Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-11-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10102, 21/01415

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-11-2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10102, 21/01415

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22 november 2022
Datum publicatie
2 december 2022
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2022:10102
Zaaknummer
21/01415
Relevante informatie
Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 4 lid 1 aanhef en onderdeel b Uitv.reg. WOZ, Art. 8:42 Awb

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling kantoorpand.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 21/01415

uitspraakdatum: 22 november 2022

Uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 27 juli 2021, nummer AWB 20/5946, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van Tribuut (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 33 te [plaats1] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 233.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) 2020 vastgesteld.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2022. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] en [naam2] , taxateur, namens de heffingsambtenaar.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een kantoorpand gebouwd in 2006. Het kantoorpand bestaat uit ongeveer 214 m2 kantoorruimte en 18 m2 opslagruimte. Het is in gebruik als tandtechnisch laboratorium en beschikt over vier parkeerplaatsen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2019. Hierbij is specifiek in geschil:

-

of COVID-19 reden is de waarde naar beneden bij te stellen,

-

of de verlaging van de huur medio 2020 reden is de huurwaarde lager vast te stellen,

-

of de heffingsambtenaar de juiste kapitalisatiefactor heeft gehanteerd,

-

of de referentieobjecten vergelijkbaar zijn, en

-

of sprake is van schending van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

3.2.

Belanghebbende stelt dat de waarde van de onroerende zaak € 199.000 bedraagt, gaat daarbij uit van een kapitalisatiefactor van 7,5 en een huurwaarde van € 22.800.

3.3.

De heffingsambtenaar neemt het standpunt in dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, gelet op het door hem overgelegde taxatierapport van [naam2] , RT van 11 juni 2021, waarbij wordt uitgegaan van een kapitalisatiefactor van 9 en een huurwaarde van € 25.604, en vier parkeerplaatsen met een waarde van € 800 per stuk.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing