Gerechtshof Amsterdam, 09-01-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:264, 23/213 en 23/214
Gerechtshof Amsterdam, 09-01-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:264, 23/213 en 23/214
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 9 januari 2024
- Datum publicatie
- 4 maart 2024
- Zaaknummer
- 23/213 en 23/214
- Relevante informatie
- Art. 236 Gemw, Art. 4:17 Awb, Art. 7:1 Awb, Art. 26 AWR, Art. 65 AWR
Inhoudsindicatie
Belanghebbende heeft in beroep gesteld dat de ambtshalve besluiten niet tijdig zijn genomen en dat de heffingsambtenaar om die reden dwangsommen heeft verbeurd, maar belanghebbende heeft tegen deze ambtshalve genomen besluiten niet eerst bezwaar aangetekend. De heffingsambtenaar heeft dan ook geen uitspraak gedaan op een dergelijk bezwaar (waarvoor de belastingrechter in beroep bevoegd zou zijn) of op een bezwaar tegen een daarmee verband houdende dwangsombeschikking. Dit betekent dat de rechtbank in haar uitspraak had moeten beslissen dat zij onbevoegd is te oordelen over de door belanghebbende aangevoerde grieven tegen de ambtshalve genomen besluiten en de daaraan verbonden verzoeken tot het toekennen van dwangsommen, omdat uitsluitend de civiele rechter daartoe bevoegd is.
Uitspraak
kenmerken 23/213 en 23/214
9 januari 2024
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , belanghebbende,
(gemachtigde: P.L.G. Jurg)
tegen de uitspraak van 25 januari 2023 in de zaak met kenmerken AMS 22/1203 en 22/1204 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] , de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
23/213
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 28 februari 2018 aan belanghebbende ter zake van het belastingobject [A-straat] te [plaats ] (hierna: het object) aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing voor het jaar 2018 opgelegd voor een totaalbedrag van € 501,28.
Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1.1 vermelde aanslagen bezwaar gemaakt bij brief van 17 februari 2021. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, gedagtekend 10 november 2021, heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard maar desniettemin – bij ambtshalve genomen besluit – de aanslagen vernietigd.
23/214
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 20 februari 2019 aan belanghebbende ter zake van het object aanslagen onroerendezaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing voor het jaar 2019 opgelegd voor een totaalbedrag van € 1.001,11.
Belanghebbende heeft tegen de onder 1.2.1 vermelde aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing bezwaar gemaakt bij brief van 17 februari 2021. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, gedagtekend 23 december 2021, heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard maar desniettemin – bij ambtshalve genomen besluit – de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing vernietigd.
23/213 en 23/214
Belanghebbende heeft tegen de onder 1.1.2 en 1.2.2 vermelde uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt op de beroepen beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’):
“De rechtbank:
- -
-
verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;
- -
-
veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.511,-.”
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak tijdig hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De heffingsambtenaar heeft een nader stuk ingediend op 18 september 2023. Van belanghebbende is een nader stuk ontvangen op 5 oktober 2023.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2023. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift van 17 februari 2021, gericht aan de gemeente [Z] (afdeling Belastingen), onder meer het volgende geschreven:
“Via mijn gemachtigde ontving ik uw bericht dat omdat ik geen gebruiker [van het object] ben, ik geen afvalstoffen- en rioolheffing verschuldigd ben. De daarvoor over 2020 opgelegde aanslagen zijn daarom ingetrokken.
Op grond van deze conclusie vraag ik u ook voor de jaren 2017 t/m 2019 te beslissen dat deze heffingen door mij niet verschuldigd waren.”
Bij brief van 4 september 2021, gericht aan de gemeente [plaats ] (met als aanhef “Betreft: Bezwaar tegen de aanslag gebruikersheffingen 2017, 2018 en 2019”), heeft belanghebbende – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:
“Omdat (…) ik in 2016 ben verhuisd, ben ik daarmee geen gebruiker meer van [het object]. Tegen de door de belastingdienst [Z] voor de jaren 2017 t/m 2020 opgelegde aanslagen waarin ook de gebruikersheffingen waren begrepen, is daarom bezwaar gemaakt. (…) navraag over de afwikkeling van de bezwaren over eerder jaren maakte mij recent duidelijk dat ik voor het op grond van art. 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen beslissen op die bezwaren bij de gemeente [plaats ] moet zijn. Op grond hiervan vraag ik u daarom ook voor de jaren 2017 t/m 2019 te beslissen dat deze heffingen door mij niet verschuldigd waren en vraag u de ten onrechte betaalde heffingen aan mij terug te betalen op mijn bankrekening (…).”
