Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-09-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8233, 22/1069
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-09-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8233, 22/1069
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 26 september 2023
- Datum publicatie
- 6 oktober 2023
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2022:1361, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 22/1069
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Waardevaststelling niet-woning.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/1069
uitspraakdatum: 26 september 2023
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
Stichting [belanghebbende] te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 april 2022, nummer UTR 21/1799, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerenlanden (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 83 te [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum, voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 1.300.000. Tegelijk met deze beschikking zijn voorts de aanslagen onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) voor zowel het eigenaarsgedeelte als het gebruikersgedeelte vastgesteld.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de vastgestelde waarde alsmede de opgelegde aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 6 april 2022, verzonden op 22 april 2022, gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 650.000, bepaald dat de heffingsambtenaar de aanslagen OZB dienovereenkomstig vermindert, de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2023 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende haar gemachtigde A. Oosters, alsmede [naam1] , taxateur, namens de heffingsambtenaar.
De gemachtigde van belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota aan het Hof gestuurd en vóór de zitting een exemplaar daarvan aan de heffingsambtenaar uitgereikt.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.
2 De vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak heeft een bruto vloeroppervlak van circa 1.178 m2 en staat op een perceel van 848 m2. Het oorspronkelijke gebouw is gebouwd in 1910, en in 1986 en 1995 zijn er delen aangebouwd.
3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
In geschil is of de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum te hoog is vastgesteld.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de vastgestelde waarde tot op € 470.000.
De heffingsambtenaar beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag eveneens bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.