Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-10-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6425, 23/1196
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15-10-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6425, 23/1196
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2024
- Datum publicatie
- 25 oktober 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2023:1895, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 23/1196
- Relevante informatie
- Art. 220a Gemw, Art. 22 Wet WOZ
Inhoudsindicatie
OZB. Woning of niet-woning?
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1196
uitspraakdatum: 15 oktober 2024
Uitspraak van de drieëntwintigste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 10 maart 2023, nummer UTR 22/2910, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Lelystad (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] 26 en 28 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2020 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 303.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) 2021 vastgesteld op € 2.092.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag OZB gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en A. Oosters, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] , taxateur.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak bestaat uit een bedrijfshal van ongeveer 7 meter hoog, met een vloeroppervlakte van ongeveer 300 m². Daarin bevindt zich nog een entresol van ongeveer 90 m². In de bedrijfshal bevindt zich voorts een kantoorruimte met een wastafel en toiletruimte. Aan de bedrijfshal is een bedrijfswoning gelegen. Er is geen doorgang tussen de woning en de bedrijfshal. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 90 m².
Belanghebbende heeft de bedrijfshal tot 2018 gebruikt in zijn onderneming. In 2018 heeft hij zijn onderneming gestaakt. Sindsdien heeft hij de bedrijfshal niet langer als bedrijfsvermogen geëtiketteerd voor de winstbepaling voor de heffing van inkomstenbelasting, maar als privévermogen. Sinds de staking van de onderneming gebruikt belanghebbende de bedrijfshal voor de stalling van zijn privé-zeilboot, auto en andere privéspullen. De onroerende zaak is in 2022 verkocht.
In de door de heffingsambtenaar (aanvankelijk) gebruikte taxatiekaart van de onroerende zaak voor het onderhavige jaar is de WOZ-waarde van € 303.000 als volgt opgebouwd naar waardepeildatum 1 januari 2020:
|
Volgnr |
Omschrijving |
Opp |
Prijs |
Huurwrd |
Hwdm² |
KF |
Waarde |
|
1 |
Productieruimte |
260 |
€ 14.560 |
56,00 |
9.6 |
€ 139 776 |
|
|
3 |
Kantine |
15 |
€ 1.140 |
76,00 |
9.6 |
€ 10 944 |
|
|
4 |
Productieruimte |
85 |
€ 4.760 |
56,00 |
9.6 |
€ 45 696 |
|
|
5 |
Grond bij niet-woning |
537 |
€ 48,00 |
€ 25 776 |
|||
|
6 |
Erfverharding |
200 |
€ 25,00 |
€ 5.000 |
|||
|
7 |
Woning |
90 |
€ 850,00 |
€ 76.500 |
De heffingsambtenaar heeft de onroerende zaak aangemerkt als een niet-woning. De aanslag OZB is daarom vastgesteld voor het eigenarengedeelte naar het hogere tarief van 0,6437% en het gebruikersgedeelte is gebaseerd op een grondslag van € 227.000. De aanslag OZB bestaat aldus uit een eigenarengedeelte van € 1.950 en een gebruikersgedeelte van € 142.
Het hiertegen gerichte bezwaar heeft de heffingsambtenaar ontvangen op 17 februari 2021. Het bezwaar is ongegrond verklaard. Wel heeft de heffingsambtenaar de onderliggende gegevens als volgt gewijzigd in de taxatiekaart:
|
Volgnr |
Omschrijving |
Opp |
Prijs |
Huurwrd |
Hwdm² |
KF |
Waarde |
|
1 |
Opslag / magazijn |
282 |
€ 151.603 |
||||
|
3 |
Kantine |
25 |
€ 18.240 |
||||
|
4 |
Entresol |
98 |
€ 52.685 |
||||
|
7 |
Woning |
140 |
€ 119.000 |
||||
|
8 |
Grond bij eengezinswoning |
750 |
€ 165,00 |
€ 123.750 |
De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard wat betreft de aanslag OZB. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat uit de – naar aanleiding van het bezwaar aangepaste – taxatiekaart volgt dat 52% van de waarde aan het woningdeel moet worden toegerekend. Daarom dient niet minstens 70% van de waarde van de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning, zodat de heffingsambtenaar terecht de aanslag OZB heeft opgelegd naar het tarief van een niet-woning. De Rechtbank heeft geen vergoeding voor immateriële schade of proceskosten toegekend.
3 Geschil
Tussen partijen is niet in geschil dat de onroerende zaak één WOZ-object is en dat de daaraan toegekende WOZ-waarde niet te hoog is. Wel is in geschil de hoogte van de aanslag OZB. Volgens belanghebbende is sprake van een onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient als bedoeld in artikel 220, aanhef en onderdeel a, en artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet en had daarom het lagere tarief moeten worden gehanteerd. De heffingsambtenaar is de tegengestelde opvatting toegedaan.
Daarnaast is in geschil of de Rechtbank een vergoeding voor immateriële schade had moeten toekennen vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.