Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-06-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4134, 22/1950

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-06-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4134, 22/1950

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18 juni 2024
Datum publicatie
28 juni 2024
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:4134
Formele relaties
Zaaknummer
22/1950
Relevante informatie
Art. 17 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 6:17 Awb, Art. 7:4 Awb

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling woning.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 22/1950

uitspraakdatum: 18 juni 2024

Uitspraak van de negentiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 22 juli 2022, nummer UTR 21/5297, ECLI:NL:RBMNE:2022:4026, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Eemnes (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2020 en naar de toestand op die datum, voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op € 482.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting 2021 (OZB) voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld met als maatstaf de hiervoor genoemde WOZ-waarde.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de eerder vastgestelde waarde verminderd tot € 376.000 en de opgelegde aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd. De heffingsambtenaar heeft daarbij aan belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 535,20 toegekend.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A. Bakker, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een in 1920 gebouwde vrijstaande woning met een aanbouw en een luifel. De onroerende zaak heeft een inhoud van 522 m3 en is gelegen op een perceel met een oppervlakte van 551 m2.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2020. Belanghebbende bepleit een lagere waarde, van primair € 200.000 en subsidiair van € 299.000. De heffingsambtenaar bepleit dat de door hem in bezwaar vastgestelde waarde van € 376.000 moet worden gehandhaafd.

3.2.

Belanghebbende heeft daarnaast – eerst in hoger beroep - gesteld dat in bezwaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem zijn verstrekt. Volgens hem zijn daarom artikel 6:17 en 7:4, lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 40 lid 2 Wet WOZ geschonden. De heffingsambtenaar betwist dat.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing