Home

Gerechtshof Amsterdam, 13-04-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1011, 22/00214

Gerechtshof Amsterdam, 13-04-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1011, 22/00214

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13 april 2023
Datum publicatie
17 mei 2023
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:1011
Zaaknummer
22/00214
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 7:7 Awb

Inhoudsindicatie

In geschil is of de heffingsambtenaar de waarde in de zin van artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2020 te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende klaagt over het oordeel van de rechtbank dat dit niet zo is. Daarnaast heeft belanghebbende klachten van formeelrechtelijke aard. De heffingsambtenaar onderschrijft de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

kenmerk 22/00214

13 april 2023

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)

tegen de uitspraak van 18 maart 2022 in de zaak met kenmerk AMS 21/839 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 juli 2020 de WOZ-waarde van de onroerende zaak [A-straat] in [Z] voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 792.000. Die beschikking is tegelijk, in één geschrift, met een aanslag onroerendezaakbelasting aan belanghebbende bekendgemaakt.

1.2.

Nadat de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag had gehandhaafd, heeft belanghebbende daartegen beroep ingesteld, welk beroep de rechtbank in haar thans bestreden uitspraak ongegrond heeft verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft bij op 29 maart 2022 bij de griffie van het Hof ingekomen geschrift hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op 10 februari 2023 is een nader stuk ingekomen van belanghebbende.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

Belanghebbende was op 1 januari 2020 genothebbende krachtens eigendom dan wel beperkt recht van de onroerende zaak, gelegen in het centrum van [Z] (buurt Kadijken) met als bouwjaar 1899. De onroerende zaak wordt sinds 1 januari 2017 verhuurd voor € 75.000 per jaar en is in gebruik als restaurant.

3. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de heffingsambtenaar de waarde in de zin van artikel 17 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2020 te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende klaagt over het oordeel van de rechtbank dat dit niet zo is. Daarnaast heeft belanghebbende klachten van formeelrechtelijke aard. De heffingsambtenaar onderschrijft de uitspraak van de rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

De WOZ-waarde van de onroerende zaak voor het kalenderjaar 2020

4.1.

Vooropgesteld wordt dat de gezochte waarde de waarde in het economisch verkeer is van de volle eigendom van de onroerende zaak in niet-verhuurde staat op peildatum 1 januari 2019 (artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ). Er bestaat geen aanleiding de WOZ-waarde van de onroerende zaak te bepalen op de gecorrigeerde vervangingswaarde.

4.2.

Een geschikt aanknopingspunt om vast te stellen of de WOZ-waarde al dan niet te hoog is vastgesteld, is de prijs die is gerealiseerd voor het pand zelf. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar vermeld dat de onroerende zaak op 12 november 2018 is verkocht voor € 1.175.000. Mede daarom heeft hij de voor de onroerende zaak vastgestelde WOZ-waarde van € 792.000 gehandhaafd. In zijn verweerschriften heeft de heffingsambtenaar naar de uitspraak op bezwaar verwezen.

4.3.

Het door de heffingsambtenaar gestelde eigenverkoopcijfer moet als vaststaand worden beschouwd. Belanghebbende, althans zijn gemachtigde, heeft het weliswaar ter zitting bij het Hof bij gebrek aan wetenschap betwist, maar dat is onvoldoende gemotiveerd. Belanghebbende heeft immers wetenschap van een verkoop van het eigen pand en de daarvoor gerealiseerde prijs. Ook heeft zijn gemachtigde in de ruim twee jaar die zijn verstreken sinds de uitspraak op bezwaar meer dan voldoende tijd gehad die wetenschap bij belanghebbende op te doen. Het had daarom, temeer gezien de laattijdigheid van de betwisting, op de weg van (de gemachtigde van) belanghebbende gelegen concreter op de stelling van de heffingsambtenaar in te gaan.

4.4.

Reeds gelet op het eigenverkoopcijfer is het aannemelijk dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak voor het jaar 2020 niet te hoog is vastgesteld op € 792.000. Het verschil tussen € 1.175.000 en € 792.000 is namelijk dermate groot, dat het redelijkerwijs niet denkbaar is dat het geheel wordt tenietgedaan door de ficties in het waardebegrip van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ. Belanghebbende heeft ook niets aangevoerd dat aanleiding geeft tot een ander inzicht. Dat geldt in het bijzonder voor het betoog dat de Coronapandemie, de “inmiddels gevolgde desastreuze economische crisis” en de oorlog in Oekraïne hun schaduw achteruit werpen op de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2019 dan wel per 1 januari 2020.

Formeelrechtelijke klachten

4.5.

Anders dan belanghebbende meent, hoeft van het horen in de bezwaarfase niet een proces-verbaal te worden opgemaakt. Wel moet van het horen een verslag worden gemaakt (artikel 7:7 van de Awb), hetgeen in dit geval in de uitspraak op bezwaar is opgenomen. Die uitspraak is verder, gezien de globale gronden van het bezwaar, van een behoorlijk uitgebreide motivering voorzien, die zicht geeft op de uitgevoerde heroverweging, deze heroverweging kan dragen en daarom ook een deugdelijke motivering is. Voor zover belanghebbende op voormelde punten heeft bedoeld te klagen in hoger beroep, falen die klachten daarom.

4.6.

Verder bestaat geen reden om de heffingsambtenaar nadere stukken of gegevens te laten overleggen, ook niet nu belanghebbende gewag heeft gemaakt van diverse stukken en gegevens die niet in het dossier zitten. Voor een deel verwijst hij naar stukken of gegevens waarvan het niet eens duidelijk is dat zij bestaan, zoals “vergelijkingen met ander “vergelijkbaar” vastgoed c.a., waarvan de waarde óók -aantoonbaar- onjuist is vastgesteld”, een “toekomstige leegstands- annex marktanalyse”, een “recent én onafhankelijk opgemaakt taxatierapport van dit specifiek te onderscheiden object over dit belastingjaar bezien” en “inzichtelijke én controleerbare berekeningen van de gebruikte waardering(en) tevens in onderling verband bezien”. Voor het overige (grondstaffels, “bevindingen vanuit het Kadaster” en waarderingen en taxatiekaarten betreffende voorgaande en latere belastingjaren) heeft belanghebbende in het geheel niet gemotiveerd waarom stukken of gegevens voor de beslissing in deze zaak van belang kunnen zijn.

Slotsom

4.7.

Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Verzoek tot vergoeding van immateriële schade

6 Kosten

7 Beslissing