Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 05-09-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7546, 22/01685
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 05-09-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7546, 22/01685
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 5 september 2023
- Datum publicatie
- 15 september 2023
- Zaaknummer
- 22/01685
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 7:4 Awb, Art. 7:15 Awb
Inhoudsindicatie
Wet WOZ. Proceskostenvergoeding. Besluit proceskosten bestuursrecht. Wegingsfactor.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/01685
uitspraakdatum: 5 september 2023
Uitspraak van de vierde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 23 mei 2022, nummer AWB 21/5324, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Buren (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 41 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op € 295.000. Tevens is een aanslag vastgesteld, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is daartegen in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand gelaten en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft aan partijen meegedeeld voornemens te zijn zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen, en aan partijen kenbaar gemaakt dat wanneer zij niet binnen twee weken om een zitting verzoeken, het Hof ervan zal uitgaan dat zij geen zitting wensen. Partijen hebben hierop niet gereageerd, waarna het Hof het onderzoek heeft gesloten.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. Namens belanghebbende heeft G. Gieben van [naam1] B.V. (hierna: de gemachtigde) bezwaar gemaakt tegen de onder 1.1. genoemde beschikking en aanslag. De gemachtigde is met belanghebbende overeengekomen dat zij de procedure in bezwaar, beroep en hoger beroep op basis van no cure no pay zal verrichten. De vergoeding komt overeen met de proceskosten die de heffingsambtenaar moet vergoeden.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ongegrond verklaard en de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar in zijn bezwaarschrift verzocht de grondstaffel en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren voor de referentie-objecten alsmede de indexeringscijfers te overleggen. De heffingsambtenaar heeft deze in de bezwaarfase niet verstrekt.
De Rechtbank heeft beslist dat de heffingsambtenaar niet aan artikel 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft voldaan, omdat hij de onder 2.3. genoemde gegevens niet in de bezwaarfase heeft overgelegd, terwijl belanghebbende daarom wel heeft verzocht. De Rechtbank heeft daarom het beroep gegrond verklaard. Het beroep is voor het overige ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten heeft de Rechtbank op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 541 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 541 en een wegingsfactor 0,5). De Rechtbank heeft de wegingsfactor op 0,5 gesteld, omdat zij het beroep alleen gegrond heeft verklaard vanwege het niet verstrekken van de verzochte gegevens in de bezwaarfase.
3 Geschil
In geschil is de hoogte van de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding.