Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-04-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2837, 21/1504
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23-04-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2837, 21/1504
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 23 april 2024
- Datum publicatie
- 26 april 2024
- Zaaknummer
- 21/1504
- Relevante informatie
- Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 4 Uitv.reg. WOZ, Art. 6:22 Awb, Art. 7:4 Awb, Art. 8:42 Awb
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Toezendplicht gegevens. Proceskostenvergoeding.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 21/1504
uitspraakdatum: 23 april 2024
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 23 augustus 2021, nummer UTR 20/3999, in het geding tussen belanghebbende en
De heffingsambtenaar van de gemeente Woerden (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 79 B 29 te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2019, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 214.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in een geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting van de tweeëntwintigste enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 9 januari 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] en [naam2] namens belanghebbende, alsmede [naam3] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam4] , taxateur. De heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof een nader stuk ingediend. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft deze enkelvoudige kamer de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen hebben (op voorhand) afgezien van een nadere mondelinge behandeling.
2 Vaststaande feiten
De woning is een in 2006 gebouwd appartement. De woning heeft een oppervlakte van 80 m2 en beschikt over een berging van 5 m2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft op 4 april 2020 bezwaar aangetekend tegen de onder 1.1. genoemde beschikking en aanslag. In dit bezwaarschrift is, voor zover relevant, het volgende verzoek opgenomen:
‘Ik verzoek u bij niet volledig tegemoetkoming aan het bezwaar de opbouw en een controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, op basis van recente uitspraken van de rechtbank Oost Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2018:357) en de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2017:1051) tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te overleggen.
Ik verzoek u de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren, alsmede de manier waarop u de verschillen hebt verdisconteerd, van het onderhavige object en van de door u opgevoerde vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken. Ook verzoek ik u het gehanteerde indexeringspercentage, om de waarde van de referentiepanden op waardepeildatum te bepalen, te verstrekken inclusief de onderbouwing van het door u gehanteerde indexeringspercentage. Mocht u in de uitspraak op bezwaar de waarde van het onderhavige object aan de hand van andere referentiepanden dan op het door u verstrekte taxatieverslag onderbouwen dan verzoek ik u in de uitspraak op bezwaar bovenstaande punten van de andere referentiepanden te verstrekken.’
In het taxatieverslag dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende heeft toegestuurd, is een toelichting opgenomen waarin over een aantal taxatiebegrippen en over de gang van zaken rondom de taxatie onder meer het volgende is vermeld:
‘Wij moeten alle woningen en andere onroerende zaken elk jaar opnieuw taxeren. Hiervoor gebruiken wij speciale geautomatiseerde systemen. Deze manier van taxeren wordt aangeduid als modelmatige waardebepaling.
(…)
Het kenmerk van deze systemen is dat een computer hiervoor grote hoeveelheden gegevens over de woningmarkt (zoals verkoopprijzen) analyseert. De geanalyseerde gegevens worden gebruikt om voor alle woningen taxatiewaarden te berekenen. Deze berekening gebeurt met de kenmerken die zijn geregistreerd van alle woningen.
(…)
Dankzij de computer kunnen wij een getaxeerde woning in feite vergelijken met alle andere woningen in de gemeente. Meer specifiek: met alle woningen in de gemeente waarvan een verkoopprijs beschikbaar is. Bij de taxatie zijn dus veel meer verkoopprijzen gebruikt dan de verkopen die op dit taxatieverslag zijn vermeld.
(…)
Om alle woningen met elkaar te kunnen vergelijken, beschikken wij (de taxateur) over heldere informatie om te bepalen in welke mate woningen op elkaar lijken. Dit laatste gebeurt zo veel mogelijk op basis van objectieve kenmerken van de woningen zoals type, grootte van de woning, bouwjaar, ligging en grootte van de kavel. Waar nodig worden ook minder objectieve kenmerken (zoals kwaliteit en onderhoudstoestand van de woning) gebruikt om te vergelijken. Al deze kenmerken worden aangeduid als 'objectkenmerken'. Wij houden deze objectkenmerken steeds actueel.
