Home

Gerechtshof Amsterdam, 25-07-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1954, 22/00196 en 22/00197

Gerechtshof Amsterdam, 25-07-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1954, 22/00196 en 22/00197

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25 juli 2023
Datum publicatie
8 november 2023
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:1954
Zaaknummer
22/00196 en 22/00197
Relevante informatie
Art. 7:3 Awb

Inhoudsindicatie

Aanslagen afvalstoffenheffing, onroerendezaakbelasting en rioolheffing. Geen noodzaak om belanghebbende te horen nu aan de bezwaren volledig tegemoet was gekomen. Vergoeding proceskosten in bezwaar is niet te laag. Voor een eenvoudige en overzichtelijke zaak als de onderhavige (waarbij alleen de tenaamstelling van de aanslagen in het geding was, en dit in de door belanghebbende zelf opgestelde bezwaarschriften ook al helder uiteen is gezet) is de voor de (resterende) werkzaamheden van gemachtigde toegekende factor van 0,5 eerder te hoog dan te laag.

Uitspraak

Kenmerken 22/00196 en 22/00197

25 juli 2023

uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),

tegen de uitspraak van 29 september 2021 in de zaak met kenmerken AMS 20/5535 en AMS 20/5536 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] , de heffingsambtenaar

(gemachtigde: mr. P.E.H.A. Ingenhou).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft op 30 september 2019 aan belanghebbende voor het kalenderjaar 2019 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd voor de onroerende zaak [A-straat] (STUD.HUIS [00] t/m [01] + [03] t/m [04] ) te [Z] .

In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting 2019 bekendgemaakt en een aanslag rioolheffing opgelegd voor de onroerende zaak

[B-straat] te [Z] .

1.2.

De heffingsambtenaar heeft op 30 april 2020 aan belanghebbende voor het kalenderjaar 2020 een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd voor de onroerende zaak [A-straat] (STUD.HUIS [00] t/m [01] + [03] t/m [04] ).

1.3.

Belanghebbende heeft tegen beide beschikkingen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 20 en 21 oktober 2020 de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen afvalstoffenheffing voor de kalenderjaren 2019 en 2020 gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld. Bij uitspraak van 29 september 2021 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard.

1.5.

De tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroepen zijn bij de griffie van het Hof ingekomen op 17 maart 2022. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Van de zijde van belanghebbende is op 7 juni 2023 een nader stuk ingekomen. Een kopie hiervan is aan de heffingsambtenaar gezonden.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

Het Hof stelt de navolgende feiten vast, als tussen partijen niet in geschil dan wel gesteld en niet of onvoldoende weersproken.

het jaar 2019

2.1.

De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2019 een gecombineerde aanslag opgelegd (hierna: de gecombineerde aanslag 2019) waarop vermeld staan de aanslagen afvalstoffenheffing opgelegd voor de onroerende zaak [A-straat] (STUD.HUIS [00] t/m [01] + [03] t/m [04] ) te [Z] (hierna: de studentenhuizen). De drie aanslagen bedragen (in totaal) € 329,67.

2.2.

In dezelfde gecombineerde aanslag is opgenomen de aanslag onroerendezaakbelasting 2019 en de aanslag rioolheffing opgelegd voor de onroerende zaak [B-straat] te [Z] (hierna: pand [B-straat] ). Beide aanslagen bedragen in totaal € 474,40.

2.3.

De gecombineerde aanslag omvat derhalve vijf aanslagen voor een totaal bedrag van

(€ 329,67 plus € 474,40 is) € 804,07.

2.4.

Bij e-mail van 3 oktober 2019 maakt belanghebbende als volgt bezwaar: ‘Onlangs ontvingen wij van u bijgevoegde aanslag [Hof: bijgevoegd is de gecombineerde aanslag 2019]. Het hierop vermelde pand [A-straat] is niet in bezit van [belanghebbende]. Wij maken dan ook bezwaar tegen de aanslag.’

2.5.

Bij uitspraak op bezwaar gedateerd 20 oktober 2020, deelt de heffingsambtenaar aan belanghebbende mede dat de aanslag afvalstoffenheffing 2019 ter zake van de studentenhuizen zal worden vernietigd (onder toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase).

De heffingsambtenaar erkent in de bestreden uitspraak, dat de aanslag niet op naam van belanghebbende had moeten worden gesteld (maar op naam van de eigenaresse, een woonstichting), en deelt verder mede dat wordt afgezien van een hoorzitting omdat geheel aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen.

Nu het bezwaar ter zake van de aanslagen voor de studentenhuizen gegrond wordt verklaard, vermindert de heffingsambtenaar het totaalbedrag van de gecombineerde aanslag ad € 804,07 met € 329,67 (zie 2.1) tot € 474,40 (zie 2.2).

2.6.

Gemachtigde komt namens belanghebbende in beroep tegen deze uitspraak (in een ongedateerd stuk, ontvangen door de rechtbank op 22 oktober 2020). In het beroepschrift volstaat gemachtigde met opmerkingen over onder meer de notulen van de [Hof: niet gehouden] hoorzitting, vergelijkingspanden, een eerder ingediend WOB- annex informatieverzoek, grondstaffels en de coronacrisis. Ten aanzien van de onderhavige (op dat moment reeds vernietigde) aanslag afvalstoffenheffing 2019 wordt niets inhoudelijks ingebracht.

het jaar 2020

2.7.

De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2020 een gecombineerde aanslag opgelegd (hierna: de gecombineerde aanslag 2020) waarop vermeld de aanslagen afvalstoffenheffing opgelegd voor (alleen) de studentenhuizen van (in totaal) € 276.

2.8.

Bij e-mail van 29 april 2020 merkt belanghebbende allereerst op dat de aanslag afvalstoffenheffing opgelegd voor de studentenhuizen voor het jaar 2018 ook al ten onrechte was opgelegd aan belanghebbende en dat de heffingsambtenaar, na bezwaar, deze aanslagen heeft vernietigd. Belanghebbende maakt vervolgens voor het jaar 2020 als volgt bezwaar: ‘[Wie] schetst dan ook mijn verbazing dat wij van u een aanslag 2020 [Hof: bijgevoegd is de gecombineerde aanslag 2020] mochten ontvangen. Is de wijziging omtrent de juiste eigenaar nog niet doorgevoerd in uw administratie ? Hierbij maak ik bezwaar tegen [de aanslag 2020]. Ik ga ervan uit dat deze ook weer wordt ingetrokken’.

2.9.

Bij uitspraak op bezwaar gedateerd 21 oktober 2020, deelt de heffingsambtenaar aan belanghebbende mede dat de aanslag afvalstoffenheffing 2020 (opgelegd voor – alleen - de studentenhuizen) (geheel) zal worden vernietigd (onder toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase).

De heffingsambtenaar erkent in de bestreden uitspraak, dat de aanslag niet op naam van belanghebbende had moeten worden gesteld (maar op naam van de eigenaresse, een woonstichting), en deelt verder mede dat wordt afgezien van een hoorzitting omdat geheel aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen.

2.10.

Gemachtigde komt namens belanghebbende in beroep tegen deze uitspraak (in een ongedateerd stuk, ontvangen door de rechtbank op 22 oktober 2020). In het beroepschrift volstaat gemachtigde met opmerkingen over onder meer de notulen van de [Hof: niet gehouden] hoorzitting, vergelijkingspanden, een eerder ingediend WOB- annex informatieverzoek, grondstaffels en de coronacrisis. Ten aanzien van de onderhavige (op dat moment reeds vernietigde) aanslag afvalstoffenheffing 2020 wordt niets inhoudelijks ingebracht.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep (naar het Hof begrijpt) in geschil of het bezwaar en daarmee het beroep en hoger beroep betreffende het jaar 2019 mede ziet op de aanslag onroerendezaakbelasting 2019 en de aanslag rioolheffing inzake het pand

[B-straat] .

Ter zitting van het Hof heeft gemachtigde aanvullend betoogd dat de (door de heffingsambtenaar toegekende) proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase in beide zaken tot een te laag bedrag is toegekend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Beoordeling van het geschil

5 Kosten

6 Beslissing