Gerechtshof Amsterdam, 27-09-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2789, 21/00430 en 21/00447
Gerechtshof Amsterdam, 27-09-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2789, 21/00430 en 21/00447
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 27 september 2022
- Datum publicatie
- 29 september 2022
- Zaaknummer
- 21/00430 en 21/00447
Inhoudsindicatie
WOZ: de waarde is niet te hoog vastgesteld. Fiscaal procesrecht: bij de vaststelling van de vergoeding van immateriële schade en proceskosten dient te worden uitgegaan van samenhang, welke bedragen in de onderhavige zaak zijn toegewezen.
Uitspraak
Kenmerken 21/00430 en 21/00447
27 september 2022
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Alkmaar, de heffingsambtenaar,
alsmede op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
tegen de uitspraak van 7 mei 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/958 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 28 februari 2019 op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde (hierna: WOZ-waarde) van de onroerende zaak bekend als [adres 1] te [plaats] (hierna: het Pand) op de waardepeildatum 1 januari 2018 voor het kalenderjaar 2019 vastgesteld op € 257.000 (hierna: de WOZ-beschikking). In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna ook: OZB) en de aanslag rioolheffing voor het jaar 2019 bekend gemaakt.
Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 29 november 2019, het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 7 mei 2021 (waarvan het proces-verbaal op diezelfde dag is verzonden) heeft de rechtbank als volgt op het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’).
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweer[der] tot het vergoeden van door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 534;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden.”
Het tegen deze uitspraak door de heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 17 juni 2021 en aangevuld bij brief van 19 juli 2021. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 21 juni 2021 en aangevuld op 25 augustus 2021, 2 september 2021 en 9 december 2021. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Van belanghebbende zijn nadere stukken ontvangen op 15 maart 2022 en 22 juni 2022. Van de heffingsambtenaar is een nader stuk ontvangen op 27 juni 2022. Deze stukken zijn over en weer aan partijen verstrekt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2022. De onderwerpelijke zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken met kenmerken 21/00431 tot en met 21/00433 en 21/00445, 21/00446 en 21/00448. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eiser is eigenaar van het pand. Het pand is een winkelruimte van slechts enkele meters diep en met een frontbreedte van 3,5 meter. De gebruiksoppervlakte is ongeveer 15 m².
2. Bij beschikking van 28 februari 2019 heeft verweerder de waarde van het pand vastgesteld op € 257.000. De waarde geldt voor het jaar 2019 met de waardepeildatum 1 januari 2018. [Eiser] heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.”
Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.
3 Geschil in hoger beroep
Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de WOZ-waarde van het Pand niet te hoog is vastgesteld. Voorts is in geschil of en zo ja in hoeverre belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Indien deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord is in geschil de hoogte van de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.