Gerechtshof Amsterdam, 27-02-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:747, 22/2303
Gerechtshof Amsterdam, 27-02-2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:747, 22/2303
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 27 februari 2024
- Datum publicatie
- 27 maart 2024
- Zaaknummer
- 22/2303
- Relevante informatie
- Art. 22 WOZ, Art. 17 WOZ, Art. 4 Uitv.reg. iw WOZ, Art. 6:20 Awb
Inhoudsindicatie
WOZ-waarde woning. Ingebrekestelling en dwangsom. Proceskostenvergoeding.
Uitspraak
kenmerk 22/2303
27 februari 2024
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , woonachtig te [Z] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 4 augustus 2022 in de zaak met kenmerk AMS 21/2675 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken met dagtekening 28 februari 2020 de waarde van de onroerende zaak [a-straat] [1] te [Z] (hierna: de woning) op de waardepeildatum 1 januari 2019 voor het jaar 2020 vastgesteld op € 953.000 (hierna: de WOZ-beschikking). In hetzelfde geschrift heeft de heffingsambtenaar de aanslag onroerendezaakbelasting bekendgemaakt.
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 4 maart 2021 in gebreke gesteld, omdat niet tijdig op het bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking is beslist.
Belanghebbende heeft op 12 april 2021 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
Het tegen de WOZ-beschikking door belanghebbende gemaakte bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 29 april 2021 gegrond verklaard en de waarde van de woning verminderd naar € 806.000.
De heffingsambtenaar heeft bij beslissing van 4 mei 2021 aan belanghebbende een dwangsom van € 1.262 toegekend.
In haar uitspraak van 4 augustus 2022 heeft de rechtbank als volgt beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’):
“Beslissing
De rechtbank:
- Verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor het overige gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 4 mei 2021;
- stelt de door de heffingsambtenaar verbeurde dwangsom vast op € 1.352,-, waarvan nog te betalen aan eiser € 90,-;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak in stand blijven, wat betreft de hoogte van de WOZ-waarde;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.586,88,-.”
Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof
ingekomen op 16 september 2022. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 5 februari 2024 een nader stuk ingediend dat in kopie naar de wederpartij is gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2024. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2 Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eiser is eigenaar van de woning. Het gaat om een hoekwoning met garage. De inhoud van de woning is 638 m³ en de oppervlakte van het perceel is 400 m².”
3 Geschil in hoger beroep
Evenals in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de heffingsambtenaar de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Daarnaast is de hoogte van de toegekende dwangsom en de proceskostenvergoeding in geschil. Ook verzoekt belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade.