in Brazilië. Zij betwist dat deze informatie kwalificeert als voorwetenschap.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de AFM twee van de vier door haar vastgestelde overtredingen (overtredingen 1 en 2) niet aan het boetebesluit ten grondslag mocht leggen, omdat de AFM daarbij een onjuist juridisch criterium heeft toegepast. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat SBM de twee andere overtredingen (overtredingen 3 en 4) heeft begaan. Zij heeft de door de AFM opgelegde bestuurlijke boete van € 2.000.000,- verlaagd tot € 1.000.000,-.
Het hoger beroep van de AFM richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over het criterium dat de AFM bij de overtredingen 1 en 2 heeft toegepast. De AFM is bij haar beoordeling uitgegaan van een toekomstige situatie of gebeurtenis en heeft zich op het standpunt gesteld dat SBM vanaf 27 maart 2012 (overtreding 1) en opnieuw vanaf 27 mei 2014 (overtreding 2) de verwachting moest hebben dat omkoping in Brazilië in de toekomst zal worden vastgesteld. Het College laat in het midden of de verwachting die SBM volgens de AFM ten aanzien van de toekomst moest hebben, voorwetenschap kan zijn als bedoeld in de Wft. De feiten en omstandigheden waarop de AFM de overtredingen 1 en 2 heeft gebaseerd, vormen al onvoldoende grondslag voor de conclusie dat SBM moest aannemen dat in de toekomst omkoping in Brazilië zou worden vastgesteld. De AFM heeft dus niet het bewijs geleverd dat SBM de overtredingen 1 en 2 heeft begaan.
Het incidenteel hoger beroep van SBM richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat SBM de overtredingen 3 en 4 heeft begaan en de door de rechtbank vastgestelde hoogte van de boete. Bij overtreding 3 gaat het om de vraag of een brief die SBM op 24 mei 2014 van de Braziliaanse oliemaatschappij heeft ontvangen over haar deelname aan twee tenders leidt tot voorwetenschap bij SBM en zo ja, of SBM de openbaarmaking daarvan mocht uitstellen. Bij overtreding 4 gaat het om de vraag of de informatie die SBM op 4 juni 2014 van de Braziliaanse oliemaatschappij heeft ontvangen over haar deelname aan de tenders kwalificeert als voorwetenschap. Het College is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat SBM overtreding 3 heeft begaan. Overtreding 4 is naar het oordeel van het College niet vast komen te staan, omdat de AFM niet het bewijs heeft geleverd dat de openbaarmaking van die informatie een significante invloed zou kunnen hebben gehad op de koers van de aandelen van SBM. Dit heeft ook gevolgen voor de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde boete.
Uitkomst van de procedure is dat het hoger beroep van de AFM niet slaagt en dat het incidenteel hoger beroep van SBM slaagt voor zover het overtreding 4 en de hoogte van de boete betreft. Dat betekent dat SBM één overtreding heeft begaan (overtreding 3). Voor die overtreding acht het College een boete van € 675.000,- passend en geboden. Het College stelt de boete op dit bedrag vast.
Hieronder geeft het College eerst informatie over de achtergrond van het geschil en het onderzoek van de AFM, haar besluitvorming en de uitspraak van de rechtbank. Daarna zal het College eerst het hoger beroep van de AFM over de overtredingen 1 en 2 bespreken en vervolgens het incidenteel hoger van SBM over de overtredingen 3 en 4 en de overige hoger beroepsgronden van SBM. De feiten en omstandigheden waarop de door de AFM vastgestelde overtredingen berusten, de relevante overwegingen van de rechtbank en de standpunten en argumenten van de partijen zullen bij de bespreking van de betreffende hoger beroepsgronden worden weergegeven. Vervolgens motiveert het College zijn oordeel over de hoger beroepsgronden en geeft het tot slot zijn beslissing.
De achtergrond van het geschil
SBM is actief in de offshoresector. De dienstverlening van SBM betreft voornamelijk het ontwerpen, bouwen, leasen en exploiteren van drijvende opslag- en productieplatforms voor de offshore energie-industrie. De Engelse benaming voor een dergelijk platform is Floating Production and Storing Offloading System (FPSO). Haar klanten zijn olie- en gasbedrijven, zoals de Braziliaanse oliemaatschappij Petráleo Brasileiro S.A. (Petrobras). SBM is wereldwijd actief. De belangrijkste landen waarin SBM actief was in de periode 2012-2014 (op basis van omzet en potentiële groei) waren Brazilië, Angola en Equatoriaal-Guinea. SBM maakte in deze landen gebruik van handelsagenten. [handelsagent 1] was ten tijde hier van belang de handelsagent van SBM in Brazilië. [handelsagent 2] was van 2008 tot 2012 de handelsagent van SBM in Afrika (met name Equatoriaal-Guinea en Angola). Daarvóór (van 2000 tot 2008) was hij Head Sales & Marketing Worldwide van SBM.
Op 31 januari 2012 kreeg SBM van een klant de melding dat haar handelsagent [handelsagent 2] mogelijk goederen van waarde had gegeven aan overheidsfunctionarissen in Equatoriaal- Guinea. Dit was voor SBM aanleiding tot het starten van een intern onderzoek naar mogelijke onregelmatigheden ten aanzien van haar handelsagenten. SBM riep een Compliance Task Force Team in het leven dat de betalingen aan handelsagenten ging bekijken. Daarnaast zette SBM alle betalingen aan haar handelsagenten wereldwijd stop hangende het onderzoek.
Op 6 april 2012 stelde SBM het Openbaar Ministerie (OM) en de Amerikaanse autoriteiten (Department of Justice) op de hoogte van het interne onderzoek. Op 10 april 2012 publiceerde SBM een persbericht over de benoeming van [naam 5] als Chief Governance and Compliance Officer, waarin tevens melding is gemaakt van het interne onderzoek met de volgende inhoud:
“[...] In 2011, SBM Offshore’s Management Board launched a review of the Company’s compliance procedures, including its anti-corruption guidelines, and their implementation. The addition of a Management Board position reflects the determination of SBM Offshore's new CEO, [naam 6] , and of the Supervisory Board to establish a robust compliance culture throughout the Company.
