Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-02-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1314, 21/01758
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14-02-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1314, 21/01758
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 14 februari 2023
- Datum publicatie
- 24 februari 2023
- Zaaknummer
- 21/01758
- Relevante informatie
- Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 6:17 Awb, Art. 8:24 Awb, Art. 8:41 Awb, Art. 8:54 Awb
Inhoudsindicatie
Uitspraak op verzet. Griffierecht niet (geheel) voldaan. Hoger beroep niet-ontvankelijk. Verzet ongegrond.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/01758
uitspraakdatum: 14 februari 2023
op het verzet van
de Stichting [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 30 augustus 2022 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 december 2021, nummer UTR 20/3197, in het geding tussen belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
Bij beschikking ten name van belanghebbende is voor het kalenderjaar 2019 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet Woz) de waarde vastgesteld van de onroerende zaak [adres] te [plaats1] . In hetzelfde geschrift zijn de aanslag voor de onroerende-zaakbelastingen (eigenarenbelasting) en de watersysteemheffing eigenaren bekendgemaakt.
De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 30 augustus 2022 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn (volledig) was betaald.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet aangetekend.
Bij brief van 24 november 2022 heeft belanghebbende nadere stukken ingediend.
Het verzet is ter zitting van het Hof behandeld op 11 januari 2023. Ter zitting zijn gezamenlijk behandeld de verzetten in de zaken met nummers 21/01758, 21/01759 en 1760, 21/01761, 21/01816, 21/01817, 21/01825 tot en met 1827, 22/00025, 22/00031 tot en met 47, 22/00050, 22/00051, 22/00052, 22/00054, 22/00441 en 22/00447. Namens belanghebbende is verschenen mr. D.A.N. Bartels (hierna: de gemachtigde van belanghebbende).
2 De vaststaande feiten
Bij brief van 24 december 2021 is aan de gemachtigde van belanghebbende de ontvangst van het hoger beroep bevestigd. In deze brief staat onder meer:
‘ons kenmerk BK-ARN 21/01758
procedure van Stichting [belanghebbende] te [vestigingsplaats] / de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht te Utrecht
nr.aanslag/beschikking [adres]
gevoegde besluiten
betreffende Beschikking Wet waardering onroerende zaken 2019
uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht
nummer rechtbank 20/3197
onderwerp ontvangstbevestiging
(…)
Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw beroepschrift, ingekomen op 14 december 2021, gericht tegen bovenvermelde uitspraak.’
Bij brief van 23 februari 2022 is aan de gemachtigde van belanghebbende een nota griffierecht gezonden. Daarin staat onder meer:
‘U heeft een beroepschrift ingediend.
In verband daarmee is een griffierecht verschuldigd van € 541,00. Het bedrag moet uiterlijk op 23-03-2022 zijn bijgeschreven op rekening: (…) met vermelding van het betalingskenmerk: (…).
Als het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven, kan uw beroepschrift niet-ontvankelijk worden verklaard; dat wil zeggen dat uw beroepschrift niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen.
Als u meent het griffierecht niet te kunnen betalen, kunt u een beroep doen op ‘betalingsonmacht’. Het verzoek om ontheffing van betaling van griffierecht moet u voor het einde van de op deze nota/in deze herinnering gestelde betalingstermijn indienen bij het gerecht waar u uw beroepschrift heeft ingediend.
(…)
Betalingskenmerk: 1000 8591 0321 3129
(…)
Kenmerk van uw zaak:
BK-ARN 21/01758
Stichting [belanghebbende]
vs BghU
Gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden’
Bij brief van 25 februari 2022 schrijft de gemachtigde van belanghebbende onder meer:
‘En hoe luidt uw beslissing t.a.v. de beide gedane verzoeken dezerzijds strekkende tot betalingsonmacht c.q. het verkrijgen van uitstel van betaling gelet op de (gigantische) gevolgen van de huidige pandemie?’
Bij aangetekende brief van 24 maart 2022 is aan de gemachtigde van belanghebbende een herinnering griffierecht gezonden. Daarin staat onder meer:
‘Uit onze administratie blijkt dat u nog niet heeft voldaan aan mijn uitnodiging om het griffierecht te betalen. Het nog te betalen bedrag is € 541,00.
Ik deel u nu mee dat u het bedrag binnen vier weken na dagtekening van deze brief moet hebben overgemaakt op rekening: (…) met vermelding van het betalingskenmerk: (…).
Als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is overgemaakt op de genoemde bankrekening, loopt u het risico dat uw beroepschrift niet ontvankelijk verklaard wordt. Hierna krijgt u geen nieuwe gelegenheid om het griffierecht te betalen.
Als u het verschuldigde bedrag intussen al hebt betaald, dan kunt u deze brief als niet geschreven beschouwen.
Als u meent het griffierecht niet te kunnen betalen, kunt u een beroep doen op ‘betalingsonmacht’. Het verzoek om ontheffing van betaling van griffierecht moet u voor het einde van de op deze nota/in deze herinnering gestelde betalingstermijn indienen bij het gerecht waar u uw beroepschrift heeft ingediend.
(…)
Betalingskenmerk: 1000 8591 0321 3129
(…)
Kenmerk van uw zaak:
BK-ARN 21/01758
Stichting [belanghebbende]
vs BghU
Gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden’
Volgens gegevens van Track&Trace van PostNL is de aangetekende brief op 29 maart 2022 om 7:40 afgehaald en is voor ontvangst getekend.
Op 21 april 2022 is in deze zaak € 136 als griffierecht betaald. In verband met de onderhavige zaak zijn geen andere betalingen van griffierecht gedaan.
3 De gronden van het verzet
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de nota griffierecht en de herinnering griffierecht ten onrechte niet het adres bevatten van de onroerende zaak waarop de in geding zijnde beschikking en aanslagen betrekking hebben.
Belanghebbende wijst erop dat op 21 april 2022 het griffierecht gedeeltelijk is betaald. Zij stelt zich op het standpunt dat haar daarna nog een termijn had moeten worden gegund om de rest van het griffierecht te betalen.
Belanghebbende stelt dat zij tijdig een beroep heeft gedaan op betalingsonmacht en dat zij het griffierecht niet hoefde te betalen totdat op dat beroep was beslist.