De gemachtigde van belanghebbende heeft bij aan de gemeente [plaats ] gerichte brief van 2 november 2021 (met als aanhef “Betreft: Afwikkeling bezwaren van [belanghebbende]”) onder meer het volgende medegedeeld:
“Op 4 september jl. heeft [belanghebbende] u met een aangetekend verzonden brief gevraagd de haar ten onrechte in rekening gebrachte heffingen terug te betalen. Omdat u tot nu toe daarop niet reageerde heeft ze mij benaderd om daarin te bemiddelen.
Om de afwikkeling van haar bezwaren te bespoedigen doe ik hierbij een beroep op de regeling die u verplicht binnen de door de wet bepaalde redelijke termijn uitspraak te doen. Op grond daarvan dring ik er bij u op aan binnen 14 dagen uitspraak c.q. uitspraken op haar bezwaren te doen bij gebreke waarvan ik (…) een beroep zal doen op het door de wetgever in paragraaf 4.1.3.2 Awb gegeven middel tegen te trage besluitvorming.”
Bij brief aan belanghebbende met dagtekening 15 november 2021 (met als onderwerp “Beslissing toekenning dwangsom”) heeft de heffingsambtenaar – voor zover hier van belang – de volgende beslissing aan belanghebbende meegedeeld:
“Op 03-11-2021 hebt u ons in gebreke gesteld. Wij hebben volgens u te laat een beslissing genomen op uw bezwaarschrift tegen [de aanslagen voor het jaar 2018]. (…)
U krijgt geen vergoeding
Wij hebben tot 31 december de tijd om een besluit te nemen. U hebt ons dus te vroeg in gebreke gesteld. Daarom krijgt u geen vergoeding.
Hebben wij na 31 december nog geen beslissing genomen? Dan kunt u alsnog in gebreke stellen.”
Bij de onder 1.1.2 en 1.2.2 vermelde uitspraken op bezwaar van 10 november 2021 (2018) respectievelijk 23 december 2021 (2019), heeft de heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en – bij ambtshalve genomen besluiten – de aanslagen vernietigd. Belanghebbende heeft vervolgens op 25 februari 2022 beroepen ingesteld en bij deze beroepen een afschrift gevoegd van voormelde uitspraken op bezwaar.
Bij brief van 11 augustus 2022 heeft de heffingsambtenaar de op de ingebrekestelling met betrekking tot het bezwaarschrift voor het jaar 2018 genomen beslissing nogmaals aan belanghebbende meegedeeld.
Bij brief aan belanghebbende met dagtekening 28 juli 2022 (met als onderwerp “Beslissing op verzoek dwangsom”) heeft de heffingsambtenaar op de ingebrekestelling met betrekking tot het bezwaarschrift voor het jaar 2019 inhoudelijk dezelfde beslissing genomen als in de onder 2.4 vermelde brief met betrekking tot het jaar 2018, met de toevoeging dat het bezwaar inmiddels is afgehandeld bij de uitspraak op bezwaar van 23 december 2021.
In haar bij de rechtbank ingediende nader stuk van 18 november 2022, dat blijkens de mededeling van de gemachtigde ter zitting van de rechtbank van 15 december 2022 betrekking heeft op beide in geschil zijnde jaren (zie de zittingsaantekeningen van de griffier van de rechtbank, blz. 1) heeft de gemachtigde van belanghebbende onder meer het volgende aangevoerd:
“In de nu voorliggende procedure (…) gaat het dan ook uitsluitend om het 2e verzoek van [belanghebbende] en nu aan de gemeente [plaats ] om haar voor het belastingjaar 2019 opgelegde aanslag te herzien. (…) Dat voor de overschrijding van de redelijke termijn voor het beslissen op een verzoekschrift geen dwangsom verschuldigd is vind geen steun in de wet.