As part of this review, the Company has recently become aware of certain sales practices involving third parties and which may have been improper. Outside counsel and forensic accountants, reporting to both the Management and Supervisory Boards, have been engaged to investigate these practices thoroughly. The Company has also taken the necessary steps to terminate any such practices. SBM Offshore has disclosed its internal investigation to appropriate authorities and is taking remedial action to enhance its compliance programme. [...]”
Nadat SBM op 28 maart 2013 een persbericht had uitgebracht over de stand van zaken wat betreft het onderzoek, bracht zij op 2 april 2014 een persbericht uit over de afronding van het interne onderzoek en de resultaten ervan met de volgende inhoud:
“[...] Today, SBM Offshore presents the findings of its internal investigation, which it started in the first quarter of 2012, as the investigators have completed their investigative activities. The investigation, which was carried out by independent external counsel and forensic accountants, focused on the use of agents over the period 2007 through 2011. In summary, the main findings are:
• The Company paid approximately US$ 200 million in commissions to agents during that period of which the majority relate to three countries: US$ 18.8 million to Equatorial Guinea, US$ 22.7 million to Angola and US$ 139.1 million to Brazil;
• In respect of Angola and Equatorial Guinea there is some evidence that payments may have been made directly or indirectly to government officials;
• In respect of Brazil there were certain red flags but the investigation did not find any credible evidence that the Company or the Company’s agent made improper payments to government officials (including state company employees). Rather, the agent provided substantial and legitimate services in a market which is by far the largest for the Company;
• The Company voluntarily reported its internal investigation to the Dutch Openbaar Ministerie and the US Department of Justice in April 2012. It is presently discussing the disclosure of its definitive findings with the Openbaar Ministerie, whilst simultaneously continuing its engagement with the US Department of Justice.
New information could surface in the context of the review by these authorities or otherwise which has not come up in the internal investigation to date;
• At this time, the Company is still not in a position to estimate the ultimate consequences, financial or otherwise, if any, of that review;
[...]
Brazil
The investigation team further conducted a detailed investigation into the relationship between Group companies and their main agent in Brazil, and companies owned by that agent and the agent’s family members and/or business partners. There were certain red flags but the investigators did not find any credible evidence that the agent made improper payments to government officials (including state company employees) in Brazil. Furthermore, evidence was found that the agent provided substantial and legitimate services to the Company, at a time when SBM’s permanent non-operational presence in Brazil was very limited (4 people in 2007 compared to 220 today). Aggregate payments to sales agents by Group companies in relation to Brazil in the years 2007 through 2011 totalled US$ 139.1 million, of which US$ 123.7 million was paid to the primary agent.
[...]
Op 13 mei 2014 ontving SBM een schriftelijke bevestiging van de Braziliaanse onderneming Quieroz Galvão Óleo e Gás (QGOG) van de opname van SBM op de lijst met geaccrediteerde partijen. Op grond daarvan kon SBM deelnemen aan de tenderprocedures die betrekking hadden op de exploitatie van twee olievelden voor de kust van Brazilië (Tartaruga Verde/Mestiga en Libra).
Op 21 mei 2014 stelde het OM SBM ervan op de hoogte dat betalingen zijn aangetroffen van [handelsagent 1] aan een medewerker van Petrobras (het Novum). Hierover nam SBM op 23 mei 2014 contact op met Petrobras. Vervolgens deelde Petrobras SBM bij brief van 24 mei 2014 mee dat zij haar besluit om SBM te aanvaarden als geaccrediteerde partij voor de tenders terugdraait (de Uitsluiting). Op 26 mei 2014 bespraken SBM en Petrobras deze brief en de gevolgen ervan.
Op 27 mei 2014 toonde het OM tijdens een bespreking met SBM en de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) een zogenoemde flowchart met een schematische weergave van en aanvullende informatie over de aangetroffen betalingen.
Op 27 mei 2014 verstuurde SBM een brief aan Petrobras met het verzoek de Uitsluiting te heroverwegen. Op diezelfde dag liet Petrobras SBM weten de Uitsluiting te handhaven.
In een nieuwsbericht van 27 mei 2014 staat dat [naam 12] , de CEO van Petrobras, in een parlementaire hoorzitting heeft verklaard dat SBM niet mag meedingen naar tenders totdat alle onderzoeken in Brazilië zijn afgerond.
Op 28 mei 2014 bracht SBM een persbericht uit met de volgende inhoud:
“[...]
SBM Offshore confirms that it is in dialogue with Petrobras regarding participation in the upcoming Tartaruga Verde and Libra tenders. The Company has deployed significant resources on bidding activities to date and as such is seeking clarification, legal and otherwise, for the potential exclusion from both tenders. SBM Offshore will inform the market when a conclusion is reached.[...]”
Op 12 juni 2014 bracht SBM een persbericht uit met de volgende inhoud:
“[...]
On May 28, 2014 SBM Offshore confirmed that it was in dialogue with Petrobras regarding participation in the upcoming Tartaruga Verde and Libra tenders. Based on those discussions, the Company will not participate as an international contractor in the current tenders for the Tartaruga Verde and Libra fields.[...]”
Op 12 november 2014 accepteerde SBM een transactievoorstel van het OM van USD 240.000.000,- in verband met ongeoorloofde betalingen aan handelsagenten en overheidsfunctionarissen in Equatoriaal-Guinea, Angola en Brazilië in de periode 2007 tot en met 2011. Ook in de Verenigde Staten van Amerika en Brazilië trof SBM schikkingen die deels zien op haar handelspraktijk in Brazilië.