(…)
De WOZ-waarden die de computer berekent, worden uitgebreid door ons gecontroleerd en eventueel gecorrigeerd.’
Daarnaast heeft de heffingsambtenaar op 19 juni 2020 een e-mail aan belanghebbende gestuurd met hierin de volgende bijlagen: ‘grondstaffels oudewater’, ‘grondstaffels woerden’, ‘taxatiekaart 2020 oudewater’, ‘taxatiekaart 2020 woerden’ en ‘correcties vve woerden’.
In het dossier bevindt zich een afdruk van de taxatiekaart van de woning. Deze taxatiekaart bevat een weergave van primaire objectkenmerken, zoals bouwjaar, bouwlaag, inhoud en oppervlakte, en secundaire objectkenmerken van de woning, te weten het liggings, voorzieningen-, kwaliteits- en onderhoudsniveau van de woning. Verder staan op de taxatiekaart enkele primaire objectkenmerken vermeld van vergelijkbare woningen die omstreeks de waardepeildatum zijn verkocht. Daarnaast staan twee modelwaarden van de woning op de taxatiekaart vermeld: € 202.305 per waardepeildatum 1 januari 2018 en € 214.977 per waardepeildatum 1 januari 2019. De modelwaarden voor bijgebouwen bedraagt op de beide waardepeildatums € 2.250.
In het beroepschrift in eerste aanleg heeft belanghebbende aangevoerd dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde te hoog heeft vastgesteld, dat het door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobject [adres1] 79 B 20 een lagere waarde onderbouwt, dat de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden, dat bij de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten niet inzichtelijk is hoe er rekening wordt gehouden met het aandeel in de reserve van de VvE en dat de heffingsambtenaar hiermee onvoldoende rekening heeft gehouden, dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten [adres2] 5 en 7 niet goed vergelijkbaar zijn en dat de ligging van de woning boven een scholencomplex voor geluidsoverlast zorgt. Daarnaast heeft belanghebbende in beroep aangevoerd dat [adres1] 79 A 6 een goed vergelijkbaar pand is en dat de verkoopopbrengst van € 265.000 volgens hem aantoont dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar, op basis van de in de beroepsfase overlegde taxatiematrix en hetgeen ter zitting daarover is toegelicht, de WOZ-waarde aannemelijk heeft gemaakt. Tevens heeft de Rechtbank geoordeeld dat met de e-mail met bijlagen, als beschreven onder 2.4., het gebrek dat is ontstaan door het niet verstrekken van de zogenoemde KOUDV- en liggingsfactoren voor de uitspraak op bezwaar is hersteld en met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden gepasseerd. Ten aanzien van de indexeringspercentages heeft de Rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken, aangezien er in de bezwaarfase volgens de heffingsambtenaar geen gebruik is gemaakt van indexeringspercentages.
3 Geschil
In hoger beroep is in geschil of de toezendplicht als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is geschonden en zo ja, welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden. Daarbij staat in hoger beroep tussen partijen vast dat in de bezwaarfase de KOUDV- en liggingsfactoren van de vergelijkingsobjecten, de KOUDV- en liggingscorrecties1 en de indexeringspercentages2 inclusief de onderbouwing van die percentages niet door de heffingsambtenaar aan belanghebbende zijn verstrekt. Belanghebbende stelt dat de toezendplicht is geschonden en dat dit moet leiden tot een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten en het griffierecht in beroep en hoger beroep. Volgens de heffingsambtenaar is met de stukken die hij heeft verstrekt aan de toezendplicht voldaan en is van benadeling van belanghebbende overigens geen sprake.
Verder is in geschil de WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2019. Belanghebbende bepleit een waarde van € 195.000, de heffingsambtenaar bepleit de beschikte waarde.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat de grief tegen de correctie vanwege het aandeel in de VvE-reserves per abuis is opgenomen in het hogerberoepschrift, aangezien dat geschilpunt ter zitting van de Rechtbank reeds is ingetrokken.