Home

Gerechtshof Amsterdam, 01-11-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3640, 21.00470

Gerechtshof Amsterdam, 01-11-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3640, 21.00470

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
1 november 2022
Datum publicatie
28 december 2022
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:3640
Zaaknummer
21.00470
Relevante informatie
Art. 22 Wet WOZ, Art. 8:75 Awb, Art. 8:108 Awb

Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft ten onrechte de heffingsambtenaar in plaats van de Staat veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. Hoger beroep gegrond.

Uitspraak

kenmerk 21/00470

1 november 2022

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente [A], de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van 7 juni 2021 in de zaak met kenmerk HAA 19/4905 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: G. Gieben (Previcus Vastgoed te Boxmeer)

en

de heffingsambtenaar

en

de Staat, de Minister van Justitie en Veiligheid te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister,

op het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak [A-straat] 72 te [Z] voor het jaar 2019 vastgesteld op € 411.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelasting voor het jaar 2019 bekendgemaakt.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft – na daartegen gemaakt bezwaar – bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 12 augustus 2019, de vastgestelde waarde en daarop gebaseerde aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 7 juni 2021 als volgt op het beroep beslist (belanghebbende en de heffingsambtenaar worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiser van de immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 534;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Het door de heffingsambtenaar tegen deze uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 6 juli 2021 en aangevuld bij brief van 16 november 2021. Bij brief van 8 juli 2021 heeft G. Gieben van Previcus Vastgoed zich als gemachtigde van belanghebbende gesteld. Blijkens een in het dossier gevoegde notitie van de griffier van 8 juli 2021 heeft de gemachtigde telefonisch verduidelijkt dat haar geschrift van 8 juli 2021 niet is bedoeld als hoger beroep, maar enkel als mededeling dat zij belanghebbende vertegenwoordigt. Bij brief van 6 december 2021 heeft de gemachtigde het Hof medegedeeld af te zien van het indienen van een verweerschrift.

1.5.

Partijen hebben het Hof toestemming gegeven om zonder zitting op het hoger beroep te beslissen. Het Hof heeft het onderzoek daarop gesloten.

2 Feiten

Gelet op de ontwikkeling van het geschil in hoger beroep volstaat het Hof met een verwijzing naar de door de rechtbank in haar uitspraak vastgestelde feiten.

3 Geschil in hoger beroep

In geschil is of de rechtbank de heffingsambtenaar ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en hem ten onrechte heeft opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.

4 Overwegingen van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil

6 Kosten

7 Beslissing