Onderzoek AFM en besluitvorming
In de periode van april 2016 tot augustus 2018 heeft de AFM onderzocht of SBM beschikte over voorwetenschap en in hoeverre zij eventuele voorwetenschap onverwijld algemeen verkrijgbaar heeft gesteld. Het onderzoek behelsde het opvragen van elektronische correspondentie bij SBM, informatie-uitwisseling met de FIOD en Petrobras en het raadplegen van openbare bronnen en externe berichtgeving van SBM en het OM. De AFM heeft het conceptrapport van het onderzoek aan SBM voorgelegd, waarop SBM heeft gereageerd. De definitieve bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 19 oktober 2018 en op die datum heeft de AFM het voornemen kenbaar gemaakt een boete op te leggen, waarop SBM heeft gereageerd.
Met het besluit van 28 maart 2019 (boetebesluit) heeft de AFM aan SBM een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.000.000,-. SBM heeft volgens de AFM in de periode 27 maart 2012 tot 12 november 2014 viermaal nagelaten voorwetenschap onverwijld algemeen verkrijgbaar te stellen. Meer in het bijzonder gaat het om het volgende:
(1) Vanaf 27 maart 2012 beschikte SBM over de voorwetenschap dat verkooppraktijken in Brazilië mogelijk onrechtmatig zijn geweest (ook wel de 27 Maart Informatie). Die voorwetenschap is ten onrechte eerst gepubliceerd op 2 april 2014 (overtreding 1);
(2) Vanaf 27 mei 2014 beschikte SBM (opnieuw) over de voorwetenschap dat verkooppraktijken in Brazilië mogelijk onrechtmatig zijn geweest (ook wel de 27 Mei Informatie). Die voorwetenschap is ten onrechte eerst gepubliceerd op 12 november 2014 (overtreding 2);
(3) Vanaf 24 mei 2014 beschikte SBM over de voorwetenschap dat Petrobras haar heeft uitgesloten van deelname aan twee tenders (ook wel de Uitsluiting). Die voorwetenschap is ten onrechte eerst gepubliceerd op 28 mei 2014 (overtreding 3)
(4) Vanaf 5 juni 2014 beschikte SBM over de voorwetenschap dat Petrobras de Uitsluiting (na een beroep van SBM daartegen) heeft gehandhaafd (ook wel de Definitieve Uitsluiting). Die voorwetenschap is ten onrechte eerst gepubliceerd op 12 juni 2014 (overtreding 4).
Met het besluit van 10 oktober 2019 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de AFM het bezwaar van SBM tegen het boetebesluit ongegrond verklaard.
De aangevallen uitspraak
4 De rechtbank heeft het beroep van SBM gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover betrekking hebbend op de overtredingen 1 en 2 en de hoogte van de opgelegde boete en het boetebesluit in zoverre herroepen. De rechtbank heeft de hoogte van de aan SBM voor de overtredingen 3 en 4 op te leggen boete vastgesteld op € 1.000.000,- en bepaald dat uitspraak in zoverre in plaats treedt aan het bestreden besluit.
Beoordeling van het hoger beroep van de AFM
Heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat overtredingen 1 en 2 niet aan het boetebesluit ten grondslag kunnen worden gelegd?
De AFM stelt dat SBM uiterlijk op 27 maart 2012 (overtreding 1) en 27 mei 2014 (overtreding 2) kennis heeft genomen van concrete informatie op grond waarvan SBM redelijkerwijs mocht aannemen dat in de toekomst omkoping in haar handelspraktijk in Brazilië zou worden vastgesteld. De AFM verwijt SBM dat zij deze informatie niet onverwijld algemeen verkrijgbaar heeft gesteld.
Feiten en omstandigheden overtreding 1
Aan overtreding 1 heeft de AFM de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd:
- Op 31 januari 2012 kreeg SBM een melding dat [handelsagent 2] gelden van SBM heeft gebruikt om bepaalde voorwerpen van waarde aan te schaffen voor een voormalige medewerker van een klant en twee voormalige medewerkers van GEPetrol (de staatsoliemaatschappij van Equatoriaal-Guinea). [handelsagent 2] heeft dit bevestigd;
- De melding is voor SBM aanleiding tot het instellen van een intern onderzoek naar mogelijk onrechtmatige handelspraktijken door handelsagenten wereldwijd. Tevens zet SBM alle betalingen aan haar handelsagenten wereldwijd stop en richt een Compliance Task Force Team op dat de betalingen aan SBM’s handelsagenten bekijkt;
- Op 7 februari 2012 opent [naam 6] (de nieuwe CEO van SBM) de kluis van de voormalige CEO van SBM. Hierin worden overeenkomsten tussen SBM en [handelsagent 2] en zijn bedrijven en overeenkomsten tussen SBM en [handelsagent 1] aangetroffen. De betalingen aan [handelsagent 1] worden ook betrokken in het onderzoek;
- Op 7 februari 2012 worden [naam 7] (Chief Operations Officer (COO) van SBM) en zijn secretaresse aangetroffen in zijn kantoor terwijl zij documenten in vuilniszakken stoppen (het ‘binning incident’). Twaalf vuilniszakken worden veiliggesteld door [naam 8] (Deputy General Counsel van SBM) en meegenomen in het interne onderzoek. Het gaat mede om documenten die betrekking hebben op de verkooppraktijk in Brazilië;
- In februari 2012 stelt het Compliance Task Force Team een overzicht op van 122 agenten die voor SBM werkzaam zijn geweest, hun werkzaamheden, gesignaleerde ‘red flags’ en de betalingen door SBM aan de agenten. Op 21 februari 2012 noemt [naam 9] , lid van het Compliance Task Force Team, de ondernemingen van [handelsagent 1] ‘problematisch’. [naam 10] (Legal Counsel van SBM) stuurt de resultaten van een onderzoek aan [naam 6] . Hieruit blijkt dat negen handelsagenten worden aangemerkt als ‘high risk agents’, onder wie [handelsagent 1] en zijn ondernemingen. Hieruit blijkt ook dat in Brazilië de hoogste bedragen zijn uitgekeerd door SBM aan [handelsagent 1] en zijn ondernemingen;
- Op 24 maart 2012 zegt [naam 6] tegen [naam 9] en [naam 10] dat het evident is dat [handelsagent 1] nader onderzocht moet worden. Hij geeft aan zich ziek te voelen na het zien van de inhoud van de kluis van zijn voorganger en gezien te hebben hoe ‘rotten to the core’ de commerciële staf van SBM is;
- Op 27 maart 2012 stuurt [naam 9] aan [naam 6] een e-mail waarin hij refereert aan zijn formele melding van wijdverspreide omkoping bij SBM en zijn zorgen uit over hoe er sindsdien met hem is omgegaan;
- Op 27 maart 2012 verklaart [handelsagent 2] dat een deel van de betalingen van SBM aan [handelsagent 1] wordt doorbetaald aan medewerkers van Petrobras.
