Home

Gerechtshof Amsterdam, 04-06-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1644, 23/763

Gerechtshof Amsterdam, 04-06-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1644, 23/763

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
4 juni 2024
Datum publicatie
19 juni 2024
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2024:1644
Zaaknummer
23/763
Relevante informatie
Art. 22 WOZ, Art. 17 WOZ, Art. 7:4 Awb, Art. 8:91 Awb, Art. 8:94 Awb

Inhoudsindicatie

WOZ 2021 woning. Geen schending motiveringsbeginsel door heffingsambtenaar.

Griffierecht moet worden vergoed o.g.v. (overgangsrecht) HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567. Factor 0,25 voor pkv hoger beroep.

Uitspraak

kenmerk 23/763

4 juni 2024

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: G. Gieben (Previcus Vastgoed te Boxmeer)

tegen de uitspraak van 4 juli 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/1735 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 26 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [A-straat] 168 te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2021 naar waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 244.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 bekendgemaakt.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 13 januari 2022 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft als volgt op het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep beslist (belanghebbende en de heffingsambtenaar worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ respectievelijk ‘verweerder’):

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiseres tot een bedrag van
€ 500;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 837.”

1.4.

Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 15 augustus 2023. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Met instemming van partijen heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij brief van 17 april 2024 heeft het Hof partijen geïnformeerd dat het onderzoek is gesloten.

2 2. Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. Eiseres is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een rijwoning, gebouwd in 2002. De inhoud van de woning is 311 m³ en de oppervlakte van het perceel is 119 m². De woning is voorzien van een berging/schuur (6 m²) en twee dakkapellen.”

2.2.

Het Hof gaat ook uit van de hiervoor vermelde feiten en vult deze als volgt aan.

2.3.

Bij e-mail van 19 juli 2021 heeft de heffingsambtenaar het taxatieverslag, een ‘Taxatiekaart Matrix’, met daarin onder meer vermeld de verkoopdatum, de in aanmerking genomen onderdeelwaarden en eenheidsprijzen en de KOUDV-factoren van de vergelijkingsobjecten [A-straat] 138 (rijwoning), [A-straat] 157 (hoekwoning) en [A-straat] 181 (rijwoning), alle gelegen in [Z] , alsmede de grondstaffel aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden.

2.4.

Op 17 november 2021 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. In de ‘Bijlage bezwaren en antwoorden’ bij de uitspraak op bezwaar is ter zake van aanvullende grieven tijdens de hoorzitting vermeld:

“3. U stelt dat [A-straat] 138 een lagere WOZ-waarde onderbouwt.

4. U levert objecten [A-straat] 154, 163 en 161 als nieuwe referentieobjecten.”

2.5.

Met dagtekening 30 november 2021 heeft belanghebbende ter onderbouwing van de door haar voorgestelde waarde van € 227.000 een door [A] en [B] opgesteld taxatierapport overgelegd. Op pagina 9 en 10 van dit rapport worden als vergelijkbare (tussen)woningen voorgesteld: [A-straat] 163, [A-straat] 174 en [A-straat] 154.

2.6.

Ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde heeft de heffingsambtenaar in de beroepsfase een taxatierapport van taxateur [C] overgelegd, met een nieuwe waardematrix. Hierin is de onderhavige woning vergeleken met de rijwoningen aan het adres
[A-straat] 138, [A-straat] 161 en [A-straat] 181.

2.7.

In de zittingsaantekeningen van de rechtbank is vermeld dat beide partijen het erover eens zijn dat de objecten [A-straat] 164 [Hof: 174] en [A-straat] 154 niet hoeven terug te komen in de waardering.

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of:

- de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar deugdelijk heeft gemotiveerd;

- het voor het instellen van beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht aan belanghebbende dient te worden vergoed.

