Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-03-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2168, 22/2167
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-03-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2168, 22/2167
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 26 maart 2024
- Datum publicatie
- 5 april 2024
- Zaaknummer
- 22/2167
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 8:73 Awb, Art. 8:74 Awb, Art. 8:91 Awb, Art. 8:94 Awb
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/2167
uitspraakdatum: 26 maart 2024
Uitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer
op het incidentele hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 5 september 2022, nummers UTR 21/1344, UTR 21/1347 en UTR 21/1346, in het geding tussen de heffingsambtenaar en
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken [adres1] 152, [adres2] 11-1 en [adres3] 111 te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het jaar 2020 vastgesteld op achtereenvolgens € 489.000, € 229.000 en € 198.000. Tegelijk met deze beschikkingen zijn voor het jaar 2020 aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende het beroep betreffende [adres1] 152 en [adres3] 111 ingetrokken. De Rechtbank heeft het beroep betreffende [adres2] 11-1 (hierna verder: de woning) ongegrond verklaard. Wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade (€ 1.000), proceskosten (€ 759) en griffierecht (€ 49).
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.
Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. D.A.N. Bartels, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] en [naam3] , taxateurs, en [naam4] .
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een in de wijk [de wijk] gelegen appartement (bouwjaar 1955) met een gebruiksoppervlakte van 72 m2. De woning beschikt over een berging en twee balkons (van ieder 3 m2).
De waarde van de woning is bij beschikking vastgesteld op € 229.000. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Na de afwijzende uitspraak op bezwaar is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar wel aanleiding gezien om de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade (€ 1.000), proceskosten (€ 759) en griffierecht (€ 49) wegens overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden en één dag.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld vanwege de ongegrondverklaring van zijn beroep betreffende de waarde van de woning. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de nevenbeslissingen omtrent de immateriëleschadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn hoger beroep betreffende de waarde van de woning ingetrokken, zodat het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar ter beoordeling overblijft.
3 Geschil
In geschil is of de Rechtbank de heffingsambtenaar terecht en tot juiste bedragen heeft veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, proceskosten en griffierecht.
De heffingsambtenaar beantwoordt die vraag ontkennend, belanghebbende bevestigend.