Home

Gerechtshof Amsterdam, 21-08-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1998, 22/02484

Gerechtshof Amsterdam, 21-08-2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1998, 22/02484

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21 augustus 2023
Datum publicatie
27 september 2023
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:1998
Zaaknummer
22/02484
Relevante informatie
Art. 22 WOZ, Art. 17 WOZ, Art. 40 WOZ, Art. 7:4 Awb, Art. 8:42 Awb

Inhoudsindicatie

WOZ-waarde woning.

Uitspraak

kenmerk 22/02484

21 augustus 2023

uitspraak van de dertiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. A. Bakker)

tegen de uitspraak van 19 oktober 2022 in de zaak met kenmerk HAA 20/5851 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente, de [gemeente] .

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) bij beschikking van 29 februari 2020 de waarde van de onroerende zaak [A-straat] 12 te [Z] (hierna: de woning) voor het jaar 2020 vastgesteld op € 206.000. In dezelfde beschikking is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen 2020 bekendgemaakt.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 19 oktober 2022 heeft de rechtbank als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiser tot een

bedrag van € 143;

- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van

immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 857;

- veroordeelt verweerder en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de

proceskosten van eiser, ieder tot een bedrag van € 379,50; en

- draagt verweerder en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) op het

betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden, ieder tot een bedrag van € 24.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.6.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde een recente machtiging ingestuurd.

2 Feiten

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning.

De woning is een drive-in tussenwoning met een terras gelegen aan het water uit het

bouwjaar 1975. De inhoud van de woning is ongeveer 450 m3 en de oppervlakte van het

perceel is 94 m2.”

Het Hof gaat hier ook van uit.

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is, net als bij de rechtbank, in geschil of de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6 Kosten

7 Beslissing