Gerechtshof Amsterdam, 13-06-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1600, 21/00441
Gerechtshof Amsterdam, 13-06-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1600, 21/00441
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 juni 2023
- Datum publicatie
- 19 juli 2023
- Zaaknummer
- 21/00441
- Relevante informatie
- Art. 22 WOZ, Art. 6:5 Awb, Art. 6:6 Awb, Art. 6:7 Awb, Art. 6:9 Awb, Art. 6:11 Awb
Inhoudsindicatie
In hoger beroep is in geschil of de uitspraak van de rechtbank juist is.
Uitspraak
kenmerk 21/00441
13 juni 2023
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)
tegen de uitspraak van 7 mei 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/1043 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 30 april 2019 (aanslagbiljet nr. [#] ) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak bekend als [A-straat] te [Z] (hierna: de onroerende zaak) op de waardepeildatum [in] 2017 voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op € 127.000 (hierna: de WOZ-beschikking). In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2018 bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 10 september 2019 bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak van 12 december 2019 het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar mondelinge uitspraak van 7 mei 2021 het volgende beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“De rechtbank:
- -
-
verklaart het beroep ongegrond;
- -
-
wijst de eis tot schadevergoeding af.”
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 21 juni 2021. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Van belanghebbende zijn nadere stukken ontvangen op 25 augustus 2021, 2 september 2021, 9 december 2021, 7 april 2022 en 27 september 2022.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2022. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
Het Hof vindt aanleiding de feiten zelfstandig vast te stellen.
Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een vrijstaand kantoor van vier bouwlagen dat is gebouwd in 1969. De gebruiksoppervlakte is ongeveer 184 m².
In het bezwaarschrift is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“Hierdoor wordt namens opdrachtgever c.q. belanghebbende (on)tijdig bezwaar aangetekend (want pas recentelijk van u mogen ontvangen) tegen het in kopie aangehechte (aanslag-/beschikkings)biljet ten name van [belanghebbende]”
In het beroepschrift is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“Namens belanghebbende, [naam belanghebbende], zie verder het volledige procesdossier terzake de bezwaarprocedure, wordt hierdoor namens belanghebbende tijdig beroep ingesteld tegen de uitspraak van de gemeente [Z] [de heffingsambtenaar] d.d. 12 december jl., welke eerst enige tijd nadien dezerzijds per reguliere post werd ontvangen.”
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de uitspraak van de rechtbank juist is.