Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-02-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:893, 23/482
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 06-02-2024, ECLI:NL:GHARL:2024:893, 23/482
Gegevens
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 6 februari 2024
- Datum publicatie
- 16 februari 2024
- Zaaknummer
- 23/482
- Relevante informatie
- Art. 4:19 Awb, Art. 6:2 Awb, Art. 26 AWR, Art. 65 AWR
Inhoudsindicatie
Gemeentelijke heffingen. Beslissing op verzoek ambtshalve vermindering aanslagen is geen voor bezwaar vatbare beschikking.
Uitspraak
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/482
uitspraakdatum: 6 februari 2024
Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (hierna: de heffingsambtenaar)
en het incidentele hoger beroep van
[belanghebbende] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 november 2022, nummer UTR 21/4853-V, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats1] voor het belastingjaar 2016 vastgesteld. Tegelijk met deze beschikking zijn aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing gebruiker opgelegd.
Bij brief van 4 september 2021 heeft belanghebbende de gemeente [de gemeente1] gevraagd te beslissen dat de in 1.1 genoemde aanslagen niet verschuldigd waren en om de op die aanslagen betaalde bedragen terug te betalen.
Belanghebbende heeft de gemeente [de gemeente1] bij brief van 2 november 2021 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig geven van de gevraagde beslissing.
Bij brief van 3 december 2021 is belanghebbende in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 2 augustus 2022 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak van de Rechtbank in verzet gekomen. De Rechtbank heeft het verzet bij uitspraak van 11 november 2022 gegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarbij tevens uitspraak gedaan op het beroep. Zij heeft het beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de heffingsambtenaar opgedragen binnen twee weken na de dag van verzending van haar uitspraak alsnog een besluit bekend te maken, bepaald dat de heffingsambtenaar van de gemeente [de gemeente1] aan belanghebbende een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, de door de heffingsambtenaar van de gemeente [de gemeente1] te betalen dwangsom vastgesteld op € 1.142, bepaald dat de heffingsambtenaar van de gemeente [de gemeente1] het door belanghebbende betaalde griffierecht moet betalen en deze heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van € 1.138 aan proceskosten aan belanghebbende.
De heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak op verzet van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft gereageerd op het incidenteel hoger beroep.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord P.L.G. Jurg, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] , namens de heffingsambtenaar. Gelijktijdig met de behandeling van de onderhavige zaak heeft het onderzoek ter zitting in de zaak van belanghebbende met zaaknummer BK-ARN 23/1154 plaatsgevonden.
2 Vaststaande feiten
In haar brief van 4 september 2021 (zie 1.2) aan de gemeente [de gemeente1] heeft belanghebbende geschreven:
“Omdat, zoals uit de basisadministratie van u gemeente ook zal blijken, ik in januari 2013 ben verhuisd, ben ik daarmee geen gebruiker meer van het huis [adres] in uw gemeente. Tegen de door de belastingdienst Amsterdam voor de jaren 2016 t/m 2020 opgelegde aanslagen waarin ook de gebruikersheffingen waren begrepen, is daarom bezwaar gemaakt. De aanslag rioolheffing en afvalstoffen van het belastingjaar 2020 zijn daarop vernietigd, navraag over de afwikkeling van de bezwaren over eerder jaren maakte mij recent duidelijk dat ik voor het op grond van art. 65 van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen beslissen op die bezwaren bij de gemeente [de gemeente1] moet zijn.
Op grond hiervan vraag ik u daarom ook voor de jaren 2016 t/m 2019 te beslissen dat deze heffingen door mij niet verschuldigd waren en vraag u de ten onrechte betaalde heffingen aan mij terug te betalen (…)”
De gemachtigde van belanghebbende heeft in een brief aan de gemeente [de gemeente1] van 2 november 2021 onder meer geschreven:
“Om de afwikkeling van haar bezwaren te bespoedigen doe ik hierbij een beroep op de regeling die u verplicht binnen de door de wet bepaalde redelijke termijn uitspraak te doen. Op grond daarvan dring ik er bij u aan binnen 14 dagen uitspraak c.q. uitspraken op haar bezwaren te doen bij gebreke waarvan ik ter behoud van rechten voor cliënte een beroep zal doen op het door wetgever in paragraaf 4.1.3.2 Awb gegeven middel tegen trage besluitvorming. (…)”
In haar beroepschrift van 3 december 2021 is belanghebbende in beroep gekomen tegen het uitblijven van een uitspraak op het bezwaar tegen de in de gecombineerde aanslag 2016 begrepen gebruikersheffingen. Zij heeft onder meer geschreven:
“(…) Nu op het verzoek c.q. bezwaar ook de in eerdere jaren betaalde heffingen terug te betalen geen uitspraak is gedaan, moet ik mede ter behoud van rechten u vragen de gemeente op te dragen uitspraak op het bezwaar tegen de gecombineerde aanslag 2016 te doen.
Dwangsom
Omdat op het bezwaar van 4 september 2021 geen uitspraak was gedaan, heb ik de gemeente op 2 november 2021 in gebreke gesteld en gesommeerd binnen 14 dagen te beslissen. Door het overschrijden van de gestelde termijn vraag ik u te beslissen dat de gemeente de wettelijk bepaalde dwangsommen aan cliënte verschuldigd is. (…)”
De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 2 augustus 2022 geoordeeld dat de beslistermijn op 2 november 2021 nog niet was verstreken, zodat de ingebrekestelling door belanghebbende op die datum prematuur was. Zij heeft het beroep vervolgens met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
In de uitspraak op verzet van 11 november 2022 heeft de Rechtbank geoordeeld dat sprake is van een fictieve weigering om te beslissen op het verzoek van belanghebbende als bedoeld in artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en dat belanghebbende de heffingsambtenaar van de gemeente [de gemeente1] terecht en niet te vroeg in gebreke heeft gesteld, zodat het verzet gegrond is. De Rechtbank heeft in hetzelfde geschrift tevens uitspraak gedaan op het beroep, als bedoeld in artikel 8:55, lid 10, Awb.
Bij ambtshalve vermindering van 25 januari 2023 heeft de directeur belastingen van Amsterdam, [de gemeente2] en [de gemeente1] de in 1.1 genoemde aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing gebruiker vernietigd.
3 Geschil
In het principale hoger beroep is primair in geschil of beroep open staat tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van belanghebbende in haar brief van 4 september 2021, en subsidiair of de dwangsomregeling van toepassing is en of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding.
In het incidentele hoger beroep is in geschil of belanghebbende recht heeft op rentevergoeding aangezien de belasting onverschuldigd is betaald, of de dwangsom uit de uitspraak van de Rechtbank verschuldigd is en of recht bestaat op een hogere proceskostenvergoeding dan door de Rechtbank is toegekend.