De AFM staat op het standpunt dat SBM (in ieder geval) na dit gesprek met [handelsagent 2] op 27 maart 2012 beschikte over informatie op basis waarvan in onderlinge samenhang bezien redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat omkoping in Brazilië in de toekomst zal worden vastgesteld. SBM heeft nagelaten deze voorwetenschap onverwijld algemeen verkrijgbaar te stellen. De voorwetenschap die SBM algemeen verkrijgbaar had moeten stellen, is beperkt tot de informatie dat SBM bekend is met verkooppraktijken in Brazilië die mogelijk onrechtmatig zijn geweest. Dat geeft immers, in de visie van de AFM, de stand van zaken op dat moment weer. Deze overtreding eindigt volgens de AFM met het persbericht van SBM van 2 april 2014.
Feiten en omstandigheden overtreding 2
Aan overtreding 2 heeft de AFM de volgende feiten en omstandigheden, bezien in samenhang met de informatie die relevant is in het kader van overtreding 1, ten grondslag gelegd:
- Op 21 mei 2014 wordt SBM telefonisch geïnformeerd door het OM dat de Zwitserse autoriteiten betalingen hebben aangetroffen aan een medewerker van Petrobras, afkomstig van Zwitserse bankrekeningen op naam van [handelsagent 1] (het Novum). Het gaat om betalingen van in totaal 9,5 miljoen Zwitserse Franken die zijn gedaan in 2004 en tussen 2006 en 2011. SBM ontvangt hiermee informatie over geldstromen van haar agent ten aanzien van de vermoedelijke omkoping, waarin zij voorheen zelf geen inzage kon krijgen;
- Op 23 mei 2014 deelt [naam 6] deze mededeling telefonisch met [naam 12] (CEO van Petrobras). Petrobras deelt deze informatie met de Braziliaanse autoriteiten;
- Op 24 mei 2014 informeert Petrobras SBM per brief dat zij de acceptatie terugdraait van SBM als samenwerkingspartner van QGOG ten behoeve van twee tenders;
- Op 25 mei 2014 worden het Novum en de brief besproken tijdens een vergadering van de Raad van Commissarissen en de Raad van Bestuur van SBM. Uit de notulen hiervan blijkt volgens de AFM dat SBM uitgaat van de juistheid van de informatie van het OM. De Raad van Bestuur ziet aanleiding voor een persbericht dat zou moeten benadrukken dat de informatie van het OM nieuw is en dat SBM daartoe geen toegang had. Een conceptpersbericht wordt opgesteld, maar uiteindelijk niet gepubliceerd;
- Op 27 mei 2014 vindt een bespreking tussen SBM en de FIOD plaats. De FIOD toont een flowchart waarin de op basis van het Zwitserse onderzoek ontdekte geldstromen inzichtelijk worden gemaakt en hierop wordt een toelichting gegeven. Uit de flowchart blijkt dat [handelsagent 1] vanuit drie van zijn offshore vennootschappen betalingen van in totaal 9,5 miljoen Zwitserse Franken heeft gedaan aan een medewerker van Petrobras. Door SBM zijn op verzoek van [handelsagent 1] betalingen aan deze vennootschappen gedaan in ruil voor zijn diensten aan SBM.
De AFM stelt zich op het standpunt dat SBM uiterlijk op 27 mei 2014 beschikte over informatie op grond waarvan in onderlinge samenhang bezien redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat in de toekomst vastgesteld zal worden dat omkoping heeft plaatsgevonden in het kader van haar handelspraktijk in Brazilië. SBM heeft nagelaten deze voorwetenschap onverwijld algemeen verkrijgbaar te stellen. Deze overtreding eindigt volgens de AFM met het persbericht van SBM van 12 november 2014.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“[...]4.3.10 De AFM heeft bij de beoordeling of sprake is van concrete informatie in de zin van voorwetenschap de keuze gemaakt om niet uit te gaan van een bestaande situatie of een situatie die heeft plaatsgevonden (waarbij volgens de guidance voldoende ‘hard’ en objectief bewijs voor die situatie moet bestaan), maar van een toekomstige situatie of een gebeurtenis waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij zal plaatsvinden. In dit laatste geval gaat het, gelet op het voorgaande, om situaties en gebeurtenissen waarvan het op basis van een globale beoordeling van de reeds beschikbare gegevens reëel is te veronderstellen dat zij zullen ontstaan of plaatsvinden. De AFM stelt zich op het standpunt dat SBM op 27 maart 2012 en opnieuw op 27 mei 2014 redelijkerwijs moest verwachten dat in de toekomst omkoping in Brazilië zou worden vastgesteld. Om die verwachting te (moeten) hebben, is bewijs niet nodig; een aanzienlijke kans dat deze situatie zich gaat voordoen, is voldoende volgens de AFM.