In § 19.2 van [het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 15 oktober 2021, nr. 9584] wordt gesteld dat ook als een teruggaafbeschikking het gevolg is van een verzoek om ambtshalve vermindering rente vergoed moet worden. Zoals ook in het beroep is gevraagd (…) moet de gemeente over de terugbetaling rente vergoeden.”
Bij haar nader stuk in hoger beroep van 27 september 2023 (door het Hof ontvangen op 5 oktober 2023) heeft belanghebbende een aantal bijlagen overgelegd, onder meer een door haar bij de rechtbank ingediend beroepschrift met dagtekening 2 maart 2022 “tegen het uitblijven van een uitspraak op het bezwaar tegen de in de gecombineerde aanslag 2019 (…) van de gemeente [plaats ] begrepen gebruikersheffingen”. Als bijlagen bij dit beroepschrift zijn onder meer kopieën van de onder 2.2 vermelde brief van 4 september 2021 en de onder 2.4 vermelde ingebrekestelling gevoegd. Tevens heeft belanghebbende als bijlage bij haar nader stuk een afschrift gevoegd van de hierop gevolgde, op de voet van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2022 (met kenmerken AMS 22/1276 en 22/1277), waarin aan belanghebbende vanwege het niet tijdig beslissen op haar bezwaren inzake de aanslagen voor de jaren 2018 en 2019 onder meer een dwangsom en een proceskostenvergoeding is toegekend. Voorts heeft belanghebbende een afschrift overgelegd van de hierop gevolgde uitspraak op verzet van de rechtbank van 1 februari 2023 (met kenmerken AMS 22/1276 V en 22/1277 V), waarin het door de heffingsambtenaar gedane verzet gegrond is verklaard en voormelde uitspraak van 22 augustus 2022 is vernietigd. In deze uitspraak op verzet is onder meer het volgende overwogen en beslist:
“4. De bestuursrechter heeft uitspraak gedaan op basis van de door eiseres overgelegde stukken omdat opposant niet heeft gereageerd op het verzoek om de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift in te zenden. Uit het door opposant in de verzetsfase overlegde uitspraak op bezwaar van 23 december 2021 blijkt dat ten tijde van het instellen van het beroep reeds op het bezwaarschrift van eiseres was beslist. Het beroep is daarom ten onrechte (kennelijk) gegrond verklaard.
5. Het verzet is reeds hierom gegrond. (…) De buiten-zittinguitspraak vervalt. De behandeling van de beroepen worden voortgezet. De bestuursrechter zal in de beroepsfase moeten beoordelen of de in 2021 door eiseres ingestuurde ingebrekestelling(en) ontvankelijk zijn.
6. Er is geen reden voor een proceskostenvergoeding.
(…)
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. De behandeling van het beroep wordt voortgezet.”
In de conclusie van haar nader stuk van 27 september 2023 heeft belanghebbende meegedeeld ervan uit te gaan dat het Hof een beslissing zal nemen over het toekennen van dwangsommen in de onderhavige zaken, aangezien de rechtbank in de uitspraak op verzet heeft beslist dat de beroepen worden voortgezet.
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of:
a. de rechtbank de beroepen van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard;
b. de heffingsambtenaar in beide zaken dwangsommen heeft verbeurd vanwege het niet tijdig nemen van zijn ambtshalve besluiten tot vernietiging van de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing voor de jaren 2018 en 2019 (hierna tezamen ook aangeduid als: de aanslagen);
c. belanghebbende recht heeft op een rentevergoeding over de (volgens de heffingsambtenaar reeds) terugbetaalde dan wel (volgens belanghebbende deels) nog terug te betalen bedragen van de vernietigde aanslagen;
d. belanghebbende alsnog recht heeft op vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten en van het in eerste aanleg betaalde griffierecht.
Tijdens de zitting in hoger beroep is namens belanghebbende verklaard dat niet langer wordt betwist dat de bestreden besluiten zijn genomen door de daartoe bevoegde heffingsambtenaar.