Home

Gerechtshof Amsterdam, 06-02-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:642, 22/2416

Gerechtshof Amsterdam, 06-02-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:642, 22/2416

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
6 februari 2024
Datum publicatie
27 maart 2024
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2024:642
Zaaknummer
22/2416
Relevante informatie
Art. 6:5 Awb, Art. 6:6 Awb, Art. 6:7 Awb, Art. 6:11 Awb, Art. 22j AWR

Inhoudsindicatie

Bezwaren terecht NO verklaard. Het Hof ziet evenmin als de rechtbank aanleiding om in het onderhavige geval aan de eventuele onzorgvuldigheid van de heffingsambtenaar van het niet navraag doen naar een mogelijke verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding gevolgen te verbinden (vgl. Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1595).

Uitspraak

kenmerk 22/2416

6 februari 2024

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V., gevestigd te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)

tegen de uitspraak van 29 september 2022 in de zaak met kenmerk HAA 21/956 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] , de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen met dagtekening 31 juli 2020 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaken aan het adres [A-straat] te [plaats] voor het kalenderjaar 2019 naar waardepeildatum 1 januari 2018 vastgesteld op de navolgende bedragen:

- hoofdgebouw/begane grond en souterrain, € 670.000;

- hoofdgebouw/eerste en tweede verdieping, € 503.000;

- tussenverbindingsstuk hoofdgebouw/koetshuis begane grond en souterrain, € 302.000;

- koetshuis/eerste verdieping, € 134.000;

- koetshuis/begane grond en tweede verdieping, € 283.000.

In hetzelfde geschrift zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting en rioolheffing 2019 bekendgemaakt.

1.2.

De tegen de hiervoor vermelde beschikkingen en aanslagen gemaakte bezwaren, gedagtekend 4 september 2020 en ingekomen op 7 december 2020, heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 23 december 2020, niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 29 september 2022 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, ingekomen bij het Hof op 7 november 2022. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Met dagtekening 18 juli 2023, 7 december 2023 en 23 december 2023 heeft belanghebbende aanvullende stukken ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2024. De zaak is gezamenlijk met de zaak met zaaknummer 22/2415 van belanghebbende behandeld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

Op 7 december 2020 heeft de heffingsambtenaar het in 1.2 vermelde bezwaarschrift ontvangen in een enveloppe met daarop een stempel “Frankering gecontroleerd (…) 201204 (…)”.

2.2.

Ter zitting van het Hof heeft gemachtigde onder meer het volgende verklaard:


“De post verwerk ik zelf. Het aanslagbiljet heeft mij bereikt; dat zit als bijlage bij het bezwaar. Als iets binnen komt, doe ik iets binnen 24 uur. Dat is een garantie aan mijn klanten. Tot 20.50 uur kan ik stukken naar de post brengen.

Ik heb het aanslagbiljet ontvangen van mijn cliënt. De secretaresse van [bedrijf]

[A] stuurt de aanslag rechtstreeks naar mij.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de heffingsambtenaar de bezwaren van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4 Het oordeel van de rechtbank

5 Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6 Kosten

7 Beslissing