Home

Gerechtshof Amsterdam, 06-12-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3828, 21/00426 en 21/00443

Gerechtshof Amsterdam, 06-12-2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3828, 21/00426 en 21/00443

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
6 december 2022
Datum publicatie
15 maart 2023
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:3828
Zaaknummer
21/00426 en 21/00443
Relevante informatie
Art. 22 WOZ, Art. 18 WOZ, Art. 8:75 Awb, Art. 8:41 Awb, Art. 8:108 Awb

Inhoudsindicatie

WOZ: de waarde is niet te hoog vastgesteld. Fiscaal procesrecht: bij de vaststelling van de vergoeding van immateriële schade en proceskosten dient te worden uitgegaan van samenhang; het Hof vermindert de door de rechtbank toegekende vergoedingen.

Uitspraak

kenmerken 21/00426 en 21/00443

6 december 2022

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats 1] (NH), belanghebbende,

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)

en op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats 1] (NH), de heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van 7 mei 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/934 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 28 februari 2019 op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres 1] te [plaats 1] (hierna: de onroerende zaak) op de waardepeildatum 1 januari 2018 voor het kalenderjaar 2019 (hierna ook: de WOZwaarde) vastgesteld op € 1.214.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2019 bekendgemaakt.

1.2.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 29 november 2019, het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Bij mondelinge uitspraak van 7 mei 2021 (waarvan het proces-verbaal op diezelfde dag is verzonden) heeft de rechtbank als volgt op het door belanghebbende ingestelde beroep beslist (in de uitspraak van de rechtbank is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

-

verklaart het beroep ongegrond;

-

veroordeelt verweerder tot het vergoeden van door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 534;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354 aan eiseres te vergoeden.”

Zaak 21/00426

1.4.1.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door de heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 17 juni 2021 en bij brief van 19 juli 2021 door de heffingsambtenaar nader gemotiveerd. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.2.

Van belanghebbende zijn nadere stukken ontvangen op 5 oktober 2021, 15 maart 2022 en 21 september 2022. Afschriften hiervan zijn aan de wederpartij verstrekt.

Zaak 21/00443

1.5.1.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 21 juni 2021. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.2.

Van belanghebbende zijn nadere stukken ontvangen op 25 augustus 2021, 2 september 2021, 9 december 2021 en 21 september 2022. Afschriften hiervan zijn aan de wederpartij verstrekt.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2022. Ter zitting zijn de onderhavige zaak (met kenmerknummers 21/00426 en 21/00443) en de zaken met kenmerknummers 21/00427, 21/00444 en 22/00193 gezamenlijk behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiseres is een stichting en enig aandeelhouder van [X B.V.] ( [X B.V.] ). Eiseres is eigenaar van de onroerende zaak die zij heeft verhuurd aan [X B.V.] De onroerende zaak is een landgoed met een totale oppervlakte van ongeveer 24.240 m². Op het landgoed bevinden zich een hoofdgebouw, een recreatiewoning, een schuur en twee kassen. De recreatiewoning, de schuur en de kassen dateren uit 1926. De recreatiewoning heeft een inhoud van ongeveer 100 m³, de schuur en de kassen hebben een gebruiksoppervlakte van respectievelijk 43 m², 12 m² en 13 m². Het hoofdgebouw is een monumentaal pand dat is gebouwd in 1900 en is bestemd om te worden gebruikt is als vergader- en conferentiecentrum en voor een deel als kantoor. De gebruiksoppervlakte van het hoofdgebouw is ongeveer 957 m².”

2.2.

Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld. Tevens is in geschil of de rechtbank aan belanghebbende terecht een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en een kostenvergoeding alsmede vergoeding van het griffierecht heeft toegekend. Bij bevestigende beantwoording van deze vragen is nog in geschil of de rechtbank bij toekenning van de vergoedingen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met samenhang.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6 Kosten

7 Beslissing