Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-11-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7357, 24/451
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26-11-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7357, 24/451
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 26 november 2024
- Datum publicatie
- 6 december 2024
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2023:7010, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Zaaknummer
- 24/451
- Relevante informatie
- Art. 22 Wet WOZ, Art. 6:11 Awb
Inhoudsindicatie
Wet Woz. Proceskostenvergoeding.
Uitspraak
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 24/451
uitspraakdatum: 26 november 2024
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] C.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 december 2023, nummer UTR 22/4271, en
het daartegen ingestelde incidentele hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Noordoostpolder (hierna: de heffingsambtenaar)
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [plaats1] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2021, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 1.327.000. Tegelijk met deze beschikking is voor dat jaar de aanslag onroerendezaakbelasting vastgesteld.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de waarde van de onroerende zaak verminderd tot € 1.200.000. Tevens heeft de Rechtbank vergoedingen voor proceskosten (€ 1.133) en griffierecht (€ 365) vastgesteld.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft de heffingsambtenaar incidenteel hoger beroep ingesteld, waarop belanghebbende schriftelijk heeft gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord C.M.L. Poen als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] , taxateur.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een in 2006 gebouwde winkelruimte met kantine en opslag, waarbij ook twee in 1960 gebouwde opslag/magazijnruimten behoren.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat zowel de heffingsambtenaar als belanghebbende niet hebben voldaan aan hun bewijslast. De Rechtbank heeft de waarde verminderd tot € 1.200.000. Ook heeft zij een proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de bezwaar- en beroepsfase vastgesteld, waarbij zij de wegingsfactor op 0,5 heeft gesteld.
Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Nadat de gronden op 24 april 2024 waren ingestuurd, heeft het Hof aan de heffingsambtenaar tot 6 juni 2024 de gelegenheid gegeven om een verweerschrift in te dienen en om daarbij (eventueel) incidenteel hoger beroep in te stellen.
Op 21 juni 2024 heeft de heffingsambtenaar zijn verweerschrift ingediend. Ook heeft hij daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Op het incidenteel hoger beroep heeft belanghebbende op 5 augustus 2024 gereageerd.
3 Geschil
In het principaal hoger beroep is in geschil of de Rechtbank in de berekening van de proceskostenvergoeding terecht wegingsfactor 0,5 heeft toegepast. Wat betreft het incidenteel hoger beroep is in geschil of er omstandigheden zijn die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Niet in geschil is dat dit appel van de heffingsambtenaar buiten de daarvoor gestelde termijn ingediend.
Belanghebbende beantwoordt de vragen ontkennend, de heffingsambtenaar bevestigend.