De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:

“Op de zaak betrekking hebbende stukken (bezwaarfase)

5. Eiseres stelt dat de KOUDV-factoren in bezwaar wel zijn verstrekt, maar dat daarbij geen inzicht is verstrekt in de toegepaste correctiepercentages en dat dit verzuim dient te leiden tot gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank begrijpt dat eiseres hierbij een beroep doet op artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat - voor zover hier van belang - voorschrijft dat het bestuursorgaan voorafgaand aan de hoorzitting alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage legt. Indien in het onderhavige geval al zou moeten worden aangenomen dat de correctiepercentages in de bezwaarfase op de zaak betrekking hebbende stukken zijn (vgl. HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316), dan ziet de rechtbank in de gestelde schending van artikel 7:4, lid 2, Awb in ieder geval hier geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren zoals eiseres heeft bepleit. Hooguit zou in dit verzuim naar het oordeel van de rechtbank eventueel aanleiding kunnen worden gevonden om de kosten van het beroep te vergoeden aan eiseres. Maar ook daarvoor ziet de rechtbank in dit geval geen reden. Ook zonder de correctiepercentages is met de verstrekte KOUDV-factoren, de per object aangegeven afwijking van het gemiddelde en alle overige door verweerder in bezwaar verstrekte informatie voldoende inzicht geboden in (de onderbouwing van) de vastgestelde waarde, en zijn daarmee ook de gemaakte keuzes, aannames en gegevens voldoende controleerbaar. De rechtbank verbindt aan het niet verstrekken van de correctiepercentages dus geen gevolgen.

6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder de waarde van de woning heeft onderbouwd aan de hand van de vergelijkingsmethode. De rechtbank acht de referentieobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. Daartoe overweegt zij dat het allemaal in dezelfde straat gelegen rijwoningen zijn uit dezelfde bouwjaar en hebben dezelfde bouwstijl. De rechtbank acht [A-straat] 181 het beste vergelijkingsobject, daar de inhoud en oppervlakten van de objecten het dichtst bij elkaar liggen. De wooninhoud van de onroerende zaak bedraagt 311 m³ tegenover een wooninhoud van 318 m³ voor het vergelijkingsobject [A-straat] 181. De grondoppervlakte bedraagt voor de onroerende zaak 119 m² tegenover een grondoppervlakte van 112 m² voor het vergelijkingsobject [A-straat] 181.

Alle woningen zijn van een vergelijkbaar kwaliteitsniveau, onderhoudsniveau en voorzieningenniveau. De verkoopprijzen van de referentieobjecten kunnen dus worden gebruikt ter onderbouwing van de waarde van de woning. Dat er verschillen zijn tussen de woning en de referentieobjecten maakt dit niet anders. Het gaat er om dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met die verschillen.

8. Dat laatste heeft verweerder gelet op de verschillen, zoals vermeld in de matrix, gedaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder met het verweerschrift en het daarbij overgelegde taxatierapport een afdoende toelichting heeft gegeven op de vastgestelde waarde aan de hand van de voor de woning en de referentieobjecten gehanteerde kubieke- en vierkante meterprijzen. Anders dan eiseres stelt, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat voldoende rekening is gehouden met de verschillen in grootte van de opstal en van het perceel, ligging, kwaliteit en voorzieningenniveau in de staat van onderhoud alsmede met de aanwezigheid van bijgebouwen. Nu de voor de woning gehanteerde waarde per kubieke meter (€ 641) lager is dan de gemiddelde waarde per kubieke meter van de door verweerder ingebrachte referentieobjecten (€ 645,67), kan niet worden gesteld dat de gewogen gemiddelde van de eenheidsprijzen van de referentiepanden een lagere waarde voor de woning onderbouwen. De ter zitting ingebrachte stelling van eiseres dat verweerder in de waardering onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat referentieobject [A-straat] 138 een moderne keuken heeft en [A-straat] 181 een moderne badkamer, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De badkamer en keuken hadden anno 2020 geen waarde-invloed gelet op de toen geldende marktsituatie. Hierbij neemt de rechtbank in acht dat het hebben van een voorkeur voor een moderne keuken of badkamer veelal een kwestie van smaak is en niet van invloed is op de waarde.

Inzichtelijkheid van de grondstaffel

9. Eiseres heeft betoogd dat de grondstaffel niet inzichtelijk is gemaakt. Verweerder heeft voor de onderbouwing van de grondwaarde van de referentieobjecten en de woning verwezen naar de in het dossier aanwezige grondstaffel. De woning en referentieobjecten zijn alle gelegen in dezelfde straat en in hetzelfde waardegebied. Daarnaast zijn de woningen van hetzelfde objectsoort en vallen de woningen daardoor in hetzelfde segment. Van de ingebrachte grondstaffel is af te leiden wat de waarde van de kavel is. De rechtbank acht de grondstaffel zeker in samenhang met het hiervoor vermelde, anders dan eiseres stelt, voldoende inzichtelijk.

Indexeringspercentage

10. Eiseres heeft gesteld dat de gehanteerde indexeringspercentages niet inzichtelijk zijn. Naar aanleiding hiervan oordeelt de rechtbank het volgende. De enkele stelling dat de indexering niet inzichtelijk is, maakt deze niet onjuist. Uit het door verweerder overgelegde verweerschrift en bijgevoegde taxatierapport en matrix volgen de voor de referentieobjecten gehanteerde indexeringspercentages zodat deze inzichtelijk zijn. De rechtbank ziet geen bijzonderheden in de gehanteerde indexeringspercentages die nopen tot een andere waardering. De rechtbank volgt verweerder in de door hem gegeven onderbouwing. Bovendien heeft verweerder in het verweerschrift een toelichting gegeven dat er voor de woning een indexeringspercentage van 9,7% gehanteerd is en dat dit percentage af te halen is van de website van de waarderingskamer. De in de waardematrix besloten liggende indexering van de referentieobjecten is in overeenstemming hiermee. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende inzicht heeft gegeven in hoe de indexering van de verkoopprijs van de referentieobjecten naar de waardepeildatum heeft plaatsgevonden en acht het percentage voldoende aannemelijk. De in de matrix gehanteerde indexeringspercentages zijn in overeenstemming hiermee. Voorts berusten deze percentages – en mogen deze ook berusten – op een inschatting die de taxateur maakt op grond van zijn ervaring en kennis. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat een taxatieopbouw een hulp- en controlemiddel is bij de waardevaststelling. De afzonderlijke elementen van de taxatieopbouw worden niet apart op hun juistheid beoordeeld, want uiteindelijk ligt enkel de eindwaarde ter toetsing voor (zie bijvoorbeeld gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7059, gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 10 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BV2713 en gerechtshof Amsterdam 6 september 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3789). De klacht faalt.

Slotsom

11. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de vastgestelde waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de referentieobjecten. De waarde is derhalve niet te hoog vastgesteld. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

Verzoek om immateriële schadevergoeding

12.1

Eiseres heeft ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

12.2

Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij bijzondere omstandigheden kan die termijn van twee jaar worden verlengd of verkort. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Voor de behandeling van een bezwaar is een termijn van zes maanden redelijk en voor de behandeling van een beroep een termijn van anderhalf jaar.

12.3

De redelijke termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 3 maart 2021 en is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 4 juli 2023. Van een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt is geen sprake. Dit betekent dat de voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn afgerond 29 maanden bedraagt. De redelijke termijn is daarom overschreden met afgerond vijf maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 500. De overschrijding is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase. Verweerder dient daarom een bedrag van € 500 aan immateriële schade aan eiseres te vergoeden.

Proceskosten en griffierecht

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837, vgl. het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, en een wegingsfactor 0,5 nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de vergoeding van door eiseres geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, vgl. het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660).

14. Omdat het beroep ongegrond is, hoeft verweerder het door eiseres betaalde griffierecht niet te vergoeden. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft eiseres gedaan gedurende het beroep, overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid, van de Awb. Daarvoor was eiseres geen griffierecht verschuldigd, wat volgt uit artikel 8:94, tweede lid, van de Awb. Voor het verzoek is dan ook geen griffierecht geheven, zodat geen sprake kan zijn van vergoeding daarvan.”

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6 Kosten

7 Beslissing