Met SBM is de rechtbank van oordeel dat de AFM hiermee een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de feiten en omstandigheden die de AFM als grondslag voor de gestelde overtredingen 1 en 2 heeft gehanteerd betrekking op een bestaande situatie, namelijk de op 27 maart 2012 en 27 mei 2014 bij SBM bekende informatie over mogelijke omkoping in Brazilië. Zoals SBM terecht aanvoert, heeft het door de AFM gehanteerde criterium tot gevolg dat veel bestaande situaties kunnen worden geherdefinieerd tot toekomstige situaties, waarvoor een ander toetsingscriterium geldt (“may reasonably be expected to come into existence” in plaats van “firm and objective evidence (...) i.e. if it can be proved to have happened or to exist”). Een dergelijke herdefiniëring acht de rechtbank niet in lijn met de Marktmisbruikrichtlijn en de guidance.
Voor zover de door de AFM gehanteerde interpretatie wel juist zou zijn, is de rechtbank overigens met SBM van oordeel dat deze invulling van de norm voor SBM (en andere marktpartijen) ten tijde van de overtredingen redelijkerwijs niet voorzienbaar was, zodat beboeting in strijd komt met het lex certa-beginsel. Zo is de rechtbank, ondanks het uitgebreide debat dat daarover ter zitting met partijen is gevoerd, niet gebleken van (en heeft de AFM ook niet gewezen op) eerdere jurisprudentie waarin een vergelijkbare situatie aan de orde is. De guidance biedt evenmin steun aan de door de AFM voorgestane uitleg.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de AFM van een onjuist criterium is uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank diende de AFM uit te gaan van de in de tweede volzin van deze rechtsoverweging omschreven bestaande situatie ten aanzien van overtreding 1 en 2 en niet van een toekomstige situatie in de vorm van de mogelijkheid dat in de toekomst omkoping (uit het verleden) zou worden vastgesteld.[...]
Het voorgaande brengt mee dat de beroepsgrond dat de AFM in het kader van overtredingen 1 en 2 een onjuist criterium heeft aangelegd slaagt. De AFM heeft niet buiten redelijke twijfel aangetoond dat SBM op 27 maart 2012 en 27 mei 2014 artikel 5:25i, tweede lid, van de Wft heeft overtreden. De AFM heeft overtredingen 1 en 2 dan ook niet aan het primaire en bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen.
[...]”
Standpunten van partijen in hoger beroep
De AFM heeft vijf hoger beroepsgronden aangevoerd tegen de hiervoor geciteerde overwegingen van de rechtbank. In de eerste plaats betoogt de AFM dat zij bij de beoordeling of sprake is van concrete informatie in de zin van voorwetenschap terecht is uitgegaan van een toekomstige situatie waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal plaatsvinden. Ten tweede betoogt de AFM dat de rechtbank niet (althans onvoldoende) inzichtelijk maakt hoe zij tot de conclusie komt dat sprake is van een bestaande situatie, waarmee aan haar overwegingen een motiveringsgebrek kleeft. Als derde beroepsgrond voert de AFM aan dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat de door de AFM voorgestane toepassing van het concreetheidsvereiste, bestaande situaties laat herdefiniëren in toekomstige situaties en dat ook aan deze overwegingen een motiveringsgebrek kleeft. In de vierde beroepsgrond voert de AFM aan dat de door de rechtbank voorgestane toepassing van het concreetheidsvereiste onduidelijkheden oproept. Met haar vijfde beroepsgrond betoogt de AFM dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat de door de AFM voorgestane toepassing van het concreetheidsvereiste niet voorzienbaar zou zijn.
SBM heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De uitleg die de AFM bepleit, volgt volgens SBM niet uit de wettekst van de relevante richtlijnen, kent geen precedent en wordt ook elders in de Europese Unie niet gehanteerd. SBM verzoekt om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie), mocht het College willen oordelen dat de maatstaf die de AFM bepleit juist is. Subsidiair stelt SBM zich op het standpunt dat het College als het hoger beroep van de AFM slaagt, alle gronden die SBM bij de rechtbank naar voren heeft gebracht, in de beoordeling moet betrekken. In dat verband betwist SBM onder meer dat zij op grond van de door de AFM genoemde feiten en omstandigheden op 27 maart 2012 en 27 mei 2014 moest verwachten dat omkoping in Brazilië in de toekomst zou worden vastgesteld. De indicaties waarover SBM beschikte, waren op die tijdstippen onvoldoende concreet voor het oordeel dat sprake was van de voorwetenschap dat in de toekomst vastgesteld zal worden dat omkoping heeft plaatsgevonden in het kader van haar handelspraktijk in Brazilië.
Juridisch kader
Het relevante toetsingskader voor de beoordeling wordt hier gevormd door de artikelen 5:25i en 5:53 van de Wft (oud). Deze artikelen zijn op 11 augustus 2016 ingetrokken, omdat op 3 juli 2016 Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (Verordening marktmisbruik) van toepassing is geworden. Omdat met de inwerkingtreding van de Verordening marktmisbruik geen materiële wijziging van de norm is beoogd en ook geen gunstiger regime in werking is getreden, neemt het College (evenals de rechtbank) bij zijn beoordeling het recht zoals dat gold op het moment van het begaan van de gestelde overtredingen tot uitgangspunt.
Op grond van artikel 5:25i, tweede lid, (oud) van de Wft moet een uitgevende instelling informatie als bedoeld in de definitie van voorwetenschap rechtstreeks op haar betrekking heeft, onverwijld algemeen verkrijgbaar stellen.
Op grond van artikel 5:53, eerste lid, (oud) van de Wft is van voorwetenschap sprake als de uitgevende instelling bekend is met informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk op haar betrekking heeft en die niet openbaar is gemaakt en waarvan openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de financiële instrumenten van de uitgevende instelling of op de koers van daarvan afgeleide financiële instrumenten.
Artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (richtlijn 2003/6) omschrijft ‘voorwetenschap’ als niet openbaargemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op een of meer emittenten van financiële instrumenten of op een of meer financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten.
In artikel 1, eerste lid, van richtlijn 2003/124/EG van de Commissie van 22 december 2003 tot uitvoering van richtlijn 2003/6 (richtlijn 2003/124) is dit begrip nader omschreven. Informatie wordt geacht ‘concreet’ te zijn indien zij betrekking heeft op een situatie die bestaat of waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij zal ontstaan, dan wel op een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden of waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij zal plaatsvinden, en indien de informatie specifiek genoeg is om er een conclusie uit te trekken omtrent de mogelijke invloed van bovenbedoelde situatie of gebeurtenis op de koers van financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten. Beide richtlijnen zijn ingetrokken met de Verordening marktmisbruik.
Het Committee of European Securities Regulators (CESR) heeft in 2007 nadere richting gegeven voor de beoordeling wanneer informatie kwalificeert als “concreet” (zie de publicatie “Market Abuse Directive; Level 3 - second set of CESR guidance and information on the common operation of the Directive to the market”; juli 2007, CESR/06-562b; richtsnoeren). Daarin staat onder meer (onder 1.5):
“The precise nature of information is to be assessed on a case-by-case basis and depends on what the information is and the surrounding context. However, the following general points can be made. CESR considers that in determining whether a set of circumstances exists or an event has occurred, a key issue is whether there is firm and objective evidence for this as opposed to rumours or speculation i.e. if it can be proved to have happened or to exist.
(...)
When considering what may reasonably be expected to come into existence, the key issue is whether it is reasonable to draw this conclusion based on the ex ante information available at the time. It should be noted that CESR considers that in general, (...) issuers are under no obligation to respond to speculation or market rumours which are without substance.”
In het midden kan blijven of de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de AFM bij overtredingen 1 en 2 een onjuiste maatstaf heeft aangelegd
De nationale rechter dient de hiervoor weergegeven nationaal rechtelijke bepalingen, waarmee uitvoering is gegeven aan artikel 1, punt 1, van richtlijn 2003/6 en artikel 1, eerste lid, van richtlijn 2003/124, zo veel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel ervan, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 28 juni 2012 (C-19/11, Geltl, ECLI:EU:C:2012:397, punt 40) deze bepalingen aldus uitgelegd dat in het geval van een in de tijd gespreid proces dat erop is gericht een bepaalde situatie of gebeurtenis te doen plaatsvinden, niet alleen deze situatie of gebeurtenis, maar ook tussenstappen van dit proces die verband houden met de verwezenlijking van deze situatie of gebeurtenis, concrete informatie in de zin van deze bepalingen kunnen zijn. Verder heeft het over artikel 1, eerste lid, van richtlijn 2003/124 overwogen dat door de formulering ‘waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen’ te gebruiken, dit artikel bijgevolg betrekking heeft op toekomstige situaties en gebeurtenissen waarvan het op basis van een globale beoordeling van de reeds beschikbare gegevens reëel is te veronderstellen dat zij zullen ontstaan of plaatsvinden.
Volgens de AFM heeft de openbaar te maken informatie – dat bepaalde verkooppraktijken in het verleden mogelijk onrechtmatig zijn geweest – betrekking op een verwachting in de toekomst, namelijk dat op 27 maart 2012 en 27 mei 2014 redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat in de toekomst sprake zou zijn van de vaststelling dat bepaalde verkooppraktijken in het verleden in Brazilië onrechtmatig zijn. Op de zitting heeft de AFM dit nader gepreciseerd in die zin dat het gaat om een vaststelling door een rechterlijke uitspraak, een schikking of een erkenning. Het gaat hier anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest Geltl dus niet om een – kort gezegd – in de tijd gespreid proces, maar om een veronderstelling over een toekomstige situatie of gebeurtenis gebaseerd op wat in het verleden heeft plaatsgevonden (omkoping in Brazilië). Of, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, dit geen toekomstige, maar een bestaande situatie of gebeurtenis is waarvoor een ander toetsingscriterium (“may reasonably be expected to come into existence” in plaats van “firm and objective evidence (...) i.e. if it can be proved to have happened or to exist”) geldt, kan hier echter in het midden blijven. Zelfs als ervan moet worden uitgegaan dat de AFM het juiste criterium heeft gehanteerd, moet worden geoordeeld dat SBM – op basis van de door de AFM genoemde feiten en omstandigheden – op respectievelijk 27 maart 2012 en 27 mei 2014 niet redelijkerwijs hoefde aan te nemen dat in de toekomst omkoping in Brazilië zou worden vastgesteld. Het College zal dit oordeel hierna, na een weergave van de standpunten van partijen hierover, motiveren. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 1, eerste lid, van richtlijn 2003/124, nu het antwoord erop, hoe het ook luidt, geen invloed kan hebben op de oplossing van het geschil (vergelijk de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, C-283/81, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10 en van 6 oktober 2021, C-561/19, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34).
Moest SBM op 27 maart 2012 redelijkerwijs verwachten dat in de toekomst omkoping in Brazilië zou worden vastgesteld?
