Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30-01-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:775, 21/1654

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30-01-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:775, 21/1654

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30 januari 2024
Datum publicatie
5 februari 2024
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2024:775
Zaaknummer
21/1654
Relevante informatie
Art. 40 WOZ, Art. 8:42 Awb, Art. 8:31 Awb

Inhoudsindicatie

Wet Woz. Waardevaststelling.

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 21/1654

uitspraakdatum: 30 januari 2024

Uitspraak van de elfde enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 22 november 2021, nummer AWB 21/887, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 22 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2019 (hierna: de waardepeildatum) en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2020 vastgesteld op € 306.000. Tegelijk met deze beschikking is de aanslag onroerendezaakbelasting (hierna: OZB) 2020 voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 277,85.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende voor het beroep betaalde griffierecht vergoedt.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter (digitale) zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A. Bakker als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] , taxateur.

2 Vaststaande feiten

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak.

3 Geschil

3.1.

In geschil is ten eerste de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit vaststelling van die waarde op € 271.000. Volgens de heffingsambtenaar moet de door hem vastgestelde waarde van € 306.000 worden bevestigd.

3.2.

In geschil is verder of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de toezendplicht als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.

3.3.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd zijn gronden met betrekking tot het motiveringsbeginsel (met betrekking tot het verslag van de hoorzitting in bezwaar), het vertrouwensbeginsel en overige beginselen van behoorlijk bestuur uitdrukkelijk en ondubbelzinnig laten varen.

4 Beoordeling van het geschil

5 Griffierecht en proceskosten

6 Beslissing