Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-10-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8613, 21/1528
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10-10-2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8613, 21/1528
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 10 oktober 2023
- Datum publicatie
- 20 oktober 2023
- Zaaknummer
- 21/1528
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 8:69a Awb
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Relativiteitsvereiste.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/1528
uitspraakdatum: 10 oktober 2023
Uitspraak van de achttiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te onbekend (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 16 juli 2021, nummer UTR 20/4122, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 32 te [plaats1] , per waardepeildatum 1 januari 2019 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 261.000. Tegelijkertijd zijn aanslagen rioolheffingen en afvalstoffenheffing aan belanghebbende opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2023. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. L.H.G.M. Driessen, als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [naam1] en [naam2] , alsmede [naam3] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam4] (taxateur). Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2 Vaststaande feiten
De onroerende zaak betreft een in 1935 gebouwde rijwoning met een inhoud van 241 m3, een in 1996 gerealiseerde aanbouw van 25 m3 en een bij de onroerende zaak behorende perceelsoppervlakte van 63 m2.
Het aanslagbiljet waarop ook de WOZ-waarde van de onroerende zaak is vermeld, is aan belanghebbende geadresseerd. Belanghebbende was in het tijdvak waarop de WOZ beschikking gebruiker ziet, huurder van de onroerende zaak.
De huursom van de onroerende zaak was hoger dan de in het belastingjaar van toepassing zijnde liberalisatiegrens.
De beschikte WOZ-waarde is niet van invloed op de hoogte van de aan belanghebbende opgelegde afvalstoffenheffing, noch van invloed op de hoogte van de rioolheffing. Evenmin is de WOZ-waarde van invloed op de huurovereenkomst en de aldaar bepaalde huursom of op enig ander (financieel) belang van belanghebbende.
3 Geschil
In geschil is of de Rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.
Belanghebbende meent dat de Rechtbank ten onrechte heeft beslist dat belanghebbende als huurder haar belang aannemelijk moest maken. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en terugwijzing naar de Rechtbank.
De heffingsambtenaar meent dat belanghebbende geen belang heeft bij het in hoger beroep komen tegen de WOZ-waarde van de onroerende zaak en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.