SBM betwist dat zij op grond van de omstandigheden die aan de overtreding van 27 maart 2012 ten grondslag zijn gelegd, in onderling samenhang bezien, redelijkerwijs moest aannemen dat in de toekomst omkoping zou worden vastgesteld in Brazilië. Daartoe voert zij het volgende aan. De meeste van deze omstandigheden zagen niet of niet specifiek op de situatie in Brazilië en de reikwijdte van het interne onderzoek was wereldwijd. Van de aangetroffen documenten in de kluis van de voormalige CEO en de documenten van het ‘binning-incident’ zagen slechts enkele op de Braziliaanse handelsagent [handelsagent 1] . Het overgrote deel had betrekking op de Equatoriaal-Guinea en Angola. [handelsagent 1] was niet als enige als "high risk" aangemerkt; er waren nog negen andere handelsagenten die opereerden in andere landen dan Brazilië en die eenzelfde indicatie hadden meegekregen. Tegenover de gesignaleerde red flags ten aanzien van [handelsagent 1] stonden andere feiten en omstandigheden die maakten dat zonder nader onderzoek conclusies op basis van de red flags niet op hun plaats waren. De uitspraak van [naam 6] op 24 maart 2012 vond plaats in het licht van de zorgen die er sinds januari 2012 bij SBM bestonden over mogelijke onregelmatigheden in de gehele (wereldwijde) Sales & Marketing organisatie en waarnaar onderzoek werd gedaan. [naam 6] had op dat moment nog geen verwachting over de uitkomst van het interne onderzoek. Dee-mail van [naam 9] aan [naam 6] van 27 maart 2012, waarin [naam 9] refereert aan zijn formele melding van wijdverspreide corruptie, bevat geen geografische duiding, terwijl geen sprake was van een formele melding waarnaar [naam 9] in zijn e-mail verwijst. De opmerking van [handelsagent 2] op 27 maart 2012 is gedaan tijdens een lang interview dat voor het overgrote deel ging over zijn eigen handelspraktijken in Equatoriaal-Guinea en Angola. Deze opmerking behelsde beschuldigingen over mogelijke oneerlijke handelspraktijken in Brazilië, maar die informatie was niet concreet en niet op enige wijze gesubstantieerd. [handelsagent 2] was zelf niet betrokken bij SBM’s handelspraktijk in Brazilië. Bij de betrouwbaarheid van [handelsagent 2] uitspraken over de Braziliaanse handelsagent konden dan ook vraagtekens worden geplaatst. SBM nam de uitspraken van [handelsagent 2] serieus, zoals ook andere indicaties van mogelijke omkoping en heeft deze onderzocht. De door de AFM genoemde omstandigheden zijn in onderlinge samenhang tijdens de vergadering van SBM’s Management en Supervisory Board op 5 april 2012 besproken en meegewogen in de besluitvorming van de ondernemingsleiding op dat moment. Duidelijk was dat er een mogelijk ernstig probleem was dat de gehele organisatie betrof. Op basis daarvan informeerde SBM de markt op 10 april 2012 met een persbericht, waarin zij bekendmaakte dat zij bekend was met mogelijke onregelmatigheden in haar handelspraktijk en dat zij daar nader onderzoek naar deed. De op dat moment bekende feiten en omstandigheden rechtvaardigden echter niet dat SBM een redelijke verwachting had moeten hebben dat in toekomst omkoping in haar handelspraktijk in Brazilië zou worden vastgesteld.
De AFM stelt zich op het standpunt dat SBM op grond van de hiervoor onder 5.2 genoemde feiten en omstandigheden redelijkerwijs moest verwachten dat in de toekomst omkoping in Brazilië zou worden vastgesteld. De AFM heeft deze feiten en omstandigheden niet afzonderlijk, maar in onderlinge samenhang beoordeeld. Dat SBM stelt dat zij niet bekend is met een formele melding van wijdverspreide omkoping door [naam 9] , acht de AFM niet relevant. Relevant is dat [naam 9] als General Councel van SBM in een e-mail aan het bestuur spreekt over wijdverspreide omkoping. Aan de verklaring van [handelsagent 2] komt zeker bewijswaarde toe. De AFM ziet niet in op welke wijze de verklaring van [handelsagent 2] over [handelsagent 1] in het interview zijn belang dient. [handelsagent 2] was weliswaar geen handelsagent in Brazilie, maar gelet op zijn eerdere functie als Sales Director in de periode 2000 tot 2008 had hij te maken met verschillende handelsagenten, onder wie [handelsagent 1] . Volgens de AFM beschikte SBM (in ieder geval) na het gesprek op 27 maart 2012 over gegevens op basis waarvan redelijkerwijs moest worden aangenomen dat omkoping in de toekomst in Brazilië zou worden vastgesteld.
Het College is van oordeel dat de feiten en omstandigheden zoals door de AFM ten grondslag gelegd aan overtreding 1, beschouwd in onderling verband, niet maken dat SBM op 27 maart 2012 redelijkerwijs moest aannemen dat in de toekomst in Brazilië omkoping zou worden vastgesteld. De verklaring van [handelsagent 2] van 27 maart 2012, die voor de AFM het omslagpunt vormt naar concrete informatie, is daarvoor op zichzelf, maar ook in samenhang met de overige gegevens, een te smalle basis. Zoals SBM ook heeft toegelicht, was [handelsagent 2] niet zelf betrokken bij SBM’s handelspraktijk in Brazilië en leverde hij geen bewijs of een onderbouwing voor zijn verklaring dat commissiebetalingen van SBM aan [handelsagent 1] zouden zijn terecht gekomen bij (medewerkers van) Petrobras. De juistheid van [handelsagent 2] ’s uitlatingen stond op dat moment dus niet vast. De omstandigheid dat [handelsagent 2] zoals de AFM stelt, ruim dertig jaar werkzaam was bij SBM en hij in het licht van zijn functies en ervaring bij SBM op de hoogte kon zijn geweest van de verkooppraktijken van SBM, maakt niet dat SBM de uitlatingen van [handelsagent 2] zonder nader onderzoek voor waar moest houden. Ook de overige omstandigheden in het door de AFM gestelde feitencomplex bevatten onvoldoende concrete informatie om in betekenisvolle mate te kunnen bijdragen aan de conclusie dat SBM op 27 maart 2012 redelijkerwijs de verwachting moest hebben dat in de toekomst omkoping in Brazilië zou worden vastgesteld. Deze feiten en omstandigheden vormden aanleiding voor verder onderzoek door SBM, onder meer naar de gedragingen van haar handelsagent in Brazilië. Het persbericht van SBM van 10 april 2012 waarin is vermeld dat SBM “has recently become aware of certain sales practices involving third parties and which may have been improper”, adresseert wat op dat moment bij SBM bekend was. SBM beschikte toen niet over méér informatie over ongeoorloofde handelspraktijken in Brazilië die kwalificeert als voorwetenschap, dan is opgenomen in dit persbericht.
Moest SBM op 27 mei 2014 (opnieuw) redelijkerwijs verwachten dat in de toekomst omkoping in Brazilië zou worden vastgesteld?
SBM betwist dat zij op 27 mei 2014 op grond van de door de AFM genoemde omstandigheden (opnieuw) redelijkerwijs de verwachting had moeten hebben dat in de toekomst omkoping in Brazilië zou worden vastgesteld. Daartoe voert zij het volgende aan. Op 27 mei 2014 toonde de FIOD tijdens een bespreking met de advocaat en medewerkers van SBM een flowchart. Deze flowchart betrof een door de FIOD gemaakte schematische weergave van voorlopige informatie die de FIOD mondeling en op strikt vertrouwelijke basis van de Zwitserse autoriteiten had vernomen en waarover het OM – ook mondeling en op strikt vertrouwelijke basis – de advocaat van SBM op 21 mei 2014 telefonisch had geïnformeerd. De informatie zoals weergegeven in de flowchart zag op door de Zwitserse autoriteiten aangetroffen betalingen van offshore vennootschappen van SBM’s Braziliaanse handelsagent [handelsagent 1] aan een medewerker van Petrobras. Het OM heeft de identiteit van die medewerker op dat moment niet met SBM of haar advocaat willen delen. Op dit punt kon SBM dan ook geen nader onderzoek doen. De voorlopige informatie waarover het OM beschikte, hield bovendien niet in dat de gelden waarmee deze betalingen waren gedaan van SBM afkomstig waren. [handelsagent 1] was ook handelsagent voor andere bedrijven die ook diensten verleenden aan Petrobras. De medewerker van Petrobras die geld van de offshore vennootschappen van [handelsagent 1] had ontvangen, had dus evengoed betrokken kunnen zijn bij projecten van andere ondernemingen die gebruikmaakten van [handelsagent 1] diensten als handelsagent en zaken deden met Petrobras. [handelsagent 1] heeft zowel tegenover SBM als publiekelijk altijd ontkend dat hij geld van SBM heeft betaald aan medewerkers van Petrobras. De flowchart liet geen verband zien tussen de betalingen en SBM. De FIOD deed daar nog onderzoek naar. De flowchart was daarom ook geen bevestiging van de verklaring van [handelsagent 2] .
De AFM stelt zich op het standpunt dat SBM met de gegevens die SBM na haar persbericht van 2 april 2014 ontving (zoals weergegeven onder 5.4), over serieuze aanwijzingen kwam te beschikken dat bepaalde verkooppraktijken in Brazilië onrechtmatig zijn geweest. Van belang is dat SBM in haar persbericht van 2 april 2014 heeft opgemerkt dat in relatie tot Brazilië sprake was van “certain red flags”, maar dat “no credible evidence” is aangetroffen van onrechtmatige verkooppraktijken en dat voorts bewijs was gevonden van geleverde “legitimate services” in Brazilië. Met dit persbericht maakte SBM met andere woorden bekend dat de aanvankelijke red flags in Brazilië niet konden worden vastgesteld. Dat staat in sterk contrast tot de nieuwe gegevens van het OM en de FIOD. Dat SBM op grond van de mededelingen van het OM en de FIOD niet met zekerheid een conclusie kon trekken omtrent het bestaan en omvang van de omkoping, is niet relevant. Het gaat erom dat deze mededelingen, in onderlinge samenhang bezien met de eerdere signalen, voor SBM aanleiding hadden moeten vormen voor de conclusie dat redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat omkoping zou worden vastgesteld.
Naar het oordeel van het College hoefde SBM op grond van de door de AFM genoemde feiten en omstandigheden op 27 mei 2014 na de bespreking met de FIOD niet redelijkerwijs de verwachting te hebben dat in de toekomst omkoping in Brazilië zou worden vastgesteld. Het interne onderzoek van SBM naar haar handelspraktijken heeft wat betreft Brazilië geen nader bewijs geleverd dat [handelsagent 1] oneerlijke betalingen heeft gedaan aan medewerkers van Petrobras. De informatie die SBM eerst van het OM en later van de FIOD heeft ontvangen over betalingen vanuit de offshore entiteiten aan een medewerker van Petrobras, was nieuwe informatie, maar gaf geen antwoord op de vraag of omkoping voor rekening van SBM had plaatsgevonden. Zoals SBM onweersproken heeft gesteld, was SBM niet meegedeeld wie de ontvanger was van de betalingen binnen Petrobras, was niet bekend of de betalingen vanuit de offshore entiteiten afkomstig waren SBM en was het onderzoek in Nederland en Zwitserland nog gaande. Dat SBM de mededeling serieus nam en vanwege haar relatie met Petrobras aanleiding zag om Petrobras in te lichten, doet niet af aan de onzekerheden waarmee die informatie van het OM en de FIOD was omgeven. De feiten en omstandigheden die de AFM naar voren heeft gebracht, kunnen dan ook niet leiden tot de conclusie dat SBM vanaf 27 mei 2014 over informatie beschikte die kwalificeert als voorwetenschap.
Conclusie overtredingen 1 en 2
De AFM heeft niet het bewijs geleverd dat SBM vanaf respectievelijk 27 maart 2012 en vanaf 27 mei 2014 beschikte over voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53, eerste lid, van de Wft (oud), zodat niet kan worden vastgesteld dat SBM artikel 5:25i, tweede lid, van de Wft in zoverre heeft overtreden. Evenals de rechtbank oordeelt het College dat de AFM overtredingen 1 en 2 daarom niet ten grondslag mocht leggen aan het boetebesluit.