Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-09-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5948, 24/318
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-09-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5948, 24/318
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 17 september 2024
- Datum publicatie
- 27 september 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2023:6598, Bekrachtiging/bevestiging
- Zaaknummer
- 24/318
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 40 Wet WOZ, Art. 7:4 Awb
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Toezendplicht gegevens.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/318
uitspraakdatum: 17 september 2024
Uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 december 2023, nummer UTR 23/985, ECLI:NL:RBMNE:2023:6598, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) ten aanzien van belanghebbende de waarde van de onroerende zaak [adres1] 172 te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 319.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting 2022 (hierna: OZB) opgelegd (hierna: de aanslag).
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen de uitspraken met betrekking tot de beschikking en de aanslag OZB in beroep gekomen bij de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. C.M.L. Poen, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een in 1977 gebouwde rijwoning. De gebruiksoppervlakte van de onroerende zaak is 96 m2 en de oppervlakte van het perceel is 155 m². Verder heeft de onroerende zaak een garage van 12 m2.
De beschikking en de aanslag OZB zijn gedagtekend op 28 februari 2022. Namens belanghebbende is met dagtekening 23 februari 2022, door de heffingsambtenaar ontvangen op 11 april 2022, bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslag. In het bezwaarschrift is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Ik verzoek u bij niet volledig tegemoetkoming aan het bezwaar de opbouw en een controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, op basis van recente uitspraken van de rechtbank Oost Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2018:357) en de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2017:1051) tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te overleggen. Indien de door u gebruikte grondstaffel geheel of ten dele het resultaat is van een geautomatiseerd proces verzoek ik u conform artikel 7:4 lid 2 Awb zorg te dragen voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van die keuzes, aannames en gegevens.
Tevens verzoek ik u conorm artikel 40 wet WOZ en artikel 7:4 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder in ieder geval de onderbouwing van de taxatie, inzichtelijk te verstrekken. Ik verzoek u, conform voorgaande zin, van het onderhavige object alsmede van de gehanteerde referentiepanden, de grondstaffels, liggingsfactor, onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum en de KOUDV-factoren te overleggen. Bij een afwijking van de gemiddelde KOUDV-factoren ontvang ik graag inzicht in de gehanteerde correcties.
Graag ontvang ik deze stukken in een overzichtelijke taxatiekaart. Hieromtrent verwijs ik naar ECLI:NL:RBNHO:2020:8608 waarin is geoordeeeld dat artikel 7:4 Awb niet alleen een inzagerecht beschrijft, maar ook een plicht om op verzoek deze stukken toe te zenden.”
In het Taxatieverslag zijn van de onroerende zaak en de gebruikte vergelijkingsobjecten, naast een foto, onder meer de volgende gegevens opgenomen:
- -
-
het bouwjaar;
- -
-
de oppervlakten van de diverse onderdelen (onder meer woning, grond, bijgebouwen);
- -
-
de kwalificatie van het onderhoud en de voorzieningen; en
- -
-
de (vorige) vastgestelde WOZ-waarden.
Verder zijn van de onroerende zaak de kadastrale gegevens vermeld en van de vergelijkingsobjecten de transportdatum en de verkoopprijs.
De heffingsambtenaar heeft per e-mail van 16 mei 2022 de grondstaffel behorende bij de onroerende zaak en de gemiddelde indexatiepercentages van de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten aan de gemachtigde verstrekt.
Op 3 juni 2022 heeft de hoorzitting plaatsgevonden. In de uitspraak op bezwaar van 11 januari 2023 is van dit gesprek de volgende samenvatting opgenomen:
“Tijdens de hoorzitting van 3 juni 2022 heeft u het volgende aangedragen: Keuken tussen 15-20 jaar. Badkamer ouder dan 20 jaar, en alles verkeerd in matige staat. Schilderwerk slecht onderhouden. Brandgang 6m2 is erfdienstbaarheid. Ref.: [adres1] 70, 2-12-2020, € 333.333, go 113m2, perceel 154m2. Waardevoorstel: € 295.000.”
Namens belanghebbende is op 26 juli 2022 het bezwaar aangevuld. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“Ik verzoek u, bij niet volledig tegemoetkoming aan het bezwaar, op basis van art. 40 Wet WOZ de opbouw van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van het onderhavige object en van de door u opgevoerde vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvinden van de hoorzitting te verstrekken.”
De heffingsambtenaar heeft per e-mail van 28 oktober 2022 een bestand van staffels en gemiddelde indexatiepercentages voor de woningobjecten in bezwaar verstrekt.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 januari 2023 het bezwaar ongegrond verklaard.
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en geen vergoeding van proceskosten toegekend.
3 Geschil
In geschil is of de heffingsambtenaar de toezendplicht van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, heeft geschonden en of belanghebbende deswege recht heeft op vergoeding van gemaakte proceskosten.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.
De waarde van de onroerende zaak is niet in geschil.