Gerechtshof Amsterdam, 16-01-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:262, 22/53
Gerechtshof Amsterdam, 16-01-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:262, 22/53
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 januari 2024
- Datum publicatie
- 29 februari 2024
- Zaaknummer
- 22/53
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 6:11 Awb, Art. 8:26 Awb
Inhoudsindicatie
WOZ 2019. Ondanks grote onroerendgoedportefeuille bij herhaling beroep op vrijstelling voor betaling griffierecht met oog op uitstel beroepsfase. Hoger beroep heffingsambtenaar tegen imsv en pkv in eerste aanleg ongegrond. Ofschoon hetgeen hij heeft gesteld reden vormt om te veronderstellen dat de behandeling van de zaak in de beroepsfase door belanghebbende is getraineerd, bieden de door de heffingsambtenaar gestelde feiten onvoldoende grond om vast te stellen dat de overschrijding van de redelijke termijn met bijna zeven maanden, volledig aan het hier veronderstelde getraineer van belanghebbende is toe te rekenen.
Incidenteel hoger beroep belanghebbende eveneens ongegrond. Bezwaar terecht NO verklaard. Geen gevolgen aan niet navraag doen mogelijke verschoonbaarheid.
Uitspraak
kenmerk 22/53
16 januari 2024
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] , de heffingsambtenaar
alsmede
op het incidenteel hoger beroep van
[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)
tegen de uitspraak van 10 december 2021 in de zaak met kenmerk HAA 20/930 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar
en
de Staat, de minister van Justitie en Veiligheid te Den Haag, de Minister,
op het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen met dagtekening 28 februari 2019 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [A-straat] te [plaats] voor het kalenderjaar 2019 naar waardepeildatum 1 januari 2018 vastgesteld op € 539.000.
In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2019 bekendgemaakt
Het tegen de hiervoor vermelde beschikkingen gemaakte bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 29 november 2019, niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank, ingekomen op 7 januari 2020. Bij uitspraak van 10 december 2021 heeft de rechtbank als volgt op het beroep beslist (belanghebbende wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ’verweerder’):
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 142;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 858;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 267;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser[es] tot een bedrag van € 267;
- draagt verweerder op de helft van het door eiseres betaalde griffierecht, zijnde een bedrag van
€ 177 aan eiseres te vergoeden;
- draagt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) op de helft van het door eiseres betaalde griffierecht, zijnde een bedrag van € 177 aan eiseres te vergoeden.”
De heffingsambtenaar heeft tegen deze uitspraak pro forma hoger beroep ingesteld, ingekomen bij het Hof op 21 januari 2022, en dit nader gemotiveerd bij brief van
16 februari 2022. Belanghebbende heeft een verweerschrift en tevens een incidenteel hoger beroep ingediend, ingekomen op 23 maart 2022, en dit nader gemotiveerd bij brief van
30 maart 2022.
Met dagtekening 3 februari 2023 heeft de heffingsambtenaar een nader stuk ingediend. Met dagtekening 19 mei 2023, 7 december 2023 en 23 december 2023 heeft belanghebbende aanvullende stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2024. De zaak is gezamenlijk met de zaak met zaaknummer 22/52 van [X] II B.V. behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
Het bezwaarschrift tegen de primaire beschikkingen, welke zijn gedagtekend
28 februari 2019, is gedagtekend 26 februari 2019.
De heffingsambtenaar heeft, gedagtekend 29 november 2019, uitspraak op bezwaar gedaan.
Belanghebbende heeft in beroep om uitstel voor de betaling van het griffierecht verzocht. Daarnaast heeft belanghebbende (herhaaldelijk) een beroep op betalingsonmacht voor de betaling van het griffierecht gedaan, zonder deze verzoeken met bewijsstukken nader te onderbouwen.
In zijn brief van 30 maart 2022 schrijft de gemachtigde in punt 2:
“De door de wederpartij gememoreerde schriftelijke discussie speelde zich met name af gedurende het hoogtepunt van de zogenaamde Covid19/Coronacrisis. Onze klant [belanghebbende] beschikte toen/destijds eenvoudigweg niet over voldoende pecunia om (tijdig) aan dit soort verplichtingen te kun[n]en voldoen.(…)”
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar vergoedingen van immateriële schade, proceskosten en griffierecht aan belanghebbende is verschuldigd.
Tevens is bij wege van incidenteel hoger beroep de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding in geschil.