Gerechtshof Amsterdam, 05-03-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:744, 23/65
Gerechtshof Amsterdam, 05-03-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:744, 23/65
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 5 maart 2024
- Datum publicatie
- 27 maart 2024
- Zaaknummer
- 23/65
- Relevante informatie
- Art. 22 WOZ, Art. 18 WOZ, Art. 8:26 Awb
Inhoudsindicatie
WOZ 2021 verhuurde woningen in Amsterdam met tuin. Geen grondstaffel want grondgebonden woningen. Wisselende standpunten gemachtigde ten aanzien van waarden (lager dan wel hoger dan beschikt) tijdens bezwaar, beroep en hoger beroep. Oproepen belanghebbende in persoon in verband met mogelijk misbruik van recht?
Uitspraak
kenmerk 23/65
5 maart 2024
uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels)
tegen de uitspraak van 9 december 2022 in de zaak met kenmerk AMS 22/780 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] , de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen met dagtekening 28 februari 2021 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaken aan de adressen [A-straat] 5-H en [A-straat] 5-1 te [plaats] (hierna: de woningen) voor het kalenderjaar 2021 naar waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op respectievelijk € 338.000 en € 295.000. In hetzelfde geschrift zijn de aanslagen onroerendezaakbelasting 2021 bekendgemaakt.
Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 28 januari 2022 heeft de heffingsambtenaar het tegen de hiervoor vermelde beschikkingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft als volgt op het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond, en
- wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.”
Het tegen de uitspraak van de rechtbank door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 januari 2023 en nader gemotiveerd bij brief van
14 februari 2023. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Met dagtekening 15 januari 2024 heeft belanghebbende een aanvullend stuk (zijn “pinpointbrief”) ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Het Hof heeft overwogen om, in het licht van de telkens wisselende diametraal tegengestelde standpunten ten aanzien van de waarden (lager dan wel hoger dan beschikt) en de steeds wisselende verklaringen van de gemachtigde daarover, belanghebbende in persoon op te roepen teneinde daarover een nadere toelichting te geven en uit te kunnen sluiten dat in deze zaak sprake is van misbruik van procesrecht. Gelet op de gevorderde leeftijd van belanghebbende heeft het Hof daarvan afgezien en het onderzoek niet heropend.
2 2. Feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woningen. [A-straat] 5-H is een benedenwoning uit 1907 met een tuin en een berging. Deze woning heeft een oppervlakte van 51 m2, de tuin heeft een oppervlakte van 40 m². [A-straat] 5-1 is een bovenwoning uit 1907 met een berging. Deze woning heeft een oppervlakte van 47 m². Beide woningen zijn verhuurd.
De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarden in eerste aanleg ten aanzien van beide woningen een intern waarde-advies (waarvan een waardematrix deel uitmaakt) overgelegd. In deze waarde-adviezen en matrices zijn ter vergelijking gegevens van panden (hierna: de vergelijkingsobjecten) opgenomen die in dezelfde buurt als de woningen van belanghebbende liggen.
Ter zitting bij het Hof heeft de gemachtigde wisselend verklaard over de ingenomen standpunten. Na enig reflecteren heeft de gemachtigde bevestigd dat de in het loop van het geding ingenomen standpunten als volgt zijn samen te vatten: “in de bezwaarfase vond ik de waarden te hoog, tijdens het hoorgesprek nam ik het standpunt in dat de waarden niet te hoog waren, in het beroepschrift was mijn standpunt weer dat de waarden te hoog waren, ter zitting bij de rechtbank vond ik de waarden juist weer te laag en moesten de waarden omhoog en daarna luidt de nieuwe instructie dat de waarden naar beneden moeten.”
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is – nadat het standpunt van belanghebbende ter zitting van het Hof dienovereenkomstig is bijgesteld – in geschil of de heffingsambtenaar de waarde van de woningen te hoog heeft vastgesteld.